BAC 2023-14221
Publicatiedatum 27-01-2026
Advies van de Bezwaarschriftenadviescommissie hersteloperatie toeslagen
Aan: Belastingdienst/Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen (hierna: UHT)
Betreft: het bezwaarschrift van belanghebbende
Primair besluit: 9 maart 2023 (UHT-DCH)
Hoorzitting: 10 februari 2025 om 10:15 uur
Overdracht advies aan UHT: 29 april 2025
Samenvatting
De Bezwaarschriftenadviescommissie (hierna: de Commissie) adviseert UHT om het bezwaar ongegrond te verklaren. Wel adviseert de Commissie om uit coulanceoverwegingen een bedrag van € 54 aan belanghebbende te vergoeden wegens een onterechte verrekening van de kinderopvangtoeslag binnen de Wet schuldsanering natuurlijke personen.
Onderwerp van advies
Het door belanghebbende ingediende bezwaarschrift is gericht tegen de door UHT op 9 maart 2023 genomen definitieve beschikking compensatie kinderopvangtoeslag (hierna: KOT) met kenmerk UHT-DCH (hierna ook te noemen: de bestreden beschikking).
Aan belanghebbende is met toepassing van de Wet hersteloperatie toeslagen (hierna: Wht) compensatie toegekend voor een bedrag van € 8.886, in het kader van de Catshuisregeling aangevuld tot € 30.000 voor het jaar 2008, en geen compensatie toegekend voor de jaren 2006, 2007 en 2009 tot en met 2016.
Procesverloop
- Belanghebbende heeft op 30 april 2021 verzocht om een herbeoordeling van de KOT over de jaren 2005 tot en met 2012. Na overleg met de persoonlijk zaakbehandelaar is het herbeoordelingsverzoek aangepast naar de jaren 2006 tot en met 2016.
- UHT heeft bij beschikking van 28 april 2022 aan belanghebbende meegedeeld dat zij niet in aanmerking komt voor een betaling van € 30.000.
- De Commissie van Wijzen (hierna: CvW) heeft haar beoordeling van het verzoek van belanghebbende op 15 november 2022 aan UHT toegestuurd. De CvW heeft in haar advies geoordeeld dat gedurende de jaren 2006, 2007 en 2009 tot en met 2016 geen sprake is geweest van institutionele vooringenomenheid of bijzondere omstandigheden.
- UHT heeft bij de bestreden beschikking van 9 maart 2023 aan belanghebbende een compensatie toegekend voor een bedrag van € 8.886 voor het jaar 2008 vanwege vooringenomenheid. Aan belanghebbende is geen compensatie toegekend voor de jaren 2006, 2007 en 2009 tot en met 2016.
- Belanghebbende heeft bij brief van 12 april 2023 tegen deze beschikking een bezwaarschrift ingediend.
- UHT heeft op 6 juni 2024 bij beschouwing schriftelijk gereageerd op het bezwaarschrift.
- Op 10 februari 2025 heeft een hoorzitting plaatsgevonden. Van de hoorzitting is een verslag gemaakt, dat achter dit advies is gehecht.
- Op 16 en 17 februari 2025 heeft belanghebbende naar aanleiding van hetgeen besproken is op de hoorzitting aanvullende stukken ingediend. De stukken hebben betrekking op onder meer de klacht die belanghebbende indertijd heeft ingediend bij de Nationale ombudsman aangaande het verrekenen van toeslagen binnen de Wet schuldsanering natuurlijke personen (hierna: WSNP).
- UHT heeft, daartoe door de Commissie ter zitting verzocht, op 27 februari 2025 een nadere schriftelijke beschouwing ingediend. Belanghebbende heeft daar op 13 maart 2025 op gereageerd. Op de door belanghebbende gestelde aanvullende vragen heeft UHT op 27 maart 2025 schriftelijk gereageerd. Op 6 april 2025 heeft belanghebbende een laatste reactie gegeven.
- Dit advies wordt uitgebracht door de voorzitter, eerste commissielid, tweede commissielid.
