Ga direct naar de inhoud Ga direct naar de filters Ga direct naar de footer

BAC 2023-14116

Advies van de Bezwaarschriftenadviescommissie hersteloperatie toeslagen

Aan: Belastingdienst/Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen (hierna: UHT)

Betreft: het bezwaarschrift van belanghebbende

Primair besluit: 25 juli 2023 (UHT-DCHA)

Hoorzitting: 19 mei 2025 om 14:15 uur

Overdracht advies aan UHT: 2 juli 2025

Samenvatting

De Bezwaarschriftenadviescommissie (hierna: de Commissie) adviseert UHT om het bezwaar ongegrond te verklaren.

Onderwerp van advies

De door gemachtigde namens belanghebbende ingediende bezwaarschriften zijn gericht tegen de door UHT genomen definitieve beschikking compensatie kinderopvangtoeslag van 25 juli 2023 met kenmerk UHT-DCHA. Deze beschikking wordt hierna aangeduid als de bestreden beschikking.

Aan belanghebbende is met toepassing van de Wet hersteloperatie toeslagen (hierna: Wht) geen compensatie toegekend voor de jaren 2009 tot en met 2013.

Procesverloop

  • Belanghebbende heeft UHT op 18 oktober 2022 verzocht om een herbeoordeling van haar kinderopvangtoeslag (hierna: KOT). UHT heeft bij de herbeoordeling gekeken naar de toeslagjaren 2009 tot en met 2013 en de beschikking voorgelegd aan de Commissie van Wijzen (hierna: de CvW).
  • De CvW heeft de voorgenomen beschikking op 4 juli 2023 beoordeeld en geconcludeerd dat belanghebbende over de toeslagjaren 2009 tot en met 2013 niet in aanmerking komt voor compensatie wegens vooringenomenheid of hardheid bij de uitvoering.
  • UHT heeft belanghebbende bij de bestreden beschikking meegedeeld dat zij geen compensatie zal toekennen over de toeslagjaren 2009 tot en met 2012.
  • Bij brief van 11 augustus 2023 door UHT ontvangen, heeft gemachtigde bezwaar gemaakt tegen de bestreden beschikking. Gemachtigde heeft de gronden van het bezwaar bij een nadere brief van 19 mei 2024 aangevuld.
  • UHT heeft op 14 januari 2025 schriftelijk gereageerd op het bezwaar.
  • Het bezwaar van belanghebbende is op 19 mei 2025 op een hoorzitting bij de Commissie behandeld. Het verslag van de hoorzitting is bij het advies gevoegd.
  • UHT heeft, daartoe door de Commissie ter zitting verzocht, op 5 juni 2025 een nadere schriftelijke reactie ingediend. Gemachtigde heeft daar op 18 juni 2025 schriftelijk op gereageerd, waarna UHT op 20 juni een nadere schriftelijke toelichting heeft gegeven.
  • De Commissie, bestaande uit de voorzitter, eerste commissielid, tweede commissielid, heeft het bezwaar behandeld.

Ontvankelijkheid en algemene opmerkingen

Niet in geschil is dat de bezwaarschriften ontvankelijk zijn.

Overwegingen ten aanzien van de bezwaren en het bestreden besluit

Beoordeling afwijzing compensatie over de jaren 2010, 2011 en 2012

Belanghebbende stelt dat bij de uitvoering van de KOT hardheid aan de orde was en over de jaren 2011 en 2012 vooringenomen handelen door de Belastingdienst/Toeslagen (hierna: B/T).

UHT betwist de standpunten van belanghebbende. Volgens UHT heeft de B/T over deze jaren niet vooringenomen gehandeld en heeft zich geen situatie voorgedaan die is te kwalificeren als hardheid van het stelsel. Volgens UHT ging het om reguliere correcties en is de B/T afgegaan op de door belanghebbende ter beschikking gestelde gegevens, de gegevens van de kinderopvanginstelling Partou (hierna: de KOI) en de gegevens in de systemen.

