Ga direct naar de inhoud Ga direct naar de filters Ga direct naar de footer

BAC 2023-14383

Advies van de Bezwaarschriftenadviescommissie hersteloperatie toeslagen

Aan: Belastingdienst/Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen (hierna: UHT)

Betreft: het bezwaarschrift van belanghebbende

Primair besluit: 9 juni 2023 (UHT-DCHA)

Hoorzitting: 28 mei 2025

Overdracht advies aan UHT: 25 juni 2025

Samenvatting

De Bezwaarschriftenadviescommissie (hierna: de Commissie) adviseert UHT om het bezwaar gegrond te verklaren en alsnog compensatie toe te kennen over de bestreden jaren.

Onderwerp van advies

Het door gemachtigde namens belanghebbende ingediende bezwaarschrift is gericht tegen de door UHT genomen definitieve beschikking beoordeling kinderopvangtoeslag.

Aan belanghebbende is met toepassing van de Wet hersteloperatie toeslagen (hierna: Wht) geen compensatie toegekend voor de jaren 2011, 2013, 2014 en 2015.

Procesverloop

  • Belanghebbende heeft op 22 januari 2021 verzocht om een herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag (hierna: KOT) over de jaren 2014 en 2015. In overleg tussen de gemachtigde en de persoonlijk zaakbehandelaar zijn de jaren 2011 en 2013 toegevoegd aan het verzoek.
  • UHT heeft bij beschikking van 26 april 2021 aan belanghebbende medegedeeld dat zij niet in aanmerking komt voor een vergoeding van €30.000,-.
  • De Commissie van Wijzen (hierna: CvW) heeft haar beoordeling van het verzoek van belanghebbende op 7 mei 2023 aan UHT toegestuurd. De CvW heeft geadviseerd dat gedurende de betrokken jaren geen sprake is geweest van institutionele vooringenomenheid of bijzondere omstandigheden.
  • UHT heeft bij bestreden beschikking aan belanghebbende medegedeeld dat zij geen recht heeft op compensatie voor de jaren 2011, 2013, 2014 en 2015.
  • Gemachtigde heeft bij brief van 7 juni 2023, tegen deze beschikking een bezwaarschrift ingediend.
  • UHT heeft op 12 november 2024 schriftelijk gereageerd op het bezwaarschrift.
  • Gemachtigde heeft bij brief van 16 mei 2025, het bezwaarschrift aangevuld.
  • UHT heeft op 26 mei 2025 een aanvullende schriftelijke reactie ingediend.
  • Op 28 mei 2025 heeft een hoorzitting plaatsgevonden. Van de hoorzitting is een verslag gemaakt, dat achter het advies is gevoegd.
  • Gemachtigde en UHT hebben, daartoe door de Commissie ter zitting verzocht, op respectievelijk 2 juni 2025 en 11 juni 2025 nadere stukken ingediend.
  • Dit advies wordt uitgebracht door de voorzitter, eerste commissielid, tweede commissielid.

Ontvankelijkheid en algemene opmerkingen

Niet in geschil is dat het bezwaarschrift ontvankelijk is.

Overwegingen ten aanzien van de bezwaren en het bestreden besluit

De Commissie ziet zich, gelet op de aangevoerde bezwaargronden, gesteld voor de vraag of UHT terecht en op goede gronden is gekomen tot haar beslissing om het verzoek van belanghebbende om compensatie of tegemoetkoming af te wijzen voor de jaren 2014 en 2015.

Bezwaargronden

Belanghebbende heeft aangevoerd dat haar verzoek om compensatie voor toeslagjaren 2014 en 2015 ten onrechte is afgewezen. Zij stelt dat de Belastingdienst/Toeslagen (hierna: B/T) vooringenomen heeft gehandeld door haar recht op KOT op nihil stellen voor de perioden 1 oktober 2014 tot en met 31 december 2014 (bij beschikking van 6 oktober 2017) en 1 januari 2015 tot en met 6 februari 2015 (bij beschikking van 29 december 2015). B/T had volgens haar voorafgaand aan deze beschikkingen uitvraag moeten doen over de inkomens- dan wel doelgroepergegevens van de persoon die voor die periode als haar toeslagpartner werd aangemerkt, [naam]. Bovendien betwist belanghebbende dat [naam] haar rechtmatige toeslagpartner was in de periode 1 oktober 2014 tot en met 6 februari 2015.

Standpunt UHT: vooringenomen handelen

UHT heeft bij nadere schriftelijke reactie van 26 mei 2025 en ter zitting op 28 mei 2025 gesteld dat zij het eens is met het standpunt van belanghebbende dat sprake is van vooringenomen handelen ten aanzien van de jaren 2014 en 2015. De UHT stelt zich echter op het standpunt dat er geen recht is op compensatie, omdat [naam] niet voldeed aan de vereisten voor doelgroeperschap. Als gevolg daarvan had belanghebbende evident geen recht op KOT in de periode 1 oktober 2014 tot en met 6 februari 2015.

