Ga direct naar de inhoud Ga direct naar de filters Ga direct naar de footer

BAC 2023-14245

Advies van de Bezwaarschriftenadviescommissie hersteloperatie toeslagen

Aan: Belastingdienst/Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen (hierna: UHT)

Betreft: het bezwaarschrift van belanghebbende

Primair besluit: 31 juli 2023 (UHT HD CWS)

Hoorzitting: 16 december 2025

Overdracht advies aan UHT: 9 april 2026

Samenvatting

De Bezwaarschriftenadviescommissie (hierna: de Commissie) adviseert UHT om het bezwaar gedeeltelijk gegrond te verklaren en de hoogte van de aanvullende werkelijke schadevergoeding opnieuw te berekenen, met inachtneming van dit advies en het geactualiseerde schadekader. Voorts adviseert de Commissie een proceskostenvergoeding toe te kennen.

Onderwerp van advies

Het door gemachtigde namens belanghebbende ingediende bezwaarschrift is gericht tegen de door UHT genomen beschikking aanvullende werkelijke schadevergoeding van 31 juli 2023 met kenmerk UHT HD CWS. UHT heeft voorafgaand advies ingewonnen bij de Commissie Werkelijke Schade (hierna: CWS).

Aan belanghebbende is met toepassing van de Wet hersteloperatie toeslagen (hierna: Wht) een aanvullende compensatie toegekend van € 7.708.

Op 8 november 2022 heeft CWS het ‘CWS beleidskader begroting immateriële schadevergoeding’ gepubliceerd. Op 1 juli 2024 heeft CWS ‘De werkwijze en het schadekader’ gepubliceerd en op 22 december 2025 geactualiseerd.

Procesverloop

  • Op 28 februari 2022 heeft belanghebbende verzocht om een aanvullende werkelijke schadevergoeding.
  • Op 5 april 2023 heeft een gesprek plaatsgevonden met belanghebbende, gemachtigde en CWS. Hiervan is verslag opgemaakt.
  • Op 29 juni 2023 heeft CWS geadviseerd een aanvullende werkelijke schadevergoeding van € 7.708 toe te kennen.
  • Bij beschikking van 31 juli 2023 heeft UHT het advies overgenomen en aan belanghebbende een aanvullende compensatie van € 7.708 toegekend.
  • Op 10 augustus 2023 heeft gemachtigde hiertegen een bezwaarschrift ingediend en op 1 februari 2024 de gronden van bezwaar aangevuld.
  • Op 1 mei 2025 heeft UHT een schriftelijke reactie ingediend.
  • Op 16 december 2025 heeft een hoorzitting plaatsgevonden. Het hoorverslag is bij dit advies gevoegd.
  • Dit advies wordt uitgebracht door de voorzitter en twee commissieleden.

Ontvankelijkheid en algemene opmerkingen

Niet in geschil is dat het bezwaar ontvankelijk is.

Overwegingen ten aanzien van de bezwaren en het bestreden besluit

De Commissie ziet zich voor de vraag gesteld of UHT de aanvullende compensatie voor de werkelijk geleden schade op juiste wijze heeft vastgesteld.

Toetsingskader

In het kader van de hersteloperatie kinderopvangtoeslag biedt de wet gedupeerde ouders de mogelijkheid – naast de (deels) forfaitaire compensatie – ook een verzoek tot vergoeding van aanvullende compensatie voor werkelijke schade te doen. Artikel 2.1, derde lid, Wht vermeldt de gang van zaken rondom de indiening van dit verzoek, dat met toepassing van het civielrechtelijke schadevergoedingsrecht wordt beoordeeld (zie ook Afdeling Bestuursrechtspraak 27 september 2023, ECLI:NL:RVS:2023:3620). De gedupeerde ouder dient daarbij informatie te verschaffen waaruit aannemelijk wordt i) dat en in welke mate daadwerkelijk sprake is van aanvullende schade en ii) dat die schade het gevolg is van de handelwijze van de Belastingdienst/Toeslagen (hierna B/T) waarvoor de ouder al gecompenseerd is.

