BAC 2023-14351
Publicatiedatum 06-08-2026
Advies van de Bezwaarschriftenadviescommissie hersteloperatie toeslagen
Aan: Belastingdienst/Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen (hierna: UHT)
Betreft: het bezwaarschrift van belanghebbende
Primair besluit: 23 januari 2023 (UHT-DCH ZV)
Hoorzitting: 12 december 2025
Overdracht advies aan UHT: 14 januari 2026
Samenvatting
De Bezwaarschriftenadviescommissie (hierna: de Commissie) adviseert UHT om het bezwaar gedeeltelijk gegrond te verklaren en de bestreden beschikking te herroepen. Ook adviseert de Commissie om compensatie toe te kennen aan belanghebbende op grond van vooringenomenheid voor de periode 1 januari tot en met 21 maart 2015 en een vergoeding van de kosten van rechtsbijstand toe te kennen.
Onderwerp van advies
Het door gemachtigde namens belanghebbende ingediende bezwaarschrift is gericht tegen de door UHT genomen definitieve beschikking compensatie kinderopvangtoeslag van 23 januari 2023 met kenmerk UHT-DCH ZV.
Aan belanghebbende is met toepassing van de Wet hersteloperatie toeslagen (hierna: Wht) compensatie toegekend voor een bedrag van € 12.363,- voor de maanden januari tot en met september in het toeslagjaar 2016 en geen compensatie toegekend voor de toeslagjaren 2010 tot en met 2015 en de maanden oktober tot en met december van toeslagjaar 2016.
Procesverloop
- Belanghebbende heeft verzocht om een herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag (hierna: KOT) over de toeslagjaren 2010 tot en met 2016.
- De Commissie van Wijzen (hierna: CvW) heeft haar beoordeling van het verzoek van belanghebbende op 10 januari 2023 aan UHT toegestuurd. De CvW heeft geadviseerd dat de compensatieregeling van artikel 2.1, eerste lid, onderdeel a van de Wht niet van toepassing is voor de toeslagjaren 2010 tot en met 2015 en de maanden oktober tot en met december van het toeslagjaar 2016.
- UHT heeft bij de beschikking van 23 januari 2023 met kenmerk UHT-DCH ZV aan belanghebbende een compensatie toegekend voor een bedrag van € 12.363,-voor de maanden januari tot en met september van het toeslagjaar 2016. UHT heeft geen compensatie toegekend voor de toeslagjaren 2010 tot en met 2015 en de maanden oktober tot en met december van het toeslagjaar 2016.
- UHT heeft daarnaast bij beschikking van 22 februari 2023 met kenmerk UHT-O OGS B aan belanghebbende een tegemoetkoming opzet/grove schuld (hierna: O/GS) toegekend van € 4.383,- voor de toeslagjaren 2012, 2013 en 2014. Tegen deze beschikking is geen bezwaar ingediend.
- Gemachtigde heeft bij brief van 22 september 2023 tegen de beschikking van 23 januari 2023 met kenmerk UHT-DCH ZV een bezwaarschrift ingediend.
- Gemachtigde heeft op 3 mei 2025 het bezwaar aangevuld.
- UHT heeft op 12 juni 2025 schriftelijk gereageerd op het bezwaarschrift.
- Op 12 december 2025 heeft een hoorzitting plaatsgevonden. Van de hoorzitting is een verslag gemaakt, dat achter het advies is gevoegd.
- Dit advies wordt uitgebracht door de voorzitter, eerste commissielid, tweede commissielid.
Ontvankelijkheid en algemene opmerkingen
Niet in geschil is dat het bezwaar ontvankelijk is.
Overwegingen ten aanzien van de bezwaren en het bestreden besluit
Beoordeling afwijzing compensatie
De Commissie ziet zich, gelet op de inhoud van de bestreden beschikking en de daartegen gevoerde bezwaren, geplaatst voor de beantwoording van de vraag of UHT terecht en op goede gronden is gekomen tot haar beslissing om het verzoek van belanghebbende om compensatie voor de toeslagjaren 2010 tot en met 2015 en de maanden oktober tot en met december van het toeslagjaar 2016 af te wijzen.
Toeslagjaar 2015
Belanghebbende heeft aangevoerd dat sprake is geweest van vooringenomen handelen door B/T in het toeslagjaar 2015. Ter zitting heeft gemachtigde betoogd dat de automatische continuering om onduidelijke redenen is stopgezet door B/T. De KOT is daarom pas maanden later tot uitbetaling gekomen. Als gevolg van deze vooringenomen handeling heeft belanghebbende schade geleden. UHT heeft aangevoerd dat de KOT in het toeslagjaar 2015 niet automatisch is gecontinueerd, omdat B/T bezig was met een onderzoek naar de vraag of belanghebbende recht had op KOT. Hoewel de timing daarvan ongelukkig was, is niet direct sprake van een vooringenomen handelwijze van B/T dan wel van schade.
