Ga direct naar de inhoud Ga direct naar de filters Ga direct naar de footer

BAC 2023-14341

Advies van de Bezwaarschriftenadviescommissie hersteloperatie toeslagen

Aan: Belastingdienst/Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen (hierna: UHT)

Betreft: het bezwaarschrift van belanghebbende

Primair besluit: 4 augustus 2023 (UHT-DCH)

Hoorzitting: 16 mei 2025 om 11:00 uur

Overdracht advies aan UHT: 25 juni 2025

Samenvatting

De Bezwaarschriftenadviescommissie (hierna: de Commissie) adviseert UHT om het bezwaar gedeeltelijk gegrond te verklaren.

Onderwerp van advies

Het door gemachtigde namens belanghebbende ingediende bezwaarschrift is gericht tegen de door UHT genomen definitieve beschikking compensatie kinderopvangtoeslag van 4 augustus 2023 (UHT-DCH).

Aan belanghebbende is met toepassing van de Wet hersteloperatie toeslagen (hierna: Wht) compensatie toegekend voor een bedrag van € 39.600 voor de jaren 2010 en 2011 en een opzet/grove schuld (hierna: O/GS) - tegemoetkoming van €1.090 toegekend voor het jaar 2009.

Procesverloop

  • Belanghebbende heeft op 19 januari 2021 verzocht om een herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag (hierna: KOT) over de jaren 2010 tot en met 2015. Na overleg tussen belanghebbende en de persoonlijk zaakbehandelaar is het verzoek beperkt tot de jaren 2009, 2010 en 2011.
  • UHT heeft bij beschikking van 28 mei 2021 met kenmerk UHT-B DMB2 aan belanghebbende medegedeeld dat zij in aanmerking komt voor een betaling van € 30.000.
  • De Commissie van Wijzen (hierna: CvW) heeft haar beoordeling van het verzoek van belanghebbende op 24 mei 2023 aan UHT toegestuurd. De CvW heeft geadviseerd dat gedurende het jaar 2009 geen sprake is geweest van institutionele vooringenomenheid of bijzondere omstandigheden.
  • UHT heeft bij vooraankondiging van 8 juni 2023 met kenmerk UHT-VCH aan belanghebbende een compensatie in het vooruitzicht gesteld voor een bedrag van € 39.419.
  • UHT heeft bij beschikking met kenmerk UHT-O OGS B van 4 augustus 2023 aan belanghebbende een O/GS-tegemoetkoming toegekend van € 1.090 voor het jaar 2009.
  • UHT heeft bij de bestreden beschikking met kenmerk UHT-DCH van 4 augustus 2023 aan belanghebbende een compensatie toegekend voor een bedrag van €39.600 voor de jaren 2010 (vooringenomenheid) en 2011 (hardheid) en geen compensatie toegekend voor het jaar 2009 omdat in dat jaar geen sprake zou zijn geweest van vooringenomen handelen of hardheid van het stelsel.
  • Gemachtigde heeft bij brief van 12 september 2023 tegen deze laatste beschikking een bezwaarschrift ingediend.
  • UHT heeft op 6 januari 2025 schriftelijk gereageerd op de bezwaarschriften.
  • Op 15 mei 2025 heeft gemachtigde de Commissie verzocht om de hoorzitting aan te houden vanwege een schikkingsvoorstel dat door UHT aan belanghebbende is gedaan. De Commissie heeft aan gemachtigde meegedeeld dat de hoorzitting volgens planning doorgang zal vinden.
  • Op 16 mei 2025 heeft een hoorzitting plaatsgevonden. Van de hoorzitting is een verslag gemaakt, dat achter het advies is gevoegd.
  • Op 1 juni 2025 heeft gemachtigde de BAC geïnformeerd dat belanghebbende het schikkingsvoorstel niet wenst te accepteren.
  • Dit advies wordt uitgebracht door de voorzitter, eerste commissielid, tweede commissielid.

Ontvankelijkheid en algemene opmerkingen

Niet in geschil is dat het bezwaarschrift ontvankelijk is.

Deze bezwaarschriftprocedure heeft alleen betrekking op de toekenning van de standaard vergoedingen en niet op de vergoeding van de werkelijke schade. Hiervoor is de procedure bij de Commissie Werkelijke Schade bestemd.

