BAC 2023-14268
Publicatiedatum 27-01-2026
Advies van de Bezwaarschriftenadviescommissie hersteloperatie toeslagen
Aan: Belastingdienst/Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen (hierna: UHT)
Betreft: het bezwaarschrift van belanghebbende
Primair besluit: 13 september 2023 (UHT-DCHA)
Hoorzitting: 1 juli 2025
Overdracht advies aan UHT: 11 augustus 2025
Samenvatting
De Bezwaarschriftenadviescommissie (hierna: de Commissie) adviseert UHT om het bezwaar ongegrond te verklaren en het verzoek om proceskosten af te wijzen.
Onderwerp van advies
Het door gemachtigde namens belanghebbende ingediende bezwaarschrift is gericht tegen de op 13 september 2023 door UHT genomen definitieve (herziene) beschikking compensatie kinderopvangtoeslag (hierna: KOT).
Aan belanghebbende is met toepassing van de Wet hersteloperatie toeslagen geen compensatie toegekend voor de toeslagjaren 2014 tot en met 2018.
Procesverloop
- Belanghebbende heeft op 8 maart 2022 verzocht om een herbeoordeling van de KOT voor de toeslagjaren 2017 en 2018. Op verzoek van belanghebbende is de herbeoordeling uitgebreid met de toeslagjaren 2014, 2015 en 2016.
- Op 24 juli 2023 heeft de Commissie van Wijzen (hierna: CvW) geoordeeld dat de compensatieregeling en de hardheidscompensatie niet van toepassing zijn op de toeslagjaren 2017 en 2018.
- Op 2 augustus 2023 heeft de CvW geoordeeld dat de compensatieregeling en de hardheidscompensatie ook niet van toepassing zijn op de toeslagjaren 2014 tot en met 2016.
- Bij beschikking van 15 augustus 2013 heeft UHT besloten dat belanghebbende geen recht heeft op compensatie voor de toeslagjaren 2017 en 2018.
- Op 13 september 2023 heeft UHT heeft bij (herziene) beschikking aan belanghebbende medegedeeld dat zij geen recht heeft op compensatie voor de toeslagjaren 2014 tot en met 2018.
- Op 19 september 2023 heeft gemachtigde hiertegen een bezwaarschrift ingediend.
- Op 28 oktober 2024 heeft UHT een schriftelijke beschouwing ingediend.
- Op 1 juli 2025 heeft een hoorzitting plaatsgevonden. Het hoorverslag is bij dit advies is gevoegd.
- De Commissie bestaande de voorzitter, eerste commissielid, tweede commissielid, heeft dit advies behandeld.
Ontvankelijkheid en algemene opmerkingen
Niet in geschil is dat het bezwaarschrift ontvankelijk is.
Overwegingen ten aanzien van de bezwaren en het bestreden besluit
De Commissie ziet zich gesteld voor de vraag of UHT terecht en op goede gronden is gekomen tot haar beslissing om het verzoek van belanghebbende om compensatie of tegemoetkoming voor de toeslagjaren 2014 tot en met 2018 af te wijzen.
Overzichten Landelijk Incasso Centrum
Gemachtigde stelt dat de betaal- en verrekenoverzichten van het Landelijk Incasso Centrum (hierna: LIC) ontbreken in het dossier. Volgens gemachtigde is dit een essentieel stuk voor de bezwaarprocedure.
De Commissie heeft geconstateerd dat zich in het dossier inderdaad geen verrekenoverzichten van het LIC bevinden waarop eventuele verrekeningen van KOT met andere toeslagen zichtbaar zijn. Wel bevinden zich in het dossier uitbetalingsoverzichten van het LIC voor de toeslagjaren 2017 en 2018. Uit de uitbetalingsoverzichten is onder andere op te maken of de KOT destijds is uitgekeerd op een rekeningnummer van de ouder of op dat van de kinderopvanginstelling. De Commissie overweegt voorts dat met het bestreden besluit geen compensatie is toegekend aan belanghebbende. Derhalve is een overzicht van eventuele verrekeningen van KOT met andere toeslagen niet essentieel voor de besluitvorming.
De Commissie heeft derhalve geen aanknopingspunten gevonden om aan te nemen dat met het ontbreken van de verrekenoverzichten van het LIC niet is voldaan aan de in artikel 7:4 lid 2 Algemene wet bestuursrecht neergelegde verplichting om alle op de zaak betrekking hebbende stukken ter inzage te leggen.