Na haar beoordeling of een gedupeerde ouder recht heeft op aanvullende compensatie, brengt CWS haar advies daarover uit aan UHT. UHT mag zich op het onderzoek van CWS baseren, nadat ze zich ervan vergewist heeft dat het advies zorgvuldig tot stand is gekomen, de redenering daarvan begrijpelijk is en de getrokken conclusies daarop aansluiten. Dit volgt uit artikel 3:9 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). UHT kan ter motivering van haar besluit over aanvullende compensatie volstaan met verwijzing naar het advies van CWS, als het advies zelf de toereikende motivering bevat en van het advies kennis is of wordt gegeven. Het is mogelijk dat UHT in uitzonderlijke gevallen tot een beslissing komt die ten nadele van de belanghebbende afwijkt van het advies van CWS, maar dit moet zij dan goed onderbouwen.

In een bezwaarprocedure als deze beoordeelt de Commissie of UHT op een juiste wijze invulling heeft gegeven aan de hier bedoelde ‘vergewisplicht’. Deze toets vindt in beginsel plaats aan de hand van de door belanghebbende ingediende gronden van het bezwaar. Als UHT in negatieve zin is afgeweken van het advies van CWS, beoordeelt de Commissie of dit goed onderbouwd heeft plaatsgevonden. Omdat de beslissing op het verzoek om aanvullende compensatie in overeenstemming moet zijn met het civiele schadevergoedingsrecht, houdt de vergewisplicht in dat de Commissie voor haar advisering zelfstandig onderzoekt of CWS en in haar voetspoor UHT een juiste toepassing hebben gegeven aan de regels van dat schadevergoedingsrecht. De Commissie zal aan de hand van deze uitgangspunten beoordelen of UHT in dit geval op goede gronden het advies van CWS heeft gevolgd.

Verzoek aanvullende werkelijke schade

Belanghebbende heeft verzocht om vergoeding van de volgende schadeposten:

 Schadeverzoek belanghebbendeBedrag
1.Materiële schade 
 Vermogensschade€ 84.950
 InkomensschadeNiet nader gespecificeerd
 Andere materiele schadeposten: verhuiskosten/ lening€ 2.000
   
2.Immateriële schadeNiet nader gespecificeerd

Toegewezen werkelijke schadevergoeding

Aan de hand van het op 1 juli 2024 gepubliceerde schadekader van CWS heeft UHT de berekening van de toegekende aanvullende schadevergoeding aangepast. In de aanvullende beschouwing van 1 mei 2025 komt UHT tot de volgende schadevergoeding:

 Schade volgens CWS/UHTBedrag
1.Materiële schade 
 Vermogensschade€ 0
 Inkomensschade€ 13.838
 Wettelijke rente inkomensschade€ 5.484
 Verlet- en reiskosten€ 1.700
 AF: materiële schadevergoeding compensatiebeschikking-/- € 5.155
   
2.Immateriële schade€ 26.000
 AF: immateriële schadevergoeding compensatiebeschikking-/- € 13.500
   
 Totaal materieel en immaterieel€ 28.367
 AF: reeds ontvangen aanvullende schadevergoeding-/- € 7.708
 AF: vergoeding O/GS-tegemoetkoming-/- € 150
   
 Kosten CWS-procedure€ 500
 Standaard 1% verhoging€ 206
 Totaal nog te ontvangen€ 21.215

Inkomensschade

Met betrekking tot de jaren waarover inkomensschade wordt vergoed, heeft UHT in de schriftelijke beschouwing aangegeven dat in de beslissing op bezwaar naast 2012 ook voor 2013 en 2014 inkomensschade wordt vergoed. De Commissie heeft hier met instemming kennis van genomen en adviseert UHT om aan deze toezegging gevolg te geven.

Met betrekking tot het gehanteerde referentie-inkomen van p[naam] van 2011 overweegt de Commissie als volgt. Uit de inkomensgegevens die CWS van UHT heeft ontvangen blijkt dat belanghebbende in 2011 inkomen uit werk had via [naam] en via [naam] en in 2012 niet meer. Belanghebbende heeft tijdens het toelichtingsgesprek bij CWS aangegeven dat hij in 2011 werkzaam was bij [naam], maar niet meer zeker weet of hij rechtsreeks in dienst was of via een payroll-bedrijf (mogelijk [naam] of [naam]). Tijdens de hoorzitting heeft belanghebbende aangegeven dat aan het verlies van beide inkomstenbronnen exact dezelfde reden ten grondslag ligt. Omdat het lang geleden is en belanghebbende langere tijd genoodzaakt was om bij vrienden of familie te verblijven, zijn er geen stukken meer van beide uitzend/payroll-bedrijven.

