BAC 2023-14195
Publicatiedatum 11-02-2026
Advies van de Bezwaarschriftenadviescommissie hersteloperatie toeslagen
Aan: Belastingdienst/Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen (hierna: UHT)
Betreft: het bezwaarschrift van belanghebbende
Primair besluit: 9 februari 2022 (UHT-DC I)
Hoorzitting: 14 augustus 2024
Overdracht advies aan UHT: 1 oktober 2024
Samenvatting
De Bezwaarschriftenadviescommissie (hierna: de Commissie) adviseert UHT om het bezwaar gedeeltelijk gegrond te verklaren. Daarnaast adviseert de Commissie UHT om een proceskostenvergoeding toe te kennen.
Onderwerp van advies
Het door gemachtigde namens belanghebbende ingediende bezwaarschrift is gericht tegen de door UHT genomen definitieve beschikking compensatie kinderopvangtoeslag.
Aan belanghebbende is met toepassing van de Compensatieregeling CAF 11 en vergelijkbare (CAF-)zaken van 28 augustus 2020 (Stcrt. 2020, nr. 45904; hierna: Compensatieregeling) compensatie toegekend voor een bedrag van € 73.568,- voor de jaren 2009 tot en met 2013.
Op 5 november 2022 is de Wet van 2 november 2022 houdende regels ten behoeve van de hersteloperatie toeslagen (Wet hersteloperatie toeslagen, hierna: Wht) in werking getreden. Gelet op het bepaalde in de artikelen 8.6 en 9.2 Wht moet de bestreden beschikking geacht worden te zijn genomen op grond van artikel 2.1 en verder van de Wht.
Procesverloop
- Belanghebbende heeft op 24 december 2019 verzocht om een herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag (hierna: KOT). De jaren 2009 tot en met 2013 zijn betrokken in de herbeoordeling.
- UHT heeft bij beschikking van 1 april 2021 aan belanghebbende meegedeeld dat zij in aanmerking komt voor een betaling van €30.000,-.
- UHT heeft bij de bestreden beschikking aan belanghebbende een compensatie toegekend voor een bedrag van € 73.568,-.
- Gemachtigde heeft bij brief van 22 maart 2023, ingekomen op dezelfde datum, tegen deze beschikking een bezwaarschrift ingediend.
- UHT heeft op 8 februari 2024 schriftelijk gereageerd op het bezwaarschrift.
- Op 14 augustus 2024 heeft een hoorzitting plaatsgevonden. Van de hoorzitting is een verslag gemaakt, dat achter het advies is gevoegd.
- Dit advies wordt uitgebracht door de voorzitter, eerste commissielid, tweede commissielid.
Ontvankelijkheid en algemene opmerkingen
Niet in geschil is dat het bezwaarschrift ontvankelijk is.
Overwegingen ten aanzien van de bezwaren en het bestreden besluit
De Commissie ziet zich gesteld voor de vraag of UHT de toegekende compensatie op de juiste wijze heeft berekend.
De compensatieberekening
Tussen partijen is niet in geschil dat belanghebbende recht heeft op compensatie over de jaren 2009 tot en met 2013, wegens vooringenomen handelen. Belanghebbende stelt dat haar een hogere compensatie toekomt over deze jaren.
De Commissie acht het bezwaar gedeeltelijk gegrond, en zal dat hieronder per relevant component van de compensatieberekening toelichten.
Vergoeding voor juridische hulp
Belanghebbende is voor de jaren 2009, 2010 en 2013 een vergoeding toegekend voor de kosten van professionele rechtsbijstand. UHT heeft zich op het nadere standpunt gesteld dat deze vergoeding te laag is vastgesteld. Door uit te gaan van de tarieven die golden op basis van het Besluit proceskosten bestuursrecht 2022, zal UHT alsnog een bedrag van € 1.518,- per jaar toekennen in plaats van het toegekende bedrag van € 1.496,- per jaar. De Commissie neemt met instemming kennis van dit standpunt van UHT.
Rente over gemiste KOT
UHT heeft geconstateerd dat de rente over gemiste KOT over onjuiste tijdvakken is berekend. Met inachtneming van de tijdvakken die aanvangen op 1 juli van het jaar volgend op het betreffende toeslagjaar en eindigen op de datum van de compensatiebeschikking, komt belanghebbende een hogere vergoeding toe, die UHT alsnog zal toekennen bij haar beslissing op bezwaar. De Commissie neemt met instemming kennis van dit standpunt van UHT.
Vergoeding voor immateriële schade
Ten aanzien van de startdatum van de vergoeding voor immateriële schade overweegt de Commissie dat op grond van artikel 2.3, lid 4 van de Wht de forfaitaire vergoeding voor immateriële schade moet worden berekend vanaf de datum van de eerste beschikking tot het verminderen of niet toekennen van KOT of het beëindigen van voorschotverlening voor KOT dat een direct gevolg is van (onder meer) institutionele vooringenomenheid.
UHT hanteert echter een voor belanghebbenden begunstigend beleid, dat voor de berekening van de vergoeding voor immateriële schade wordt uitgegaan van de datum van de eerste (interne dan wel externe) vooringenomen handeling door de Belastingdienst/Toeslagen.