Afgewezen jaren 2014 tot en met 2016
Gemachtigde stelt dat belanghebbende ook voor de jaren 2014 tot en met 2016 KOT had willen aanvragen. De Belastingdienst/Toeslagen (hierna: B/T) heeft indertijd telefonisch aan belanghebbende laten weten dat zij hiervoor niet in aanmerking kwam omdat haar partner onvoldoende werkverleden had in Nederland. Belanghebbende heeft toen de opvang zelf moeten organiseren en betalen en daardoor met haar HBO-studie moeten stoppen om een versnelde MBO-studie te volgen. De Commissie overweegt als volgt. Vaststaat dat belanghebbende nooit KOT heeft aangevraagd voor de jaren 2014, 2015 en 2016. Op grond van artikel 2.1 lid 1 van de Wht wordt compensatie toegekend aan de aanvrager van KOT. Belanghebbende voldoet niet aan dit vereiste en komt daarom niet voor compensatie op grond van deze herstelmaatregel in aanmerking. De Commissie adviseert het bezwaar op dit punt ongegrond te verklaren.
Afgewezen toeslagjaar 2017
Gemachtigde stelt dat belanghebbende per 1 januari 2017 KOT heeft aangevraagd. Omdat deze aanvraag niet is verwerkt, heeft belanghebbende nogmaals KOT aangevraagd met als aanvraagdatum 6 november 2017. Omdat zich in het dossier geen jaaropgaaf dan wel gegevens uit KOI-viewer bevinden, is het de vraag op basis van welke informatie B/T de definitieve KOT heeft vastgesteld. Omdat er geen informatie is, betwist gemachtigde dat het enkel reguliere wijzigingen betreffen.
UHT stelt dat voor toeslagjaar 2017 door belanghebbende enkel KOT is aangevraagd met ingang van 6 november 2017. Op basis van een lager toetsingsinkomen heeft B/T de KOT voor toeslagjaar 2017 eenmaal opwaarts bijgesteld. Er is voor toeslagjaar 2017 geen KOT teruggevorderd.
De Commissie overweegt als volgt. Voor compensatie komt, ingevolge het bepaalde in de Wht, kortweg, in aanmerking de ouder waarvan aannemelijk is dat de vaststelling van zijn of haar aanspraak op KOT in enig jaar onderdeel is geweest van hardheid of van een institutioneel vooringenomen handelwijze van B/T.
Uit het bezwaardossier volgt dat in het toeslagjaar 2017 geen neerwaartse correctie heeft plaatsgevonden en ook geen KOT is teruggevorderd door B/T. Uit het SAS-overzicht volgt dat de KOT per 6 november 2017 is verleend. Er zijn geen aanknopingspunten gevonden om hier het standpunt van belanghebbende te volgen. Derhalve is geen sprake geweest van institutioneel vooringenomen handelen door B/T dan wel hardheid van het stelsel voor toeslagjaar 2017. De Commissie overweegt verder dat de Wht is bedoeld voor herstel van vooringenomen handelen, hardheid of een onterechte O/GS-kwalificatie en niet betrekking heeft op de herziening van definitieve KOT-beschikkingen. De Commissie adviseert het bezwaar op dit punt ongegrond te verklaren.
Afgewezen toeslagjaar 2018
Gemachtigde verwijst naar de vlak voor de hoorzitting toegestuurde jaaropgaaf voor 2018 waaruit blijkt dat opvang is afgenomen in toeslagjaar 2018. Tevens stelt gemachtigde dat de KOT is nihil gesteld omdat belanghebbende volgens B/T niet heeft gereageerd op informatieverzoeken die zijn verstuurd voor 23 oktober 2019. Derhalve houdt de onterechte nihilstelling causaal verband met vooringenomen handelingen van voor 23 oktober 2019. Voorts merkt gemachtigde op dat de definitieve nihilstelling pas jaren later is verstuurd.
UHT stelt dat voor toeslagjaar 2018 geen sprake is van vooringenomen handelingen dan wel hardheid van het stelsel. Belanghebbende heeft meermaals niet gereageerd op door B/T gedane informatieverzoeken. Omdat uit de systemen niet blijkt dat er gekwalificeerde opvang was, heeft B/T de KOT daarom op 11 november 2022 op nihil gesteld en een bedrag van € 2.407 teruggevorderd.
