BAC 2023-14386
Publicatiedatum 21-07-2026
Advies van de Bezwaarschriftenadviescommissie hersteloperatie toeslagen
Aan: Belastingdienst/Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen (hierna: UHT)
Betreft: het bezwaarschrift van belanghebbende
Primair besluit: 12 mei 2023 (UHT-DCHA)
Hoorzitting: 9 december 2025
Overdracht advies aan UHT: 18 februari 2026
Samenvatting
De Bezwaarschriftenadviescommissie (hierna: de Commissie) adviseert UHT om het bezwaar ongegrond te verklaren en het verzoek om een vergoeding voor de proceskosten af te wijzen.
Onderwerp van advies
Gemachtigde heeft namens belanghebbende bezwaar gemaakt tegen het besluit van 12 mei 2023 (hierna: bestreden besluit) waarbij belanghebbende is meegedeeld:
- dat er bij de herbeoordeling over de toeslagjaren 2007 tot en met 2010 niet is gebleken van fouten en dat belanghebbende daarom geen recht heeft op compensatie.
Procesverloop
- Belanghebbende heeft een verzoek gedaan voor een herbeoordeling van haar kinderopvangtoeslag (hierna: KOT).
- Bij brief van 28 maart 2022 is belanghebbende meegedeeld dat zij, in het kader van de eerste toets, vooralsnog geen recht heeft op een betaling van € 30.000, als bedoeld in de Catshuisregeling.
- Op 6 april 2023 heeft de Commissie van Wijzen (hierna: CvW) advies uitgebracht. De CvW heeft overwogen, kort gezegd, dat voor de toeslagjaren 2007 tot en met 2010 geen herstelregeling van toepassing is.
- Bij brief van 12 mei 2023 is het bestreden besluit genomen.
- Bij brief van 14 juni 2023 heeft gemachtigde tegen dit besluit bezwaar gemaakt.
- Op 13 februari 2025 heeft UHT een schriftelijke reactie ingediend.
- Op 9 december 2025 heeft een hoorzitting plaatsgevonden. Het hoorverslag is bij dit advies gevoegd.
- Dit advies wordt uitgebracht door de voorzitter, eerste commissielid en tweede commissielid.
Ontvankelijkheid
Niet in geschil is dat het bezwaar ontvankelijk is.
Overwegingen ten aanzien van de bezwaren en het bestreden besluit
Herbeoordeelde toeslagjaren
De Commissie stelt vast dat er met betrekking tot toeslagjaar 2007 geen neerwaartse bijstellingen hebben plaatsgevonden. Dit betekent dat belanghebbende over 2007 geen recht heeft op compensatie.
Ten aanzien van de toeslagjaren 2008, 2009 en 2010 is de KOT, gelet op de stukken in het dossier, bijgesteld naar aanleiding van wijzigingen in het gezamenlijk toetsingsinkomen, het uurtarief, het aantal afgenomen opvanguren en een door belanghebbende doorgegeven stopzetting. De Commissie heeft geen aanleiding om te twijfelen aan de producties waaruit dit blijkt.
De slotsom is dat de verplichting tot terugbetaling van de KOT het gevolg is van reguliere correcties. Dat kan niet worden aangemerkt als institutioneel vooringenomen handelen. De reguliere correcties wijzen ook niet op onbillijkheden vanwege de hardheid waarmee het wettelijk systeem werd toegepast. Daarbij ligt het in de aard van een voorschot besloten dat de werkelijke, later vast te stellen aanspraak, op een lager bedrag kan uitkomen. Aan een voorschot kan in beginsel niet het gerechtvaardigde vertrouwen worden ontleend dat een definitieve aanspraak op een daarmee overeenstemmend bedrag bestaat. Hierbij neemt de Commissie ook in aanmerking dat belanghebbende ter zitting heeft toegelicht dat zij, door de veelheid aan brieven vanuit B/T het overzicht kwijt was, in aanmerking. Echter leidt dit niet tot een ander oordeel, zoals ook door UHT nader is toegelicht. De Commissie adviseert dan ook het bezwaar ongegrond te verklaren.
Proceskostenvergoeding
Gemachtigde heeft ten slotte een verzoek gedaan tot vergoeding van de kosten voor rechtsbijstand. Omdat de bezwaren ongegrond zijn, komt belanghebbende op grond van artikel 7:15, lid 2, Awb niet in aanmerking voor toekenning van een proceskostenvergoeding.
Conclusie
Gelet op het vorenstaande adviseert de Commissie het bezwaar ongegrond te verklaren en het verzoek voor een proceskostenvergoeding af te wijzen.
[handtekening]
Secretaris
[handtekening]
Fungerend voorzitter