Overwegingen ten aanzien van de bezwaren en het bestreden besluit

Persoonlijk dossier

Belanghebbende stelt dat zonder het volledige persoonlijke dossier niet kan worden beoordeeld of alle relevante stukken er zijn. De Commissie volgt dit standpunt van belanghebbende niet. De schriftelijke reactie/beschouwing en de onderliggende stukken zijn aan gemachtigde toegezonden. De Commissie vindt dat met het toezenden van deze stukken is voldaan aan de in artikel 7:4, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) neergelegde verplichting om alle op de zaak betrekking hebbende stukken ter inzage te leggen. Dat kan anders zijn als de belanghebbende een duidelijk aanknopingspunt geeft waarom het persoonlijk dossier moet worden afgewacht. Dat is hier niet gebeurd. De enkele opmerking dat bij onbekendheid van de stukken in dat dossier het mogelijk is dat er nog relevante informatie ontbreekt, is niet voldoende. De door belanghebbende in dit verband aangevoerde bezwaren kunnen daarom niet tot het door haar gewenste resultaat leiden. De Commissie adviseert UHT om dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren. De Commissie adviseert UHT daarnaast om in haar beslissing op bezwaar in te gaan op de vraag van gemachtigde of het persoonlijke dossier van belanghebbende nog wordt verstrekt.

Beoordeling forfaitaire compensatieberekening 2010 en 2011

De Commissie ziet zich in de eerste plaats gesteld voor de beantwoording van de vraag of UHT de toegekende compensatie voor de jaren 2010 en 2011 op de juiste wijze heeft berekend.

Tussen partijen is niet in geschil en ook voor de Commissie staat vast dat B/T over het jaar 2010 institutioneel vooringenomen jegens belanghebbende heeft gehandeld en dat ten aanzien van het toeslagjaar 2011 sprake is geweest van hardheid van het stelsel.

UHT heeft ter compensatie volgens de forfaitaire systematiek van de Wht voor het jaar 2010 en volgens de beleidsmatige KOT naar KOI-regeling voor het jaar 2011, een bedrag van € 39.600 toegekend.

UHT heeft naar aanleiding van deze bezwaarprocedure nogmaals gekeken naar de compensatieberekening en blijkens het gestelde in haar schriftelijke beschouwing geconstateerd dat de rentevergoeding over gemiste KOT (onderdeel o in de compensatieberekening) over de jaren 2010 en 2011 onjuist is vastgesteld. UHT heeft toegezegd de rentevergoeding over deze KOT-jaren in het voordeel van belanghebbende te zullen aanpassen. UHT acht het bezwaar op dit onderdeel derhalve gegrond en zal de compensatieberekening aanpassen in de beslissing op bezwaar. UHT heeft daarnaast toegezegd dat, overeenkomstig het beleid van UHT in zaken waarin het bezwaar (gedeeltelijk) gegrond wordt verklaard, bij de berekening van de vergoeding voor immateriële schade - in afwijking van de Wht - als einddatum de datum van de beslissing op bezwaar zal worden gehanteerd. Tot slot zal door UHT ook de hoogte van de aanvullende vergoeding van 1% over het subtotaal in de beslissing op bezwaar worden aangepast (onderdeel p in de compensatieberekening). De Commissie adviseert UHT dienovereenkomstig.

Beoordeling afwijzing compensatie 2009 vanwege ontbreken vooringenomenheid of hardheid van het stelsel

De Commissie ziet zich voorts gesteld voor de beantwoording van de vraag of UHT terecht en op goede gronden is gekomen tot haar beslissing om het verzoek om compensatie voor het toeslagjaar 2009 af te wijzen.

Tussen partijen is niet in geschil en ook voor de Commissie staat vast dat in het jaar 2009 sprake is geweest van een onterechte O/GS-kwalificatie. UHT heeft ter compensatie volgens de forfaitaire systematiek van de Wht voor het jaar 2009 een O/GS-tegemoetkoming van € 1.090 toegekend aan belanghebbende.