Standpunt UHT: toeslagpartnerschap van [naam]

UHT heeft op 11 juni 2025, op verzoek van de Commissie, een nadere schriftelijke reactie ingediend. Onder verwijzing naar het beleid van de Dienst Toeslagen over de betreffende bepalingen van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen en de in-en uitschrijfinformatie uit de BVR stelt zij dat er het erop lijkt dat [naam] ten onrechte is aangemerkt als toeslagpartner van belanghebbende. De Commissie begrijpt de analyse van UHT zo, dat het op basis van de thans beschikbare informatie meer in de rede had gelegen voor B/T om de zus van belanghebbende als toeslagpartner aan te wijzen en niet [naam].

Vooringenomen handelen en evident geen recht

De Commissie concludeert uit het voorgaande dat tussen partijen vast staat dat sprake is van vooringenomen handelen door B/T ten aanzien van de jaren 2014 en 2015, in de zin van artikel 2.1, lid 1 en onder a, van de Wht.

Voor zover UHT haar ter zitting toegelichte standpunt handhaaft, namelijk dat compensatie achterwege moet blijven op grond van evident geen recht, overweegt de Commissie als volgt.

Gelet op de reactie van UHT van 11 juni 2025 heeft belanghebbende op goede gronden in twijfel getrokken dat [naam] haar toeslagpartner was in de periode 1 oktober 2014 tot en met 6 februari 2015. De motivering dat belanghebbende evident geen recht had op KOT in die periode omdat [naam] geen doelgroeper was, kan daarom alleen al wegens ontbreken van evidentie geen stand houden.

De Commissie is bovendien van mening dat (ontbrekende) inkomens- dan wel doelgroepergegevens van een toenmalige toeslagpartner in het geval van belanghebbende niet aan haar kunnen worden tegengeworpen. Tijdens de behandeling van de KOT voor de jaren 2014 en 2015 is belanghebbende namelijk niet eenduidig dan wel onvolledig geïnformeerd over wie in welke periode haar toeslagpartner was, waardoor zij toen onvoldoende mogelijkheid heeft gehad om zich te verweren tegen een eventueel onterecht toeslagpartnerschap. Zo heeft B/T naar aanleiding van het bezwaar van belanghebbende tegen de definitieve beschikking van toeslagjaar 2014 (productie 35), een verzoek om informatie aan belanghebbende gestuurd waaruit volgde dat mevrouw [naam] was aangemerkt als toeslagpartner voor dat jaar (productie 34). Belanghebbende heeft dat toeslagpartnerschap bestreden in haar reactie op het verzoek (productie 34), maar B/T heeft – uitgaande van de beschikbare gegevens - geen beslissing op bezwaar genomen. Ten aanzien van de vaststelling van de KOT voor toeslagjaar 2015 heeft B/T actief informatie uitgevraagd over enkel toeslagpartner belanghebbende (productie 53), terwijl B/T voor een gedeelte van dat jaar uitging van een andere toeslagpartner, namelijk [naam] (productie 4, blz. 33, notitie 9 november 2015). Van belanghebbende kan daarom redelijkerwijs niet verwacht worden dat zij in het kader van dit herstelproces nog aannemelijk maakt of een eventuele toenmalige toeslagpartner inkomen had uit werk of doelgroeper was.

Aldus ziet de Commissie geen aanknopingspunt om de compensatie achterwege te laten op grond van evident geen recht, in de zin van artikel 2.1, lid 2, van de Wht. Zij adviseert UHT om het bezwaar gegrond te verklaren en belanghebbende alsnog compensatie op grond van vooringenomen handelen toe te kennen over de bestreden jaren 2014 en 2015.

Proceskostenvergoeding

Nu het primaire besluit naar de mening van de Commissie dient te worden herroepen, adviseert de Commissie tot toewijzing van het verzoek om vergoeding van de kosten van rechtsbijstand in deze bezwaarprocedure. Op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht heeft belanghebbende recht op een forfaitaire vergoeding op basis van twee procespunten (bezwaarschrift en verschijnen hoorzitting) met een wegingsfactor 2. Net als in eerdere zaken adviseert de Commissie daarbij de hoogste vergoeding per procespunt toe te kennen.

Conclusie

Samengevat adviseert de Commissie om het bezwaar gegrond te verklaren en om:

  • aan belanghebbende alsnog compensatie op grond van vooringenomen handelen toe te kennen voor de toeslagjaren 2014 en 2015;
  • een vergoeding van de proceskosten voor de onderhavige bezwaarprocedure toe te kennen van twee procespunten met wegingsfactor twee voor het hoogste tarief.

Secretaris

Fungerend voorzitter