BAC 2023-14215
Publicatiedatum 27-01-2026
Advies van de Bezwaarschriftenadviescommissie hersteloperatie toeslagen
Aan: Belastingdienst/Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen (hierna: UHT)
Betreft: het bezwaarschrift van belanghebbende
Primair besluit: 1 maart 2023 (UHT-DCH)
Hoorzitting: 6 augustus 2025 om 10:00 uur
Overdracht advies aan UHT: 25 augustus 2025
Samenvatting
De Bezwaarschriftenadviescommissie (hierna: de Commissie) adviseert UHT om het bezwaar gedeeltelijk gegrond te verklaren, de compensatieberekening aan te passen en het verzoek om vergoeding van de proceskosten toe te wijzen.
Onderwerp van advies
Het door gemachtigde namens belanghebbende ingediende bezwaarschrift is gericht tegen de door UHT genomen definitieve beschikking compensatie kinderopvangtoeslag van 1 maart 2023. Aan belanghebbende is met toepassing van de Wet hersteloperatie toeslagen (hierna: Wht) een definitieve compensatie toegekend voor een bedrag van € 54.147,- voor de jaren 2009 en 2011 en geen compensatie toegekend voor de jaren 2008, 2010, 2012 en 2013.
Procesverloop
- Belanghebbende heeft op 21 januari 2021 verzocht om een herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag (hierna: KOT) over de jaren 2008 tot en met 2013.
- De Commissie van Wijzen (hierna: CvW) heeft haar beoordeling van het verzoek van belanghebbende op 24 januari 2023 aan UHT toegestuurd. De CvW heeft geoordeeld dat gedurende de jaren 2008, 2010, 2012 en 2013 geen sprake is geweest van institutionele vooringenomenheid of hardheid van het stelsel.
- UHT heeft bij beschikking van 1 maart 2023 met kenmerk UHT-DCH (hierna: “bestreden beschikking”) aan belanghebbende een definitieve compensatie toegekend voor een bedrag van € 54.147,- voor de jaren 2009 en 2011 en geen compensatie toegekend voor de jaren 2008, 2010, 2012 en 2013.
- Gemachtigde heeft bij brief van 12 april 2023 tegen deze beschikking een bezwaarschrift ingediend.
- UHT heeft op 14 mei 2025 gereageerd op het bezwaarschrift.
- Gemachtigde heeft bij brief, ingekomen op 4 juli 2025, de gronden van het bezwaarschrift aangevuld en daarbij ook een aanvullend stuk overgelegd.
- Op 6 augustus 2025 heeft een hoorzitting plaatsgevonden. Van de hoorzitting is een verslag gemaakt, dat achter het advies is gevoegd.
- UHT heeft, daartoe door de Commissie ter zitting verzocht, in een e-mailbericht van 7 augustus 2025 antwoord gegeven op de vraag of over toeslagjaar 2013 sprake is geweest van non-response van belanghebbende.
- Gemachtigde heeft hierop gereageerd in een e-mailbericht van 22 augustus 2025 en daarbij bevestigd dat belanghebbende over het jaar 2013 geen stukken heeft kunnen vinden.
- Dit advies wordt uitgebracht door de voorzitter, eerste commissielid, tweede commissielid.
Ontvankelijkheid en algemene opmerkingen
Niet in geschil is dat het bezwaarschrift ontvankelijk is.
Overwegingen ten aanzien van de bezwaren en het bestreden besluit
Op de zaak betrekking hebbende stukken
De Commissie overweegt dat belanghebbende op grond van artikel 7:4 lid 2 Algemene wet bestuursrecht (Awb) inzagerecht in haar dossier heeft en voorafgaand aan de hoorzitting bij de Commissie recht heeft op afschriften van de op de zaak betrekking hebbende stukken. UHT heeft gedurende deze procedure een bezwaardossier overgelegd en de bijbehorende producties. De Commissie acht het aannemelijk dat belanghebbende daarmee kan beschikken over de op de zaak betrekking hebbende stukken.
Compensatie, toegewezen jaren en afgewezen jaren
De Commissie ziet zich gesteld voor de vraag of UHT de toegekende compensatie voor de jaren 2009 en 2011 op de juiste wijze heeft berekend en terecht en op goede gronden is gekomen tot haar beslissing om het verzoek van belanghebbende om compensatie of tegemoetkoming voor de jaren 2008, 2010, 2012 en 2013 af te wijzen.
Compensatieberekening
UHT heeft in reactie op het bezwaar van belanghebbende de compensatieberekening nagerekend en vastgesteld dat die berekening op enkele punten onjuist is geweest. Ten aanzien van toeslagjaar 2009 moeten de componenten a, c, e en f in de compensatieberekening gecorrigeerd worden en vastgesteld worden op het bedrag van €32.055,-. Daarnaast moet component h in de compensatieberekening gecorrigeerd worden en vastgesteld worden op het bedrag van €8.014,- en moet component o vastgesteld worden op €14.691,- (renteberekening in productie 75).