Belanghebbende is echter van mening dat zij in aanmerking komt voor compensatie op grond van vooringenomenheid. De Commissie overweegt dat niet aannemelijk is geworden dat er bij de toekenning, aanpassing of terugvordering van de KOT in het toeslagjaar 2009 sprake is geweest van institutioneel vooringenomen handelen door B/T dan wel hardheid van het stelsel. De terugvorderingen KOT over het toeslagjaar 2009 waren gelegen in een te hoog voorschot, dat op basis van correcties in het verzamelinkomen, het aantal genoten opvanguren en het uurtarief voor de opvang is gecorrigeerd. Deze bijstellingen zijn conform de wet uitgevoerd. Dergelijke bijstellingen geven in beginsel ook geen aanspraak op een zogenoemde hardheidstegemoetkoming. De Commissie heeft geen aanknopingspunten gevonden om hier ten aanzien van belanghebbende anders over te oordelen. De Commissie adviseert UHT wel om in de beslissing op bezwaar gemotiveerd in te gaan op de ter zitting geponeerde stelling van gemachtigde dat een tegemoetkoming op grond van hardheid aan de orde is nu de KOT aan de KOI is uitbetaald, maar de terugvordering wel door belanghebbende is terugbetaald. In het geval hardheid wordt aangenomen door UHT, adviseert de Commissie UHT om dan ook de kosten voor indertijd geleverde juridische hulp toe te kennen.

Niet herbeoordeeld jaar

De Commissie stelt vast dat het verzoek om herbeoordeling van belanghebbende (van 19 januari 2021) zag op de toeslagjaren 2010 tot en met 2015. De PZB heeft het verzoek vervolgens na een gesprek met belanghebbende beperkt tot de toeslagjaren 2009, 2010 en 2011. In dat licht kan niet worden geconcludeerd dat UHT ten onrechte nagelaten heeft het toeslagjaar 2008 in de herbeoordeling te betrekken en dat om die reden de bestreden beschikking moet worden herroepen. Nu het oorspronkelijke verzoek en de bestreden beschikking de omvang van de onderhavige bezwaarprocedure bepalen, ziet de Commissie geen mogelijkheden om het toeslagjaar 2008 (alsnog) in haar advisering te betrekken. De Commissie ziet dan ook geen aanleiding om onderhavige bezwaarprocedure aan te houden. Het bezwaar is op dit onderdeel ongegrond.

Zorgvuldigheid- en motiveringsbeginsel

Aangezien de bestreden beschikking met kenmerk UHT-DCH niet in stand kan blijven, zoals volgt uit het voorgaande, staat vast dat de totstandkoming deels onvoldoende zorgvuldig is geweest en de beschikking ook onvoldoende is gemotiveerd.

Proceskostenvergoeding

Nu het bezwaar tegen de beschikking met kenmerk UHT-DCH naar de mening van de Commissie gedeeltelijk gegrond is en leidt tot herroeping van de bestreden beschikking, adviseert de Commissie om de vergoeding van de kosten van rechtsbijstand in deze bezwaarprocedure toe te wijzen. Op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht heeft belanghebbende recht op een forfaitaire vergoeding op basis van 2 procespunten (gegrond bezwaarschrift en verschijnen hoorzitting) met een wegingsfactor 2. Net als in eerdere zaken adviseert de Commissie daarbij de hoogste vergoeding per procespunt toe te kennen.

Conclusie

Samengevat adviseert de Commissie UHT, de hiervoor eerst geformuleerde vraag ontkennend en de tweede geformuleerde vraag bevestigend beantwoordend, om het bezwaar gericht tegen de beschikking van 4 augustus 2023 met kenmerk UHT-DCH gedeeltelijk gegrond te verklaren en om:

  • de, ingevolgde de Wht samenhangende, vergoedingen opnieuw te berekenen met inachtneming van dit advies, en daarbij, conform het door UHT zelf op dit punt gehanteerde beleid, de einddatum van de daarvoor in aanmerking komende vergoedingen vast te stellen op de datum tot aan de dagtekening van de beslissing op bezwaar en het bestreden besluit in zoverre te herroepen;
  • een vergoeding van de proceskosten voor de onderhavige bezwaarprocedure toe te kennen van twee procespunten met wegingsfactor twee voor het hoogste tarief.

Secretaris

Fungerend voorzitter