Niet in geschil is dat het op nihil stellen van de KOT voor 2009 het gevolg is geweest van institutionele vooringenomenheid. Op 24 december 2010 is belanghebbende per brief geïnformeerd dat zij het KOT-voorschot van het jaar 2009 moest terugbetalen (productie 26). De Commissie meent daarom dat de gehanteerde startdatum van 1 april 2011 niet in overeenstemming is met het beleid van UHT, en adviseert UHT om de vergoeding voor immateriële schade te berekenen vanaf 24 december 2010.
UHT heeft de Commissie meegedeeld dat UHT, bij de berekening van de vergoeding voor immateriële als einddatum zal hanteren de datum van de beslissing op het bezwaar. De Commissie volgt dat en adviseert om in overeenstemming hiermee te beslissen op bezwaar.
Aanvullende 1% vergoeding
Nu het subtotaal van de compensatieberekening zal wijzigen, adviseert de Commissie om ook de aanvullende vergoeding van 1% aan te passen.
Persoonlijke betalingsregeling
Belanghebbende voert in haar bezwaarschrift aan dat zij in het kader van de terugvorderingen een voor haar onredelijke betalingsregeling kreeg aangeboden. Volgens haar staat dit gelijk aan het weigeren van een persoonlijke betalingsregeling. De Commissie begrijpt de stelling van belanghebbende zo, dat zij meent recht te hebben op een tegemoetkoming als bedoeld in artikel 2.6 van de Wht.
De Commissie stelt vast dat UHT heeft erkend dat er in het geval van belanghebbende sprake is geweest van onterechte O/GS-kwalificaties ten aanzien van de terugvorderingen over de jaren 2010 tot en met 2013 (productie 4, pagina 14 en productie 81). Op grond van artikel 2.6 lid 4 van de Wht blijft een O/GS-tegemoetkoming echter achterwege als ten aanzien van dezelfde terugvordering al recht bestaat op compensatie wegens vooringenomen handelen of hardheid. In het geval van belanghebbende zijn de terugvorderingen over de jaren 2009 tot en met 2013 gecompenseerd wegens vooringenomen handelen. De Commissie adviseert UHT daarom om het bezwaar op dit punt ongegrond te verklaren.
Verrekeningen
Belanghebbende voert aan dat haar KOT-schulden zijn verrekend met andere toeslagen. Voor zover belanghebbende om die reden meent dat zij voor een hogere compensatie in aanmerking komt, overweegt de Commissie dat de verrekeningen onderdeel zijn van de uitvoering die in de jaren 2009 tot en met 2013 aan de KOT is gegeven. Belanghebbende heeft over deze jaren compensatie ontvangen. In de berekening van het compensatiebedrag is het bedrag aan verrekeningen begrepen. De verrekeningen op zich houden dus geen schadepost in. De bezwaargronden van belanghebbende op dit onderdeel treffen dus geen doel.
Werkelijke schade
Ten aanzien van de overige omstandigheden die belanghebbende in haar bezwaarschrift heeft aangevoerd, overweegt de Commissie, zoals ook ten aanzien van de verrekeningen, dat deze bezwaarprocedure alleen ziet op de standaard vergoedingen.
Als belanghebbende van mening is dat haar aanvullende compensatie toekomt omdat de door haar geleden werkelijke schade hoger is, kan zij een verzoek daartoe indienen bij de Commissie Werkelijke Schade of de Stichting Gelijkwaardig Herstel.
Strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel en het motiveringsbeginsel
Belanghebbende voert aan dat sprake is van strijd met zorgvuldigheidsbeginsel en het motiveringsbeginsel.
Nu de bestreden beschikking volgens de Commissie niet in stand kan blijven, zoals hierboven benoemd, staat daarmee inderdaad vast dat de totstandkoming onvoldoende zorgvuldig is geweest en de motivering bij beslissing op bezwaar dient te worden verbeterd.
Proceskostenvergoeding
Aangezien belanghebbende is bijgestaan door een professionele rechtsbijstandverlener en de Commissie van mening is dat het primaire besluit moet worden herroepen, adviseert de Commissie om belanghebbende een proceskostenvergoeding toe te kennen op basis van 2 procespunten (bezwaarschrift en verschijnen hoorzitting) met een wegingsfactor 2. Net als in eerdere zaken adviseert de Commissie daarbij de hoogste vergoeding per procespunt toe te kennen.
Ter voorlichting aan belanghebbende
Op de hoorzitting heeft belanghebbende naar voren gebracht dat zij nog veel onzekerheid ervaart ten aanzien van het ontvangen compensatiebedrag en de terugvorderingen van het verleden. Zij vreest dat zij opnieuw geld zal moeten terugbetalen.
Gelet daarop vermeldt de Commissie ten overvloede dat in de bestreden beschikking uitdrukkelijk is vermeld dat belanghebbende haar ontvangen compensatie nooit zal hoeven terugbetalen en dat haar KOT-schulden uit het verleden met toepassing van artikel 3.1 van de Wht zijn kwijtgescholden.
Conclusie
Samengevat adviseert de Commissie om:
- het bezwaar gedeeltelijk gegrond te verklaren en de bestreden beschikking te herroepen;
- de compensatieberekening op de onderdelen vergoeding voor juridische hulp, vergoeding voor immateriële schade, rente over gemiste KOT en 1% aanvullende vergoeding aan te passen met inachtneming van dit advies;
- een vergoeding van de proceskosten voor de onderhavige bezwaarprocedure toe te kennen van twee procespunten met wegingsfactor twee voor het hoogste tarief.
[handtekening]
Secretaris
[handtekening]
Fungerend voorzitter