Ga direct naar de inhoud Ga direct naar de filters Ga direct naar de footer

BAC 2023-14224

Advies van de Bezwaarschriftenadviescommissie hersteloperatie toeslagen

Aan: Belastingdienst/Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen (hierna: UHT)

Betreft: het bezwaarschrift van belanghebbende

Primair besluit: 6 maart 2023 (UHT-DCH ZV)

Hoorzitting: 3 juni 2025

Overdracht advies aan UHT: 3 juli 2025

Samenvatting

De Bezwaarschriftenadviescommissie (hierna: de Commissie) adviseert UHT om het bezwaar gericht tegen het besluit van 6 maart 2023 met kenmerk UHT-DCH ZV gedeeltelijk gegrond te verklaren en een proceskostenvergoeding toe te kennen.

Onderwerp van advies

Het door gemachtigde namens belanghebbende ingediende bezwaarschrift is gericht tegen het volgende door UHT genomen besluit.

De beschikking van 6 maart 2023 met kenmerk UHT-DCH ZV, waarin UHT heeft beslist dat aan belanghebbende een definitieve compensatie van € 21.270 aangevuld tot € 30.000 op grond van de Catshuisregeling voor de periode januari tot en met oktober 2005 wordt toegekend. De reden is dat Belastingdienst/Toeslagen (hierna: B/T) fouten heeft gemaakt bij het toekennen van de kinderopvangtoeslag (hierna: KOT). Voor de periode november en december 2005 wordt geen compensatie toegekend.

Procesverloop

  • Belanghebbende heeft op 10 februari 2021 verzocht om een herbeoordeling van de KOT. De herbeoordeling ziet op toeslagjaar 2005.
  • Bij beschikking van 17 april 2021 heeft UHT belanghebbende geïnformeerd dat hij op basis van de eerste toets vooralsnog niet in aanmerking komt voor het forfaitaire bedrag van € 30.000.
  • Op 31 januari 2023 heeft de Commissie van Wijzen (hierna: CvW) advies uitgebracht. De CvW heeft overwogen, kort gezegd, dat belanghebbende voor de maanden november en december 2005 niet in aanmerking komt voor compensatie, nu er in deze maanden geen recht op KOT bestond.
  • UHT heeft bij beschikking van 6 maart 2023 aan belanghebbende een compensatie van € 21.270 voor de periode januari tot en met oktober 2005 toegekend. Voor de periode november en december 2005 komt belanghebbende niet in aanmerking voor compensatie.
  • Op 11 april 2023 heeft gemachtigde namens belanghebbende een pro forma bezwaarschrift ingediend.
  • Op 18 juni 2024 zijn er aanvullende gronden ingediend.
  • Op 7 januari 2025 heeft UHT een schriftelijke reactie ingediend.
  • Op 3 juni 2025 heeft er een hoorzitting plaatsgevonden. Het hoorverslag is bij dit advies gevoegd.
  • Op 5 juni 2025 heeft UHT, daartoe in de gelegenheid gesteld door de Commissie, een aanvullende beschouwing ingediend. Op 20 juni 2025 heeft gemachtigde hierop gereageerd.
  • De Commissie bestaande uit de voorzitter, eerste commissielid, tweede commissielid, heeft dit bezwaar behandeld.

Ontvankelijkheid en algemene opmerkingen

Niet in geschil is dat het bezwaarschrift ontvankelijk is.

Overwegingen ten aanzien van de bezwaren en het bestreden besluit

De Commissie ziet zich gesteld voor de beantwoording van de vragen of UHT de toegekende compensatie op de juiste wijze heeft berekend en of UHT terecht en op goede gronden heeft besloten dat belanghebbende geen compensatie of tegemoetkoming krijgt toegekend voor de maanden november en december 2005. Tevens zal de Commissie ingaan op de overige gronden van bezwaar.

Definitieve compensatieberekening

Belanghebbende stelt het niet eens te zijn met het aan hem toegekende compensatiebedrag. De aan belanghebbende toegekende compensatie bestaat op grond van artikel 2.2 Wht uit verschillende componenten. De hoogte van die componenten is bepaald in artikel 2.3 Wht. In haar schriftelijke reactie heeft UHT de componenten en de hoogte hiervan concreet toegelicht. UHT heeft zich daarin op het standpunt gesteld dat de rentevergoeding gemiste KOT onjuist blijkt te zijn vastgesteld voor het jaar 2005.

Ingevolge artikel 2.3, lid 7 Wht wordt, kortweg, over het bedrag van de gemiste KOT als gevolg van de neerwaartse correctiebeschikking, rente vergoed. De rente wordt berekend over het bedrag aan compensatie voor correctiebesluiten overeenkomstige toepassing van artikel 27 Awir. In de compensatieberekening is de rente over de gemiste KOT opgenomen onder component o. UHT heeft in haar schriftelijke reactie opgemerkt dat in de nieuwe berekening voor het jaar 2005 op een hogere rentevergoeding wordt uitgekomen, waardoor dit in de beslissing op bezwaar zal worden aangepast.