Ten aanzien van toeslagjaar 2011 moet component o in de compensatieberekening vastgesteld worden op €10.933,- (renteberekening in productie 76).
Nu het bezwaar van belanghebbende om deze reden deels gegrond is, dient de immateriële schade (component n) en de 1%-vergoeding over het totaal (component p) te worden aangepast over de toeslagjaren 2009 en 2011 in die zin dat deze componenten worden doorberekend tot aan de datum van de beslissing op bezwaar.
De Commissie neemt hiervan met instemming kennis en adviseert UHT het bezwaar tegen het bestreden besluit met kenmerk UHT-DCH gedeeltelijk gegrond te verklaren, het betreffende besluit te herroepen en de compensatieberekening aan te passen zoals hiervoor omschreven.
Afgewezen toeslagjaren
Belanghebbende stelt voorts dat aan haar ten onrechte geen compensatie is toegekend over de jaren 2008, 2010, 2012 en 2013.
De Commissie overweegt als volgt. Voor compensatie komt, ingevolge het bepaalde in de Wht, kortweg, in aanmerking de ouder waarvan aannemelijk is dat de vaststelling van zijn of haar aanspraak op KOT in enig jaar onderdeel is geweest van hardheid of van een institutioneel vooringenomen handelwijze van B/T.
In het bestreden besluit en het informatie- en beoordelingsformulier (productie 4 bezwaardossier) is voor alle betrokken jaren uitgebreid beschreven en toegelicht welke neerwaartse en opwaartse wijzigingen in de KOT hebben plaatsgevonden.
Toeslagjaren 2008 en 2010
Voor toeslagjaar 2008 is de KOT éénmaal opwaarts gecorrigeerd en daarna éénmaal neerwaarts gecorrigeerd. De neerwaartse bijstelling is het gevolg van een wijziging die belanghebbende heeft doorgegeven in het antwoordformulier van 20 juli 2009 vanwege een hoger toetsingsinkomen. Voor wat betreft toeslagjaar 2010 is de KOT eveneens éénmaal neerwaarts gecorrigeerd. Dit was het gevolg van een hoger toetsingsinkomen en vanwege minder afgenomen opvang.
Toeslagjaar 2012
Voor toeslagjaar 2012 is de eerste neerwaartse bijstelling van de KOT vanwege een telefonisch doorgegeven wijziging door belanghebbende waarbij de soort opvang is gewijzigd, namelijk van dagopvang naar buitenschoolse opvang (productie 81 bezwaardossier). De tweede neerwaartse bijstelling is het gevolg van een door belanghebbende ingestuurd antwoordformulier (productie 57 bezwaardossier).
De laatste neerwaartse bijstelling is vanwege een stopzetting van de kinderopvang per 1 augustus 2012 (productie 59 bezwaardossier). Uit het bezwaardossier blijkt dat UHT erkent dat over het jaar 2012 vooringenomen is gehandeld omdat geen voorafgaande uitvraag bij belanghebbende is gedaan. Belanghebbende betwist dat zij de KOT heeft stopgezet. UHT heeft op de hoorzitting erkend en toegelicht dat deze stopzetting is gedaan door de ambtenaar van B/T nadat uit door belanghebbende aangeleverde stukken bleek dat zij vanaf 1 augustus 2012 geen opvang meer afnam. Belanghebbende erkent dat zij vanaf 1 augustus 2012 geen opvang heeft afgenomen en dat zij vanaf dat moment ook gestopt is met haar opleiding. Het aantal toegekende opvanguren over 2012 is uiteindelijk hoger vastgesteld dan de daadwerkelijk door belanghebbende afgenomen uren. Gelet hierop heeft UHT terecht geconcludeerd dat geen recht op compensatie bestaat wegens vooringenomen handelen.
Toeslagjaar 2013
Ten aanzien van toeslagjaar 2013 staat vast dat de KOT op 9 juli 2013 op nihil is gesteld. UHT heeft op vragen van de gemachtigde ter zitting nagezocht of sprake is geweest van non-response van belanghebbende of dat wel informatie is ontvangen maar niet de juiste informatie, althans onvoldoende. UHT heeft bij e-mailbericht van 7 augustus 2025 aangegeven dat in de systemen van B/T geen response is terug te vinden van belanghebbende. Belanghebbende heeft hierop gereageerd in een e-mailbericht van 22 augustus 2025 en aangegeven dat zij geen stukken over 2013 kan terugvinden.