Ontvankelijkheid en algemene opmerkingen
Niet in geschil is dat het bezwaarschrift ontvankelijk is.
Overwegingen ten aanzien van de bezwaren en het bestreden besluit
De Commissie ziet zich gesteld voor de vraag of UHT de toegekende compensatie voor het jaar 2008 op de juiste wijze heeft berekend en of UHT terecht en op goede gronden is gekomen tot haar beslissing om het verzoek van belanghebbende om compensatie of tegemoetkoming voor de jaren 2006, 2007 en 2009 tot en met 2016 af te wijzen.
De schriftelijke beschouwing en de op de zaak betrekking hebbende stukken zijn op 3 februari 2025 aan belanghebbende toegezonden. De Commissie merkt hierover op dat het bezwaardossier pas in een laat stadium aan belanghebbende is verstrekt. Dit is niet de aangewezen gang van zaken en verdient geen navolging. Niettemin is de Commissie van oordeel dat belanghebbende voldoende in de gelegenheid is gesteld om kennis te nemen van de op het bezwaar betrekking hebbende stukken en haar bezwaren toe te lichten en te onderbouwen. De Commissie heeft geen aanknopingspunten gevonden om aan te nemen dat hier niet is voldaan aan de in artikel 7:4 lid 2 Algemene wet bestuursrecht (Awb) neergelegde verplichting om alle op de zaak betrekking hebbende stukken ter inzage te leggen.
Afwijzing compensatie voor de toeslagjaren 2007 en 2011
Belanghebbende stelt dat 2007 moet worden aangemerkt als een jaar waarin zij gedupeerd is, omdat het stelsel te hard heeft uitgepakt vanwege de bijzondere omstandigheid dat zij in december 2007 een nabetaling van het UWV ontving die bij haar inkomen werd opgeteld. Hierdoor kon belanghebbende haar KOT niet meer aanpassen en moest zij een bedrag terugbetalen. Ook in 2011 moest belanghebbende KOT terugbetalen. Zij stelt dat zij in dit jaar eveneens als gedupeerde moet worden beschouwd, onder meer vanwege het laat verstrekken van beschikkingen en fouten bij de behandeling van haar bezwaar, dat pas in 2015 werd afgehandeld, terwijl de verrekeningen intussen doorgingen.
De Commissie heeft geen aanknopingspunten gevonden die erop wijzen dat de Belastingdienst/Toeslagen (B/T) bij de toekenning, aanpassing of terugvordering van de KOT over de toeslagjaren 2007 en 2011 institutioneel vooringenomen heeft gehandeld of dat het stelsel te hard is geweest. De terugvordering over het jaar 2007 is het gevolg van een verhoogd toetsingsinkomen. De KOT over het jaar 2011 is vastgesteld op basis van de door belanghebbende aangeleverde gegevens. In bezwaar is de KOT herzien en verhoogd, wat tot een nabetaling leidde. De omstandigheid dat de KOT pas in 2015 definitief correct is vastgesteld, maakt op zichzelf niet dat er sprake is van een vooringenomen handelwijze of hardheid in de toepassing van het stelsel.
De Commissie concludeert dat de terugvorderingen KOT over de toeslagjaren 2007 en 2011 waren gebaseerd op een te hoog voorschot, dat op basis van reguliere wijzigingen opnieuw is berekend. Deze bijstellingen zijn conform de wet uitgevoerd. De reguliere correcties wijzen ook niet op onbillijkheden door de hardheid waarmee het wettelijk systeem werd toegepast. Daarbij ligt het in de aard van een voorschot besloten dat de werkelijke, later vast te stellen, aanspraak op een lager bedrag kan uitkomen. Aan een voorschot kan, in beginsel, niet het gerechtvaardigde vertrouwen worden ontleend dat er een definitieve aanspraak op een daarmee overeenstemmend bedrag bestaat. Ook de financiële situatie of financiële problemen van een belanghebbende die terugbetaling van toeslagen verhinderden, zullen in het algemeen niet leiden tot de conclusie dat diegene gedupeerd is door hardheid van het stelsel. Voor deze situatie bestaat de mogelijkheid van een (persoonlijke) betalingsregeling.