De Commissie stelt op basis van de stukken vast dat de KOT op 3 november 2014 ambtshalve is stopgezet door B/T, omdat onderzocht werd of belanghebbende recht heeft op KOT over de jaren 2014 en 2015. Op 3 december 2014 heeft B/T belanghebbende verzocht om informatie om het recht op KOT over 2014 en 2015 te kunnen vaststellen. Vervolgens heeft B/T op 19 december 2014 aan belanghebbende meegedeeld dat wordt gecontroleerd of er recht was op KOT in het toeslagjaar 2014. Daarom zou nog geen beslissing zijn genomen over de KOT in de toeslagjaren 2014 en 2015 (pagina’s 391 tot en met 397 van het ouderdossier). De KOT over toeslagjaar 2015 is op 21 maart 2015 toegekend.
De Commissie wijst in dit verband op de uitvoeringspraktijk van UHT op dit punt, neergelegd in paragraaf 3.1.6 van het Handboek Integrale Beoordeling – Vaktechniek, versie 3.16, waarin het volgende is bepaald:
’’3.1.6 Niet automatisch continueren KOT
Het feit dat de KOT niet automatisch gecontinueerd wordt, is op zichzelf geen vooringenomen handeling. Afhankelijk van de omstandigheden kan het niet automatisch continueren wel tot vooringenomenheid leiden. Het is hierbij van belang wat de reden is van het niet automatisch continueren. BD/T moet zorgvuldig onderzoek hebben verricht naar de aanvraag. Uit dat onderzoek moet zijn gebleken dat er het volgende jaar naar alle waarschijnlijkheid geen recht bestaat op KOT. Daarnaast moet de ouder op de juiste manier zijn geïnformeerd over het niet automatisch continueren (artikel 15, vijfde en zesde lid, Awir). Dit betekent dat ouder schriftelijk, per brief, op de hoogte moet zijn gesteld van het niet continueren. In deze beëindigingsbrief moet tevens staan per wanneer en voor welke toeslag de aanvraag wordt beëindigd én dat de aanvrager een nieuwe aanvraag moet indienen als hij denkt wél recht te hebben. Indien BD/T niet heeft voldaan aan deze vereisten (zorgvuldig onderzoek en beëindigingsbrief), is ouder onvoldoende in de gelegenheid gesteld om de KOT alsnog op tijd aan te vragen. Wanneer dit het geval is, is in beginsel sprake van vooringenomen handelen. Echter, als er geen schade is, dan is er ook geen recht op compensatie (ingevolge art. 2.1 aanhef Wht). Er is geen schade als er aan het begin van het nieuwe jaar geen recht bestond op KOT (bijvoorbeeld vanwege geen opvang) of als er toch nog tijdig KOT is toegekend en uitgekeerd in het nieuwe jaar, waardoor de ouder geen enkele KOT-uitbetaling is misgelopen.’’
Gegeven dit beleidskader van UHT constateert de Commissie dat B/T niet heeft voldaan aan de hiervoor genoemde vereisten. In de voormelde aan belanghebbende gezonden brieven is zij immers niet op de juiste manier geïnformeerd over het niet automatisch continueren van de KOT. Niet is meegedeeld dat de KOT voor het toeslagjaar 2015 is stopgezet en dat zij een nieuwe aanvraag kan doen. Conform de uitvoeringspraktijk van UHT duidt dit op een vooringenomen handelwijze van B/T. Voor het recht op compensatie dient tevens sprake te zijn van schade als gevolg van het vooringenomen handelen. In dat kader heeft belanghebbende ter zitting aangevoerd dat zij voltijd studeerde en dan ook gebruik moest maken van opvang voor haar kinderen. Bij gebreke van KOT-betalingen heeft zij daarvoor kosten moeten maken. Hiermee heeft belanghebbende naar de opvatting van de Commissie voldoende aannemelijk gemaakt dat zij schade heeft geleden. Van omstandigheden waarom bovenvermelde uitvoeringspraktijk niet op het onderhavige geval van toepassing zou zijn, is naar de opvatting van de Commissie niet gebleken. De Commissie adviseert om dit onderdeel van het bezwaar gegrond te verklaren en alsnog compensatie toe te kennen op grond van vooringenomenheid voor de periode 1 januari tot en met 21 maart 2015. De Commissie adviseert UHT om de belanghebbende een compensatieberekening ter hand te stellen.