Dat betekent dat het ervoor moet worden gehouden dat de nihilstelling van de KOT door B/T is gedaan wegens non-response van belanghebbende op de door B/T op 11 februari 2013 en 17 juli 2013 verzonden brieven. Uit de verklaring van belanghebbende en de e-mail van 22 augustus 2025 blijkt verder dat zij in het jaar 2013 geen opvang heeft afgenomen. Gegeven deze feiten ziet de Commissie geen aanknopingspunten voor vooringenomen handelen.
Ten aanzien van het subsidiaire standpunt, namelijk dat sprake is van hardheid over de jaren 2012 en 2013, overweegt de Commissie dat op zichzelf genomen begrijpelijk is dat belanghebbende door alle problemen ervoor koos om geen opvang meer af te nemen.
Die enkele omstandigheid is niet zwaarwegend genoeg om te concluderen tot dusdanig bijzondere omstandigheden dat sprake is geweest van hardheid van het stelsel over de jaren 2012 en 2013.
De Commissie concludeert dat onvoldoende aannemelijk is geworden dat er bij de toekenning, aanpassing of terugvordering van de KOT voor de toeslagjaren 2008, 2010, 2012 en 2013 sprake is geweest van institutioneel vooringenomen handelen door B/T dan wel hardheid van het stelsel.
Niet herbeoordeelde toeslagjaren 2016 en 2017
Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat zij ook compensatie behoort te krijgen over de jaren 2016 en 2017, die niet zijn meegenomen in de herbeoordeling. Zij heeft ter onderbouwing van dit standpunt een aanvullende productie overgelegd.
De Commissie overweegt als volgt. Uitgangspunt is dat een verzoek tot herbeoordeling als hier aan de orde betrekking heeft op alle jaren vóór 2020 waarin de aanvrager van compensatie kinderopvangtoeslag heeft aangevraagd, althans waarin B/T een beschikking daarover heeft gegeven, tenzij de aanvrager het verzoek heeft beperkt. De Commissie stelt vast dat het verzoek om herbeoordeling van belanghebbende zag op de jaren 2008 tot en met 2013, hetgeen blijkt uit het door de persoonlijk zaakbehandelaar in samenspraak met belanghebbende opgestelde informatie- en beoordelingsformulier. Daar komt bij dat uit datzelfde formulier blijk dat belanghebbende heeft verklaard dat haar kinderen na 2012 niet meer naar de opvang zijn gegaan, tot aan het jaar 2020 (pagina 21 bezwaardossier). Belanghebbende heeft bovendien ter zitting uitdrukkelijk verklaard dat zij (ook) in de jaren 2016 en 2017 geen opvang heeft afgenomen.
In dat licht kan niet worden geconcludeerd dat UHT nagelaten heeft de toeslagjaren 2016 en 2017 in de herbeoordeling te betrekken en dat om die reden de bestreden beschikking moet worden herroepen. Nu het oorspronkelijke verzoek en de bestreden beschikking de omvang van de onderhavige bezwaarprocedure bepalen, ziet de Commissie geen mogelijkheden om de toeslagjaren 2016 en 2017 (alsnog) in haar advisering te betrekken. Dit onderdeel van het bezwaar is daarom ongegrond.
Nu de bezwaren deels gegrond zijn en zullen moeten leiden tot herroeping van de bestreden beschikking met kenmerk UHT-DCH, zal de Commissie UHT adviseren de kosten van rechtsbijstand te vergoeden. Op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht heeft belanghebbende recht op een forfaitaire vergoeding op basis van 2 procespunten (bezwaarschrift en verschijnen hoorzitting). Net als in eerdere zaken adviseert de Commissie daarbij de hoogste vergoeding per procespunt toe te kennen.
Conclusie
Samengevat adviseert de Commissie om:
- het bezwaar tegen de bestreden beschikking met kenmerk UHT-DCH gedeeltelijk gegrond te verklaren en de bestreden beschikking te herroepen;
- de compensatieberekening als volgt aan te passen:
- voor toeslagjaar 2009 de componenten a, c, e en f vast te stellen op €32.055,-, component h vast te stellen op €8.014,- en component o vast te tellen op €14.691,-;
- voor toeslagjaar 2011 component o vast te stellen op €10.933,-;
- voor toeslagjaren 2009 en 2011 de einddatum van de vergoeding van immateriële schade vast te stellen op de datum van de beschikking op bezwaar;
- voor toeslagjaren 2009 en 2011 de aanvullende vergoeding van 1% opnieuw te berekenen;
- een vergoeding van de proceskosten voor de onderhavige bezwaarprocedure toe te kennen van twee procespunten met wegingsfactor twee voor het hoogste tarief.
Secretaris
Fungerend voorzitter