Aanvraag betalingsregeling voor de terugvorderingen van toeslagjaren 2007 en 2011 Belanghebbende stelt dat zij voor 2007 en 2011 een persoonlijke betalingsregeling heeft aangevraagd die door B/T is afgewezen, dan wel niet is toegekend. Zij meent daarom in aanmerking te komen voor een tegemoetkoming wegens opzet/grove schuld (hierna: O/GS).
Belanghebbende heeft een verzoek tot een betalingsregeling overgelegd, gedateerd op 29 mei 2008. Dit verzoek vermeldt het aanslagnummer 1057.21.049.t.70.0401, dat betrekking heeft op een schuld voor de KOT ter hoogte van € 84. Uit de beschikbare gegevens blijkt niet dat B/T een betalingsregeling heeft toegekend. De Commissie acht de stelling van UHT dat een O/GS-kwalificatie vereist is om in aanmerking te komen voor een O/GS-tegemoetkoming, te kort door de bocht. De Commissie overweegt dat het in schrijnende gevallen mogelijk is om op grond van de hardheidsclausule van artikel 9.1 Wht alsnog een tegemoetkoming toe te kennen, wanneer B/T geen persoonlijke betalingsregeling heeft toegekend, ook zonder O/GS-kwalificatie. UHT heeft onvoldoende onderzocht of toepassing van artikel 2.6 Wht, gelet op het doel of de strekking ervan, in dit geval zou leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard, aangezien de feitelijke situatie lijkt overeen te komen met de situatie waarop artikel 2.6 Wht ziet. Hoewel de terugvordering van € 84 voor belanghebbende belastend kan zijn geweest, is naar het oordeel van de Commissie geen sprake van extreme gevolgen op grond waarvan de situatie als schrijnend bestempeld zou moeten worden. Dit bezwaaronderdeel kan daarom niet tot het door belanghebbende gewenste resultaat leiden, zo oordeelt de Commissie.
Ook voor het jaar 2011 stelt belanghebbende dat zij bij B/T om een betalingsregeling heeft verzocht, maar dat deze niet is toegekend. Zij verklaart dat fouten bij de berekeningen en bij de afwikkeling van haar bezwaar ertoe hebben geleid dat de verrekeningen van toeslagen bleven doorgaan. De Commissie acht het, gelet op alle feiten en omstandigheden, niet aannemelijk dat belanghebbende daadwerkelijk om een betalingsregeling voor de terugvordering KOT voor 2011 heeft verzocht. Zij overweegt hierover als volgt.
Op 22 december 2013 heeft belanghebbende bezwaar gemaakt tegen de definitieve beschikking KOT over 2011. Zij betwist de juistheid van de bedragen op deze beschikking en verzocht daarnaast om uitstel van betaling over het gehele te betalen bedrag. De bijgevoegde bankafschriften bevestigen welke bedragen zij over 2011 aan B/T heeft terugbetaald. De daarin te vinden betalingen komen ook overeen met het LIC-overzicht.
Belanghebbende verwijst in het kader van deze bezwaarprocedure naar een brief van 6 mei 2014, waarin haar wordt verzocht een bedrag van € 678 terug te betalen. De Commissie maakt uit het bericht op dat belanghebbende de mogelijkheid heeft gehad om uiterlijk 20 mei 2015 een bedrag van € 34 over te maken indien zij gebruik wilde maken van termijnbetalingen. Het LIC-overzicht toont echter aan dat belanghebbende op 15 mei 2014 het volledige bedrag van €678 heeft voldaan aan B/T. De Commissie heeft geen aanwijzingen gevonden die erop wijzen dat een verzoek tot een betalingsregeling is gedaan aangaande een terugvordering KOT. Zelfs al zou worden aangenomen dat er om een betalingsregeling is verzocht voor het bedrag van € 678, ziet de Commissie, om dezelfde reden als voor 2007, geen aanknopingspunten om te concluderen dat het stelsel in het geval van belanghebbende te hard heeft uitgepakt. De Commissie adviseert UHT het bezwaar op dit onderdeel ongegrond te verklaren.