Voorts heeft UHT de Commissie meegedeeld dat UHT, indien een bezwaar (gedeeltelijk) gegrond is, bij de berekening van de vergoeding voor immateriële schade - in afwijking van de Wht - als einddatum zal hanteren de datum van de beslissing op het bezwaar. De Commissie heeft geen aanleiding UHT in bovenstaande standpunten niet te volgen. De Commissie adviseert UHT daarom aan haar toezeggingen uit de schriftelijke reactie gevolg te geven en de compensatieberekening dienovereenkomstig aan te passen in de beslissing op bezwaar. De aanpassingen hebben tevens tot gevolg dat ook de aanvullende vergoeding van 1% wijzigt.

De overige bedragen in de compensatieberekening zijn vastgesteld aan de hand van de gegevens die UHT tot haar beschikking had. De bedragen zijn afkomstig van onder meer de voorschotbeschikkingen en definitieve beschikkingen. De Commissie is van oordeel dat met het indienen van de schriftelijke reacties, de betaal- en verrekenoverzichten en de overige producties, de compensatieberekening en daarmee het bestreden besluit voldoende is onderbouwd en in zoverre zorgvuldig tot stand is gekomen. Uit de stellingname van gemachtigde volgt niet dat in het beschikbaar gestelde bezwaardossier nog specifieke stukken zouden ontbreken die van enig belang zijn geweest bij het door UHT genomen besluit. Naar het oordeel van de Commissie zijn er dan ook geen aanknopingspunten dat belanghebbende in zijn procesbelang is geschaad. De door belanghebbende in dit verband opgeworpen bezwaren treffen dan ook geen doel.

Afgewezen periode november en december 2005

Uit het bezwaardossier volgt dat B/T in toeslagjaar 2005 vooringenomen heeft gehandeld. Belanghebbende is daarom voor de periode januari tot en met oktober 2005 gecompenseerd op grond van artikel 2.1, lid 1, van de Wht. Voorts is het de Commissie gebleken dat belanghebbende voor de maanden november en december 2005 niet in aanmerking komt voor compensatie (artikel 2.1, lid 2, Wht) nu er in deze maanden geen geregistreerde opvang heeft plaatsgevonden. Volgens beleid van UHT kan in uitzonderlijke situaties sprake zijn van hardheid. Niet, althans onvoldoende, is gebleken, dat belanghebbende in zodanige, voor de toepassing van dit beleid relevante, uitzonderlijke omstandigheden heeft verkeerd. Daarentegen volgt uit het bezwaardossier dat belanghebbende op 19 januari 2006 telefonisch om een betalingsregeling heeft verzocht (productie 14). Ter zitting heeft belanghebbende gesteld dat deze betalingsregeling door B/T is afgewezen. Uit het betaal- en verrekenoverzicht 2005 volgt dat belanghebbende op 30 januari 2006 het openstaande bedrag van € 5.350 in één keer heeft voldaan. Uit het dossier volgt niet dat er sprake is van een opzet/grove schuld (hierna: O/GS) kwalificatie. Desondanks adviseert de Commissie UHT om in het geval van belanghebbende, met toepassing van de hardheidsclausule in artikel 9.1, lid 1, Wht, een tegemoetkoming als bedoeld in artikel 2.6 Wht aan belanghebbende toe te kennen voor de maanden november en december 2005. De Commissie overweegt daartoe dat de situatie waarin belanghebbende verkeerde, feitelijk gelijk is aan de situatie waarop artikel 2.6 Wht ziet. In beide gevallen is immers geen persoonlijke betalingsregeling toegekend door de B/T, met grote gevolgen voor belanghebbende. Dat het O/GS-label ontbreekt, mag naar het oordeel van de Commissie, gezien de bijzondere omstandigheden van dit geval, niet doorslaggevend zijn om een tegemoetkoming te weigeren. Concluderend is de Commissie van oordeel dat UHT aan belanghebbende alsnog een tegemoetkoming conform artikel 2.6 Wht voor de maanden november en december 2005 dien te worden toegekend.

Proceskostenvergoeding

Nu het primaire besluit van 6 maart 2023 met kenmerk UHT-DCH ZV naar de mening van de Commissie dient te worden herroepen, adviseert de Commissie om het verzoek voor vergoeding van de kosten van rechtsbijstand in deze bezwaarprocedure toe te wijzen. Op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht heeft belanghebbende recht op een forfaitaire vergoeding op basis van 2 procespunten (bezwaarschrift en verschijnen hoorzitting) met een wegingsfactor 2. Net als in eerdere zaken adviseert de Commissie daarbij de hoogste vergoeding per procespunt toe te kennen.

Conclusie

Samengevat adviseert de Commissie UHT om het bezwaar gericht tegen het besluit van 6 maart 2023 met kenmerk UHT-DCH ZV gedeeltelijk gegrond te verklaren. Voorts adviseert de Commissie een proceskostenvergoeding toe te kennen.

Secretaris

Fungerend voorzitter