Voor het overige ziet de Commissie geen aanknopingspunten voor vooringenomenheid dan wel hardheid over het toeslagjaar 2015. De KOT over dit toeslagjaar is op 3 maart 2017 neerwaarts bijgesteld op basis van de door belanghebbende toegezonden jaaropgave (productie 1215015 ouderdossier) waaruit volgt dat sprake was van een verkorte opvangperiode. Dit is een reguliere wijziging op basis van door belanghebbende zelf verstrekte informatie. Het volgen van door belanghebbende zelf verstrekte informatie levert geen vooringenomen handelen van B/T op. Daarnaast heeft de Commissie geen aanknopingspunten kunnen vinden om te adviseren dat sprake is geweest van hardheid. De Commissie adviseert UHT dan ook om dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.
Toeslagjaar 2014
Belanghebbende heeft aangevoerd dat B/T in het toeslagjaar 2014 de KOT ten onrechte automatisch heeft gecontinueerd, gelet op de omstandigheid dat de kinderopvanginstelling (hierna: KOI) in het toeslagjaar 2013 al geen LRK-nummer zou hebben. Tevens voert belanghebbende aan dat zij geen toeslagpartner heeft gehad.
De Commissie heeft geen aanknopingspunten gevonden in de voorhanden zijnde stukken die duiden op vooringenomenheid of hardheid. Het betoog van belanghebbende dat de automatische continuering van KOT in het toeslagjaar 2014 duidt op vooringenomen handelen slaagt niet, aangezien uit de voorhanden zijnde stukken niet volgt dat het eerdere ontbreken van een LRK-nummer gevolgen heeft gehad voor de hoogte van de KOT in het toeslagjaar 2014. Verder overweegt de Commissie dat de terugvorderingen van de KOT over dit toeslagjaar gebaseerd waren op de vaststelling dat een te hoog voorschot was toegekend. Dat voorschot is op 27 maart 2015 en op 27 mei 2016 neerwaarts bijgesteld als gevolg van door belanghebbende doorgegeven informatie over opvanguren. Deze bijstellingen zijn in overeenstemming met de wet uitgevoerd.
Dergelijke bijstellingen geven in beginsel ook geen aanspraak op een zogenoemde hardheidstegemoetkoming. Op 5 juni 2015 werd de KOT neerwaarts bijgesteld vanwege een hoger toetsingsinkomen. In dit verband stelt de Commissie vast dat belanghebbende bezwaar heeft ingediend tegen deze neerwaartse bijstelling omdat B/T ten onrechte de vorige bewoner zou hebben meegenomen voor de berekening van het gezamenlijke toetsingsinkomen. B/T heeft de KOT naar aanleiding daarvan hersteld en bij beschikking van 30 november 2015 opwaarts bijgesteld naar € 5.050,-. Hoewel de voorbereiding van de beschikking van 5 juni 2015 mogelijk onzorgvuldig is geweest, volgt hieruit niet zonder meer dat sprake is geweest van vooringenomen handelen door B/T. De Commissie ziet hiervoor geen aanknopingspunten. Belanghebbende heeft geen KOT terugbetaald naar aanleiding van de beschikking van 5 juni 2015 en niet gesteld, laat staan onderbouwd, dat zij als gevolg van deze beschikking enige schade zou hebben geleden. Gelet hierop, is naar de opvatting van de Commissie geen sprake van vooringenomenheid dan wel van hardheid. De Commissie adviseert UHT het bezwaar op dit punt ongegrond te verklaren.
Overige toeslagjaren (2010 tot en met 2013, oktober tot en met december 2016)
De Commissie heeft geen aanknopingspunten kunnen vinden om te adviseren dat B/T bij de toekenning, aanpassing of terugvordering van de KOT voor de toeslagjaren 2010 tot en met 2013 en de maanden oktober tot en met december 2016 vooringenomen heeft gehandeld of dat het stelsel te hard heeft uitgewerkt, omdat ook in die toeslagjaren sprake is geweest van reguliere wijzigingen, als gevolg van de door belanghebbende of door de KOI doorgegeven informatie. Deze bijstellingen zijn in overeenstemming met de wet uitgevoerd en geven in beginsel ook geen aanspraak op een zogenoemde hardheidstegemoetkoming. Ten aanzien van de periode oktober tot en met december 2016 heeft UHT geoordeeld dat sprake is geweest van evident geen recht.
Belanghebbende heeft dit oordeel niet weersproken. De Commissie adviseert UHT daarom om dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.