Geen compensatie wegens vooringenomenheid

De Commissie overweegt ten aanzien van de vooringenomenheid als volgt. Volgens de stukken in het dossier heeft de B/T de KOT van belanghebbende over de jaren 2010, 2011 en 2012 meermalen verlaagd. Over het jaar 2010 vanwege een telefonische stopzetting van de KOT per 15 september 2010. Over het jaar 2011 omdat uit de overlegde gegevens van belanghebbende, uit de systemen van de B/T en na navraag bij de KOI niet kan worden geconcludeerd dat belanghebbende gekwalificeerde kinderopvang heeft afgenomen. Over het jaar 2012 vanwege de stopzetting van de KOT door belanghebbende op 26 november 2012 per 1 september 2012.

De Commissie acht het aannemelijk dat de B/T reguliere correcties heeft doorgevoerd. Zij heeft geen aanknopingspunten gevonden die kunnen leiden tot een ander oordeel. Dergelijke wijzigingen geven geen recht op compensatie op grond van de Wht. Het bezwaar is ongegrond.

Geen compensatie wegens hardheid van het stelsel

Ten aanzien van de hardheid van het stelsel overweegt de Commissie als volgt. Voor een hardheidscompensatie moet aan twee voorwaarden zijn voldaan. Als eerste moet zijn vastgesteld dat er een verlaging heeft plaatsgevonden van € 1.500 of meer en dat de betaling van de KOT aan de kinderopvanginstelling (hierna: KOI) is overgemaakt. Ten tweede moet zijn vastgesteld dat die betalingen níet aan belanghebbende ten goede zijn gekomen.

De Commissie constateert dat B/T voor het toeslagjaar 2010 de KOT van belanghebbende met meer dan € 1.500 heeft verlaagd en dat de KOT rechtstreeks naar KOI is overgemaakt. Het gaat om een bedrag van € 9.518. Volgens de gegevens in de KOI-viewer waren de totale opvangkosten € 9.668,75. De uitbetaalde KOT is ten goede gekomen aan kinderopvang en daarmee aan belanghebbende.

Over de jaren 2011 en 2012 is de KOT van belanghebbende met meer dan € 1.500 verlaagd. Echter, vanaf 2011 is de toeslag niet meer rechtstreeks overgemaakt naar de kinderopvanginstelling, maar naar de bankrekening van belanghebbende of haar toeslagpartner. Uit het LIC-overzicht over 2011 blijkt dat de KOT naar de bankrekening van belanghebbende is overgemaakt. Over 2012 is de KOT gedeeltelijk naar de rekening van belanghebbende overgemaakt en vanaf 4 mei 2012 naar de rekening van de toeslagpartner. De uitbetaalde KOT is rechtstreeks aan belanghebbende ten goede gekomen.

Over de jaren 2010, 2011 en 2012 hebben er geen terugvorderingen plaatsgevonden vanwege het niet (tijdig) betalen van de eigen bijdrage of andere bijzondere omstandigheden.

De Commissie is dan ook van oordeel dat belanghebbende over deze jaren niet in aanmerking komt voor een hardheidscompensatie. Ook in het dossier heeft de Commissie geen aanknopingspunten gevonden om hierover ten opzichte van belanghebbende anders te oordelen.

Geen O/GS tegemoetkoming

Belanghebbende is van mening dat, indien de Commissie oordeelt dat de B/T niet vooringenomen heeft gehandeld, over de jaren 2011 en 2012 recht bestaat op een tegemoetkoming wegens een onterechte kwalificatie van O/GS (hierna: opzet/ grove schuld). Ten onrechte is aan haar een vergrijpboete opgelegd van € 1.500 voor het opzettelijk doorgeven van onjuiste informatie bij de KOT aanvragen 2010, 2011 en 2012, waardoor belanghebbende geen betalingsregeling kon treffen.

UHT stelt dat de vergrijpboete niet onterecht is opgelegd. De B/T heeft zich gebaseerd op de door belanghebbende overgelegde jaaropgaven van 2010 en 2011 die qua opmaak en logo niet overeenkwamen met eerdere en andere jaaropgaven van de KOI [naam]. Bij navraag stelt KOI [naam] dat de jaaropgaven afwijken van de gebruikelijke opmaak en structuur die [naam] normaal gesproken hanteert, en dat de opzet van deze documenten niet herkenbaar is. Volgens UHT bevestigt dit het beeld dat belanghebbende de B/T onjuist heeft geïnformeerd. Daarnaast zijn er geen gegevens in de systemen aangetroffen over het aanvragen of afwijzen van een persoonlijke betalingsregeling.