De Commissie overweegt dat uit het dossier blijkt dat B/T, om de definitieve KOT voor toeslagjaar 2018 te kunnen berekenen, belanghebbende meerdere malen om informatie heeft verzocht. Hierop is geen reactie van belanghebbende ontvangen. Op 12 maart 2020 heeft B/T daarom een brief gestuurd waarin staat dat door het ontbreken van een jaaropgaaf en het uitblijven van een reactie op het verzoek hierom, de KOT moet worden terugbetaald en dat hierover later een apart bericht wordt verstuurd. Uiteindelijk heeft B/T de KOT op 11 november 2022 op nihil gesteld.
De Commissie merkt op dat het ontbreken van uitvraagbrieven in de systemen van B/T onder omstandigheden een aanwijzing voor vooringenomenheid kan opleveren. In dit geval volgt echter uit het dossier dat de twee uitvraagbrieven in de systemen van B/T aanwezig zijn. In beginsel mag er dan van worden uitgegaan dat B/T wijzigingen doorvoerde nadat zij (in ieder geval in de veronderstelling verkeerde dat zij) voldoende had uitgevraagd. Nu niet aannemelijk is geworden dat B/T aan de ontvangst van de vraagbrieven had hoeven te twijfelen, mocht zij bij het uitblijven van een reactie uitgaan van de beschikbare informatie uit de KOI-viewer. Die informatie is immers door de kinderopvanginstelling aangeleverd. De enkele omstandigheid dat achteraf moet worden vastgesteld dat die informatie onvolledig is, zegt mogelijk iets over de materiele juistheid van de daarop gebaseerde beschikking maar maakt niet dat alsnog vooringenomenheid kan worden aangenomen. Voor het recht op compensatie is in dit geval alleen die laatste kwestie relevant. Gelet op vorenstaande is er naar het oordeel van de Commissie geen reden het advies van de CvW en het standpunt van UHT met betrekking tot afgewezen toeslagjaar 2018 onjuist te achten.
Ten aanzien van de brief en daadwerkelijke nihil beschikking welke zijn gedateerd na 23 oktober 2019, overweegt de Commissie dat deze handelingen zich afspelen na de periode waarop de Wet hersteloperatie toeslagen betrekking heeft. Nu niet is gebleken dat de handelingen door B/T van voor 23 oktober 2019 uiting geven van vooringenomen handelen, is de Commissie van oordeel dat het niet binnen haar bevoegdheid valt om hierover te adviseren. De reguliere rechtsmiddelen zijn daarvoor van toepassing.
Persoonlijk dossier / nadere onderbouwing
Gemachtigde stelt dat het volledige persoonlijk dossier nog altijd niet is toegezonden. Op grond van de informatie uit het onderliggende bezwaardossier kan geen volledig beeld gevormd worden. Daarnaast mist de nadere onderbouwing voor de constatering dat belanghebbende niet op de Fraude Signalering Voorziening lijst (hierna: FSV-lijst) was opgenomen en dat geen sprake was van een onterechte O/GS kwalificatie. Enkel de verwijzing naar een screenshot is onvoldoende volgens gemachtigde. Dit geldt eveneens voor de enkele stelling dat UHT niet weet of er aanwijzingen zijn voor discriminatie.
De Commissie overweegt dat de schriftelijke reactie vergezeld is gegaan van de stukken die een rol hebben gespeeld bij de totstandkoming van de bestreden beschikking. Deze op de zaak betrekking hebbende stukken zijn aan gemachtigde toegezonden. De Commissie heeft derhalve geen aanknopingspunten gevonden om aan te nemen dat hier niet is voldaan aan de in artikel 7:4 lid 2 Algemene wet bestuursrecht neergelegde verplichting om alle op de zaak betrekking hebbende stukken ter inzage te leggen. De Commissie tekent hierbij nog aan dat de stukken behorende tot het zogenoemde ‘persoonlijk dossier’ evenals de stukken die ten grondslag liggen aan het vaststellen van de O/GS en het FSV onderzoek, niet per definitie samenvallen met de op de zaak betrekking hebbende stukken, als hiervoor bedoeld. De Commissie overweegt verder dat zij in het kader van de hersteloperatie toeslagen niet beoordeelt of in het geval van een belanghebbende sprake is geweest van discriminatie. De Commissie adviseert UHT daarom om ook dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.
Proceskostenvergoeding
Nu de Commissie het bezwaar ongegrond acht, is er geen aanleiding voor een proceskostenvergoeding.
Conclusie
Samengevat adviseert de Commissie om het bezwaar ongegrond te verklaren.
Secretaris
Fungerend voorzitter