BAC 2023-14212
Publicatiedatum 18-08-2026
Advies van de Bezwaarschriftenadviescommissie hersteloperatie toeslagen
Aan: Belastingdienst/Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen (hierna: UHT)
Betreft: het bezwaarschrift van belanghebbende
Primair besluit: 12 april 2023 (UHT-DCHA)
Hoorzitting: 11 mei 2026 om 10:00 uur
Overdracht advies aan UHT: 20 juni 2026
Samenvatting
De Bezwaarschriftenadviescommissie (hierna: de Commissie) adviseert UHT om het bezwaar gedeeltelijk gegrond te verklaren en een proceskostenvergoeding toe te kennen.
Onderwerp van advies
Het door voormalig gemachtigde namens belanghebbende ingediende bezwaarschrift is gericht tegen de door UHT genomen definitieve beschikking kinderopvangtoeslag (hierna: het bestreden besluit).
Aan belanghebbende is met toepassing van de Wet hersteloperatie toeslagen (hierna: Wht) geen compensatie toegekend voor de jaren 2014 t/m 2019.
Procesverloop
- Belanghebbende heeft op 15 maart 2021 verzocht om een herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag (hierna: KOT) over de jaren 2014 t/m 2019.
- De Commissie van Wijzen (hierna: CvW) heeft haar beoordeling van het verzoek van belanghebbende op 22 december 2022 aan de Belastingdienst/Toeslagen (hierna: B/T) toegestuurd. De CvW heeft geoordeeld dat de B/T zich terecht op het standpunt stelt dat de compensatieregeling van artikel 2.1, eerste lid, van de Wht niet van toepassing is voor de toeslagjaren 2014 t/m 2019.
- UHT heeft bij bestreden besluit aan belanghebbende medegedeeld dat zij geen recht heeft op compensatie voor de jaren 2014 t/m 2019.
- Voormalig gemachtigde heeft bij brief gedateerd 11 april 2023, tegen dit besluit een bezwaarschrift ingediend.
- UHT heeft op 6 mei 2025 schriftelijk gereageerd op het bezwaarschrift.
- Op 11 mei 2026 heeft een hoorzitting plaatsgevonden. Van de hoorzitting is een verslag gemaakt, dat achter het advies is gevoegd.
- Gemachtigde heeft tijdens de zitting vier documenten aan UHT overgelegd. Deze documenten zijn op 13 mei 2026 door tussenkomst van UHT aan de Commissie toegezonden.
- Dit advies wordt uitgebracht door de voorzitter en twee commissieleden.
Ontvankelijkheid en algemene opmerkingen
Niet in geschil is dat het bezwaar ontvankelijk is.
Overwegingen ten aanzien van de bezwaren en het bestreden besluit
De Commissie ziet zich gesteld voor de vraag of UHT terecht en op goede gronden is gekomen tot haar beslissing om het verzoek van belanghebbende om compensatie of tegemoetkoming af te wijzen.
Belanghebbende voert aan dat het bestreden besluit onzorgvuldig tot stand is gekomen. Zoals hierna zal blijken, kan het bestreden besluit met betrekking tot het jaar 2018 niet in stand blijven is derhalve de totstandkoming onvoldoende zorgvuldig geweest. De motivering dient bij de beslissing op bezwaar te worden verbeterd.
Toeslagjaren 2014 t/m 2017 en 2019
Bij het bestreden besluit heeft UHT geoordeeld dat belanghebbende over de toeslagjaren 2014 t/m 2017 en 2019 geen recht heeft op compensatie wegens vooringenomen handelen, hardheid van het stelsel of een onterechte opzet/grove schuld-kwalificatie (hierna: O/GS-kwalificatie). Volgens belanghebbende is de compensatie over deze jaren ten onrechte afgewezen.
Uit het dossier leidt de Commissie af dat in 2017 geen KOT is aangevraagd, dat in de jaren 2014, 2015 en 2019 geen verlagingen van de KOT hebben plaatsgevonden en dat de verlaging in 2016 voortvloeide uit een reguliere wijziging, namelijk de stopzetting door belanghebbende.