Belanghebbende stelt dat B/T ten onrechte heeft verrekend binnen de WSNP en verwijst naar de Leidraad Invordering 2008, de Instructie Invordering en Belastingdeurwaarders (IIB) en het antwoord op Kamervragen die zijn gesteld over verrekeningen van toeslagschulden binnen de WSNP. De Commissie constateert dat er met betrekking tot het toeslagjaar 2007 op 12 mei 2009 eenmalig een verrekening van de KOT van € 54 heeft plaatsgevonden met de teruggaaf inkomstenbelasting over 2009. Het resterende bedrag is op 26 april 2012 administratief verwijderd in verband met de WSNP. Voor het toeslagjaar 2011 stelt de Commissie geen verrekeningen KOT vast. De overige bedragen betreffen huur- en zorgtoeslagen, die buiten de kaders van de hersteloperatie vallen.
Voor zover de bezwaren daarop zien, gaat de Commissie daaraan voorbij.
De Commissie overweegt dat B/T op grond van artikel 30 lid 1 Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen bevoegd is tot het verrekenen van een aan B/T verschuldigd bedrag met een aan belanghebbende uit te betalen bedrag. De Wht biedt geen grondslag voor compensatie voor verrekende bedragen. De ratio daarvoor is dat men er met verrekeningen per saldo niet financieel op achteruit gaat. De Commissie acht ook het verrekenen van terechte terugvorderingen niet compensabel op grond van hardheid. Uit de wetsgeschiedenis van de Wht en de systematiek van de compensatieregeling kan niet worden afgeleid dat de wetgever dergelijke gevallen voor ogen heeft gehad.
Belanghebbende zat vanaf mei 2007 echter in een WSNP-traject. Uit artikel 79.3 van de Leidraad Invordering 2008, een beleidsdocument van B/T, blijkt dat, indien een natuurlijk persoon onder een wettelijke schuldsaneringsregeling valt, onder andere verrekeningen niet mogen worden doorgevoerd. Hierop zijn enkele uitzonderingen, bijvoorbeeld indien belanghebbende zich niet houdt aan de verplichtingen die op hem of haar vallen gedurende het schuldsaneringstraject. De toets daarvan valt echter buiten de kaders van dit bezwaar. Belanghebbende heeft naar voren gebracht dat zij in een schuldsaneringstraject viel ten tijde van de verrekening(en). Dit maakt het, naar het oordeel van de Commissie en in het licht van het voorgaande, aannemelijk dat de verrekening(en) onrechtmatig heeft of hebben plaatsgevonden. Dit geldt temeer nu naar aanleiding van de klacht die belanghebbende heeft ingediend bij de Nationale ombudsman, de verrekende huur- en zorgtoeslag als het ware ongedaan zijn gemaakt.
De Commissie is van oordeel dat de verrekening van € 54 onrechtmatig heeft plaatsgevonden. Er is niet aangetoond dat deze fout is hersteld. De Commissie adviseert UHT deze fout te herstellen en het onrechtmatig verrekende bedrag van € 54 aan belanghebbende te vergoeden.
Naar aanleiding van het bezwaarschrift heeft UHT de compensatieberekening nogmaals tegen het licht gehouden. De Commissie acht de toelichting van UHT in de schriftelijke beschouwing ten aanzien van de berekening van de componenten in de compensatieberekening afdoende en navolgbaar en ziet geen aanleiding om hiervan af te wijken.
Conclusie
Samengevat adviseert de Commissie om het bezwaar ongegrond te verklaren en om uit coulanceoverwegingen € 54 te vergoeden aan belanghebbende vanwege een onterechte verrekening binnen de WSNP.
Secretaris
Fungerend voorzitter