Uit het advies van CWS blijkt dat, vanwege gebrek aan informatie daarover, de inkomstenterugval bij [naam] in 2011 volgens CWS niet is toe te rekenen aan het handelen van B/T. Daarom is voor het referentie-inkomen over 2011 enkel het inkomen via [naam] gebruikt. De Commissie kan deze redenering van CWS niet volgen.

Waarom zou de KOT-problematiek wel voor een deel van invloed zijn op het stoppen van de ene inkomstenbron, maar niet op de andere. Daarnaast is onvoldoende gemotiveerd waarom voor de berekening van de gederfde inkomensschade over 2011 niet wordt uitgegaan van het totale geregistreerde inkomen voor 2011. Op dit punt acht de Commissie de redenering van de CWS, en daarmee het bestreden besluit, onvoldoende begrijpelijk. De Commissie acht het bezwaar op dit punt gegrond en adviseert om voor de berekening van de geleden inkomensschade als referentie-inkomen het totaalinkomen over 2011 te hanteren.

Afgewezen vermogensschade

Belanghebbende stelt dat hij onder financiële druk, ontstaan door de KOT-problematiek, zijn woning heeft moeten verkopen en verhuiskosten heeft gemaakt. Ter voorkoming van een executoriale verkoop door de hypotheekverstrekker is belanghebbende in 2013 akkoord gegaan met een bod van € 155.000. Na de verkoop van de woning kon de hypotheeklening niet volledig worden afgelost, waardoor belanghebbende achterbleef met een restschuld. Belanghebbende betoogt dat hij door de KOT-problematiek gehouden was om de woning te verkopen en heeft derhalve om vergoeding van die restschuld en verhuiskosten verzocht. Daarnaast heeft belanghebbende voor zijn andere verhuizingen, de aanschaf van vervangende inboedel en renovatiewerkzaamheden kosten moeten maken en heeft hiervoor in totaal € 2.000 geleend bij een vriend.

Belanghebbende heeft de lening zonder rente terugbetaald.

CWS adviseert om geen vermogensschade te vergoeden aan belanghebbende. CWS vindt het namelijk niet aannemelijk dat belanghebbende vermogensschade heeft geleden als gevolg van de problemen met de KOT. Volgens CWS is het niet aannemelijk geworden dat de woning onder de toen geldende marktwaarde is verkocht. Voorts vindt CWS het niet aannemelijk dat belanghebbende zijn woning als gevolg van de KOT-problematiek heeft moeten verkopen. De makelaar heeft verklaard dat hij in april 2011 met de verkoop was gestart. CWS merkt op dat dit dus al enkele maanden na de eerste invordering van KOT door B/T plaatsvond, waardoor het niet aannemelijk is dat de makelaar aangezocht is ten gevolge van de KOT-problematiek. Verder wijst CWS erop dat er in het leven van belanghebbende al andere (al dan niet financiële) problemen speelden. Die externe factoren, waaronder de in 2009 uitgesproken echtscheiding, houden geen verband met de problemen met de KOT. Belanghebbende en zijn ex-partner waren gezamenlijk eigenaar van de woning. UHT heeft het advies van CWS gevolgd en het verzoek om vergoeding van vermogensschade volledig afgewezen.

De Commissie overweegt als volgt. Uit bovenstaande overwegingen met betrekking tot de inkomensschade blijkt dat CWS het aannemelijk vindt dat de inkomensterugval na het einde van het werk bij [naam] voor een deel is veroorzaakt door de problemen met de KOT. In het advies van CWS staat onder andere het volgende:

De CWS stelt vast dat de kinderopvangtoeslag over 2009 in november 2009 is herzien naar een fors lager jaarrecht. Daardoor moest de ouder voor de rest van het nog lopende toeslagjaar € 1.032 aan kinderopvangtoeslag missen en moest hij – op dat moment – €11.880 (inclusief toeslagrente) terugbetalen. In juni 2011 is de kinderopvangtoeslag over 2009 op nihil gesteld, waardoor de ouder nog eens € 499 moest terugbetalen. De ouder was vanaf maart 2009 alleenstaand. Vanaf januari 2011 hebben invorderingen plaatsgevonden. Gerelateerd aan het bescheiden inkomen dat de ouder bij [naam] in 2011 had (volgens zijn zeggen € 2.500 bruto per maand) vindt de CWS het aannemelijk dat die terugvordering en de feitelijke invordering van de kinderopvangtoeslag eraan hebben bijgedragen dat hij in financiële problemen kwam.