Ontbrekende informatie over mogelijke vooringenomenheid
Gemachtigde heeft ter zitting ten aanzien van alle afgewezen toeslagjaren als bezwaar opgeworpen dat mogelijk sprake is geweest van vooringenomenheid bij de beslissing om geen betalingsregeling toe te kennen. Daartoe heeft gemachtigde betoogd dat uit de stukken niet blijkt om welke reden aan belanghebbende een O/GS-kwalificatie is toegekend, en dat om die reden vooringenomenheid moet worden aangenomen.
Gelet op het hiervoor overwogene ten aanzien van de toeslagjaren 2010 tot en met 2014 en oktober tot en met december 2016, volgt de Commissie gemachtigde niet in dit betoog. De enkele omstandigheid dat uit de stukken niet blijkt op welke gronden de O/GS-kwalificatie is toegekend, is onvoldoende om vooringenomenheid aan te nemen.
Zoals overwogen ziet de Commissie geen aanknopingspunten voor de conclusie dat bij de besluitvorming in deze toeslagjaren sprake is geweest van vooringenomenheid. De Commissie adviseert UHT om dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.
Beoordeling compensatieberekening januari tot en met september 2016
De Commissie ziet zich vervolgens gesteld voor de beantwoording van de vraag of UHT de toegekende compensatie voor de maanden januari tot en met september 2016 op de juiste wijze heeft berekend. Belanghebbende heeft in dat kader aangevoerd dat de renteberekening moet worden aangepast.
UHT heeft in de schriftelijke beschouwing toegelicht dat een onjuiste start- en einddatum is gehanteerd voor de rente over de gemiste KOT (component o). Het bedrag van € 1.774,- is onjuist vastgesteld. Component o had moeten worden vastgesteld op € 1.509,-. Nu wijziging daarvan in het nadeel van belanghebbende zou zijn, zal de rentevergoeding niet worden aangepast in de beslissing op bezwaar. Nu de aangepaste renteberekening niet nader door belanghebbende is betwist, ziet de Commissie geen aanleiding voor een ander oordeel. Verder is UHT van mening dat de vergoeding voor immateriële schade (component n) onjuist is vastgesteld. Ook op dit punt heeft UHT toegezegd de vergoeding niet ten nadele van belanghebbende te zullen veranderen. De Commissie adviseert UHT om de compensatieberekening in lijn met de gedane toezeggingen in stand te laten.
Belanghebbende heeft verzocht om een vergoeding van de kosten van rechtsbijstand. Ingevolge artikel 7:15 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) worden de kosten van rechtsbijstand alleen vergoed als de bestreden beschikking wordt herroepen wegens een aan het bestuursorgaan te wijten onrechtmatigheid. Op grond van de op dit punt heersende rechtspraak (zie bijvoorbeeld CRVB 9 december 2020,ECLI:NL:CRVB:2020:3140, JB 2021/25), is sprake van herroepen in de zin van artikel 7:15 lid 2 Awb als het primaire besluit wordt gewijzigd voor wat betreft het met dat besluit beoogde rechtsgevolg. De aanpassing van de compensatieberekening heeft niet tot gevolg dat belanghebbende recht heeft op een hoger bedrag aan compensatie dan de al eerder uitgekeerde € 30.000,-. De aanpassing van de compensatieberekening heeft wel tot gevolg dat het vertrekpunt voor een eventuele procedure over aanvullende compensatie voor de werkelijke schade verandert. De Commissie is daarom, in lijn met de genoemde rechtspraak en gelet op het systeem van de Wht, van mening dat er sprake is van een wijziging van het rechtsgevolg. Daarom adviseert de Commissie aan UHT om een vergoeding van de kosten van rechtsbijstand toe te kennen. Op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht heeft belanghebbende recht op een forfaitaire vergoeding op basis van 2 procespunten (bezwaarschrift en verschijnen hoorzitting). Net als in eerdere zaken adviseert de Commissie daarbij de hoogste vergoeding per procespunt toe te kennen.
Conclusie
Samengevat adviseert de Commissie om het bezwaar gericht tegen de beschikking van 23 januari 2023 met kenmerk UHT-DCH ZV gedeeltelijk gegrond te verklaren en om:
- Op grond van vooringenomenheid alsnog compensatie toe te kennen voor de periode 1 januari tot en met 21 maart 2015 en de bestreden beschikking in zoverre te herroepen;
- De bezwaren voor het overige ongegrond te verklaren en de bestreden beschikking in zoverre in stand te laten;
- Een vergoeding van de proceskosten voor de onderhavige bezwaarprocedure toe te kennen van twee procespunten met wegingsfactor twee voor het hoogste tarief.
[handtekening]
Secretaris
[handtekening]
Fungerend voorzitter