De Belastingdienst/Toeslagen (hierna: B/T) mocht uitgaan van de verstrekte informatie en op basis daarvan wijzigingen doorvoeren. Dergelijke wijzigingen geven in beginsel geen recht op compensatie op grond van de Wht. Gelet op het voorgaande acht de Commissie niet aannemelijk dat B/T bij de toekenning, aanpassing of terugvordering van de KOT over de toeslagjaren 2014 t/m 2017 en 2019 vooringenomen heeft gehandeld.
De Commissie heeft evenmin kunnen vaststellen dat sprake was van hardheid van het stelsel. In 2016 heeft weliswaar een verlaging plaatsgevonden die boven het drempelbedrag van € 1.500 uitkwam, maar een bijzondere omstandigheid die wijst op hardheid van het stelsel ontbreekt. Er bestaan namelijk onvoldoende aanknopingspunten voor het oordeel dat de KOT in 2016 niet daadwerkelijk op het bankrekeningnummer van belanghebbende is gestort. Uit het door gemachtigde overgelegde bankrekeningoverzicht kan niet worden afgeleid dat in 2016 geen overmakingen van KOT hebben plaatsgevonden. Het bankrekeningoverzicht bevat namelijk geen gegevens van de rekeninghouder en vermeldt evenmin het rekeningnummer waarop het betrekking heeft.
De Commissie ziet zich gesteld voor de vraag of UHT terecht en op goede gronden is gekomen tot haar beslissing om het verzoek van belanghebbende om compensatie of tegemoetkoming af te wijzen.
Belanghebbende voert aan dat het bestreden besluit onzorgvuldig tot stand is gekomen. Zoals hierna zal blijken, kan het bestreden besluit met betrekking tot het jaar 2018 niet in stand blijven is derhalve de totstandkoming onvoldoende zorgvuldig geweest. De motivering dient bij de beslissing op bezwaar te worden verbeterd.
Toeslagjaren 2014 t/m 2017 en 2019
Bij het bestreden besluit heeft UHT geoordeeld dat belanghebbende over de toeslagjaren 2014 t/m 2017 en 2019 geen recht heeft op compensatie wegens vooringenomen handelen, hardheid van het stelsel of een onterechte opzet/grove schuld-kwalificatie (hierna: O/GS-kwalificatie). Volgens belanghebbende is de compensatie over deze jaren ten onrechte afgewezen.
Uit het dossier leidt de Commissie af dat in 2017 geen KOT is aangevraagd, dat in de jaren 2014, 2015 en 2019 geen verlagingen van de KOT hebben plaatsgevonden en dat de verlaging in 2016 voortvloeide uit een reguliere wijziging, namelijk de stopzetting door belanghebbende.
De Belastingdienst/Toeslagen (hierna: B/T) mocht uitgaan van de verstrekte informatie en op basis daarvan wijzigingen doorvoeren. Dergelijke wijzigingen geven in beginsel geen recht op compensatie op grond van de Wht. Gelet op het voorgaande acht de Commissie niet aannemelijk dat B/T bij de toekenning, aanpassing of terugvordering van de KOT over de toeslagjaren 2014 t/m 2017 en 2019 vooringenomen heeft gehandeld.
De Commissie heeft evenmin kunnen vaststellen dat sprake was van hardheid van het stelsel. In 2016 heeft weliswaar een verlaging plaatsgevonden die boven het drempelbedrag van € 1.500 uitkwam, maar een bijzondere omstandigheid die wijst op hardheid van het stelsel ontbreekt. Er bestaan namelijk onvoldoende aanknopingspunten voor het oordeel dat de KOT in 2016 niet daadwerkelijk op het bankrekeningnummer van belanghebbende is gestort. Uit het door gemachtigde overgelegde bankrekeningoverzicht kan niet worden afgeleid dat in 2016 geen overmakingen van KOT hebben plaatsgevonden. Het bankrekeningoverzicht bevat namelijk geen gegevens van de rekeninghouder en vermeldt evenmin het rekeningnummer waarop het betrekking heeft.
Conclusie
Samengevat adviseert de Commissie om:
- het bezwaar deels gegrond te verklaren en het bestreden besluit met kenmerk UHT-DCHA te herroepen;
- belanghebbende te compenseren wegens vooringenomen handelen door B/T in toeslagjaar 2018;
- een proceskostenvergoeding toe te kennen op basis van twee procespunten met een wegingsfactor 2. De Commissie adviseert daarbij de hoogste vergoeding per procespunt toe te kennen.
[handtekening]
Secretaris
[handtekening]
Fungerend voorzitter