(…)

Alles overziend, vindt de CWS het aannemelijk dat de inkomensterugval na het einde van het werk bij [naam] voor een deel is veroorzaakt door de problemen met de kinderopvangtoeslag.’

In het geval van de inkomensschade benoemt CWS uitdrukkelijk dat er mogelijk meerdere omstandigheden hebben kunnen bijdragen aan de inkomensschade. Toch heeft CWS geconstateerd dat de inkomstenterugval van [naam] in 2011 gedeeltelijk te maken had met KOT-problematiek en geadviseerd om daarom schadevergoeding toe te kennen Daarnaast blijkt volgens CWS uit het dossier dat belanghebbende reeds vanaf 2009 te maken kreeg met terugvorderingen en vanaf januari 2011 invorderingen plaatsvonden.

CWS vindt het aannemelijk dat die terugvordering en de feitelijke invordering van KOT eraan hebben bijgedragen dat belanghebbende in financiële problemen kwam.

De Commissie overweegt dat financiële problemen en een inkomstenterugval logischerwijs ook gevolgen heeft voor andere betalingsverplichtingen zoals de maandelijkse aflossing op een hypothecaire geldlening. De Commissie acht het aannemelijk dat de inkomstenterugval in de jaren voor verkoop van de woning in 2013 hebben bijgedragen aan de beslissing om de woning te verkopen voor een prijs die lager lag van hypothecaire geldlening die er op rustte. Tegen deze achtergrond acht de Commissie het standpunt van CWS en UHT dat er helemaal geen aanknopingspunten zijn gevonden dat verkoop van de woning in 2013 voortkwam uit de financiële problemen door terugvordering van KOT in 2011, onvoldoende navolgbaar. CWS vindt het immers wel aannemelijk dat de KOT-problematiek eraan heeft bijgedragen dat belanghebbende in 2011 in de financiële problemen kwam en de inkomstenterugval na 2011 voor een deel is veroorzaakt door de KOT-problematiek. De Commissie is daarom van oordeel dat onvoldoende is gemotiveerd waarom de KOT-problematiek geen (indirect) causaal verband heeft met de keuze van belanghebbende om de woning in 2013 tegen een lagere waarde dan de hypothecaire lening te verkopen.

Als er meerdere oorzaken zijn aan te wijzen en/of sprake is van een mate van onzekerheid met betrekking tot de oorzaak, kan aansluiting worden gezocht bij het leerstuk van proportionele aansprakelijkheid. Door in het geheel niet in te gaan op deze mogelijkheid, maar vergoeding van de gestelde schade op dit onderdeel categoriaal af te wijzen, heeft UHT naar het oordeel van de Commissie onvoldoende zorgvuldig gehandeld en is het bestreden besluit onvoldoende gemotiveerd. De Commissie acht het bezwaar op dit punt gegrond. Om dit gebrek te herstellen moet UHT, als het van mening is dat de hiervoor genoemde schadeposten niet te laag zijn vastgesteld, met inachtneming van hetgeen in hierboven is overwogen alsnog deugdelijk motiveren waarom dit het geval is.

Met betrekking tot de lening van € 2.000 adviseert CWS dat leningen geen schade vormen. Leningen en schulden zijn niet te kwalificeren als werkelijke schade. Het aangaan van een lening is voor de ouder namelijk vermogensrechtelijk neutraal. Hoewel er door het aangaan van een lening een schuld ontstaat, staat daartegenover dat de ouder liquide middelen heeft ontvangen ter grootte van een even zo groot bedrag.

Leningen (en schulden) komen dus niet voor vergoeding in aanmerking. Alleen bijkomende kosten zoals rente, boetes en incassokosten kunnen voor vergoeding in aanmerking komen, maar dan moet er wel een verband zijn tussen het ontstaan van de schulden en het aangaan van leningen enerzijds en de problemen met de kinderopvangtoeslag anderzijds. Nu belanghebbende de lening zonder rente heeft terugbetaald, is er geen schade die voor vergoeding in aanmerking komt.