De Commissie overweegt als volgt. Er bestaat recht op een O/GS-tegemoetkoming als aan belanghebbende geen persoonlijke betalingsregeling is toegekend of een schuldregeling is geweigerd vanwege een onterechte kwalificatie van opzet of grove schuld.

De Commissie constateert op basis van de inhoud van het dossier en op hetgeen op de hoorzitting is gezegd dat over 2011 en 2012 bij belanghebbende géén opzet of grove schuld is vastgesteld. Wat de opgelegde vergrijpboete betreft acht de Commissie het niet onredelijk dat de B/T de gerezen twijfel over de echtheid van de jaaropgaven ten grondslag heeft gelegd aan de vergrijpboete, nu KOI [naam] deze twijfel bij navraag niet heeft kunnen wegnemen en op de hoorzitting verder geen andere informatie naar voren is gekomen.

Verder heeft de Commissie geen aanknopingspunten in het dossier gevonden waaruit volgt dat aan belanghebbende over de genoemde jaren een betalingsregeling is geweigerd. Hierbij merkt de Commissie op dat over deze jaren de B/T niet vooringenomen heeft gehandeld. Ook heeft zich niet een situatie voorgedaan die is te kwalificeren als hardheid van het stelsel. De Commissie komt tot de conclusie dat belanghebbende niet in aanmerking komt voor een O/GS-tegemoetkoming en acht het bezwaar ongegrond.

Motivering bestreden besluit / Onvolledig dossier / Veronachtzaming artikel 6.7 Wht

De Commissie is het eens met het standpunt van UHT over de motivering van het besluit en de zorgvuldigheid van het hieraan ten grondslag liggende onderzoek. De Commissie constateert dat in de bijlage bij de bestreden beschikking per toeslagjaar uitleg is gegeven waarmee UHT haar oordeel per jaar motiveert. Verder heeft UHT in deze bezwaarprocedure twee schriftelijke beschouwingen ingediend, waarin zij een uitgebreide en aanvullende uitleg heeft gegeven met behulp van het informatie- en beoordelingsformulier, LIC overzichten, (volledige) SAS-overzichten en overige producties. Naar het oordeel van de Commissie is de bestreden beschikking hierdoor alsnog voldoende onderbouwd.

Op 5 februari 2024 zijn de schriftelijke beschouwing en het bezwaardossier aan gemachtigde gezonden. Gemachtigde en belanghebbende hebben hierdoor kennis kunnen nemen van de stukken die ten grondslag liggen aan de bestreden beschikking en zij hebben de gelegenheid gehad om daarop te reageren. Het inzagerecht zoals beschreven in artikel 7:4 lid 2 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is niet geschonden.

Tijdens de hoorzitting heeft belanghebbende gewezen op het feit dat zij geen vooraankondiging heeft ontvangen (artikel 6.7 Wht), waardoor zij destijds niet in de gelegenheid is gesteld haar zienswijze kenbaar te maken. De Commissie overweegt dat, hoewel dat inderdaad niet de aangewezen gang van zaken is, belanghebbende in het kader van deze bezwaarprocedure de gelegenheid heeft gekregen en benut om haar bezwaren toe te lichten en te onderbouwen. Een eventuele tekortkoming is daarmee hersteld. Omdat niet is vermeld welk nadeel belanghebbende door dit nalaten heeft gehad, laat de Commissie dit bezwaar verder buiten beschouwing.

De Commissie adviseert UHT daarom om deze onderdelen van het bezwaar ook ongegrond te verklaren.

Proceskostenvergoeding

Het bezwaar is naar opvatting van de Commissie ongegrond. Er is geen aanleiding voor herroeping van het bij bezwaar bestreden besluit. De Commissie ziet, gelet op het bepaalde in artikel 7:15 lid 2 Awb, geen aanleiding om UHT te adviseren een proceskostenvergoeding toe te kennen.

Conclusie

Samengevat adviseert de Commissie om het bezwaar ongegrond te verklaren.

Secretaris

Fungerend voorzitter