Met UHT is de Commissie van oordeel dat het geleende bedrag niet voor vergoeding in aanmerking komt. Het bezwaar is op dit punt ongegrond.

Immateriële schadevergoeding

Belanghebbende vindt de bedragen die met betrekking tot de immateriële schade zijn opgenomen in de schriftelijke reactie van UHT arbitrair. Er wordt verwezen naar factoren, maar het is niet toetsbaar welk gewicht is toegekend aan de verschillende elementen.

UHT heeft in de schriftelijke beschouwing de vergoeding voor de immateriële schade op basis van het op 1 juli 2024 gepubliceerde schadekader van CWS verhoogd naar € 26.000. In de schriftelijke beschouwing en tijdens de hoorzitting heeft UHT de toegepaste bouwstenen en factoren toegelicht en aangegeven dat in onderhavige zaak is uitgegaan van het standaardbedrag van € 750 per factor.

De Commissie is van oordeel dat UHT met de schriftelijke beschouwing en de toelichting tijdens de hoorzitting de toegepaste bouwstenen en factoren voldoende duidelijk heeft toegelicht. De toekenning is naar het oordeel van de Commissie tevens in lijn met het toen geldende beleidskader dat CWS hanteert om vorm en inhoud te geven aan het bepaalde in artikel 2.1 lid 3 Wht. De Commissie ziet niet in dat de immateriële schadevergoeding te laag is vastgesteld. Aanknopingspunten om een hogere schadevergoeding te adviseren, ontbreken. De Commissie acht het bezwaar op dit onderdeel ongegrond.

Wel merkt de Commissie op dat op pagina 6 van de schriftelijke beschouwing wordt aangegeven dat tot een immateriële schadevergoeding van € 28.000, terwijl de toegekende factoren gezamenlijk optellen tot een bedrag van € 26.000. Het bedrag van € 26.000 is opgenomen in de berekening op pagina 7 van de schriftelijk beschouwing. De Commissie overweegt dat mogelijk is sprake van een kennelijke verschrijving en adviseert UHT hier in de beslissing op bezwaar nader op in te gaan.

Nieuw schadekader

Zoals tijdens de hoorzitting al besproken, is het schadekader inmiddels geactualiseerd. De Commissie herinnert UHT eraan bij het voorbereiden en nemen van de beslissing op bezwaar alsnog te bezien of en zo ja in hoeverre het nieuwste schadekader tot een voor belanghebbende gunstiger uitkomst leidt.

Proceskostenvergoeding

Nu het bezwaar naar de mening van de Commissie gedeeltelijk gegrond is en het advies van de Commissie ertoe strekt om de beschikking te herroepen, adviseert de Commissie om de kosten van rechtsbijstand in deze procedure te vergoeden op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht (één bezwaarschriften en één hoorzitting). De Commissie adviseert om hierbij de hoogste vergoeding toe te kennen met wegingsfactor twee.

Conclusie

Gelet op het vorenstaande adviseert de Commissie het bezwaar gedeeltelijk gegrond te verklaren en het besluit in zoverre te herroepen:

  • gevolg geven aan de toezegging om voor de jaren 2013 en 2014 inkomensschade te vergoeden;
  • in de berekening voor de geleden inkomensschade als referentie-komen het totaalinkomen over 2011 te hanteren;
  • het motiveringsgebrek met betrekking tot de afgewezen vermogensschade voor wat betreft de gestelde schade door verkoop van de woning in 2013 te herstellen;
  • nader in te gaan op de verschillende bedragen die schriftelijke beschouwing van 1 mei 2025 aan immateriële schadevergoeding worden genoemd;
  • te bezien of en zo ja in hoeverre het nieuwste schadekader voor belanghebbende tot een gunstiger uitkomst leidt;
  • aan belanghebbende een aanvullende vergoeding toe te kennen ten bedrage van € 500 voor de kosten van de procedure bij de CWS;
  • het verzoek om een proceskostenvergoeding toe te wijzen.

[handtekening]

Secretaris

[handtekening]

Fungerend voorzitter