BAC 2023-14050
Publicatiedatum 27-01-2026
Advies van de Bezwaarschriftenadviescommissie hersteloperatie toeslagen
Aan: Belastingdienst/Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen (hierna: UHT)
Betreft: het bezwaarschrift van belanghebbende
Primair besluit: 13 juli 2023 (UHT-DCH)
Hoorzitting: 31 juli 2025
Overdracht advies aan UHT: 21 augustus 2025
Samenvatting
De Bezwaarschriftenadviescommissie (hierna: de Commissie) adviseert UHT om de bezwaren in de onderhavige zaak gedeeltelijk gegrond te verklaren, het bestreden besluit met kenmerk UHT-DCH deels te herroepen en opnieuw te beslissen met inachtneming van dit advies. Tevens adviseert de Commissie het verzoek om vergoeding van de proceskosten toe te wijzen.
Onderwerp van advies
Het door gemachtigde namens belanghebbende ingediende bezwaarschrift is gericht tegen de door UHT genomen definitieve beschikking herbeoordeling kinderopvangtoeslag.
Aan belanghebbende is met toepassing van de Wet hersteloperatie toeslagen (hierna: Wht) compensatie toegekend voor een bedrag van € 27.022 over het toeslagjaar 2011 en de maanden januari tot en met mei 2012. Aan belanghebbende is geen vergoeding toegekend over de toeslagjaren 2007 tot en met 2010 en de maanden juni tot en met december 2012.
Procesverloop
- Belanghebbende heeft op 23 december 2020 verzocht om een herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag (hierna: KOT) over de toeslagjaren 2006 tot en met 2012. In overleg met belanghebbende is het toeslagjaar 2006 buiten beschouwing gelaten.
- UHT heeft bij beschikking van 2 maart 2021, met kenmerk UHT-B DMB2, aan belanghebbende medegedeeld dat zij in aanmerking komt voor een betaling van €30.000, maar dat de herbeoordeling nog niet klaar is.
- De Commissie van Wijzen (hierna: CvW) heeft haar beoordeling van het verzoek van belanghebbende op 17 oktober 2022 aan UHT verstuurd. CvW heeft - kort samengevat - geoordeeld dat belanghebbende over de toeslagjaren 2007 tot en met 2010 en de maanden juni tot en met december 2012 niet in aanmerking komt voor compensatie op basis van vooringenomen handelen of hardheid van het stelsel.
- UHT heeft bij vooraankondiging van 8 februari 2023, met kenmerk UHT-VCH, aan belanghebbende een voorlopige compensatie toegekend voor een bedrag van € 26.663.
- UHT heeft bij vooraankondiging van 14 februari 2023, met kenmerk UHT-VC I, aan belanghebbende een voorlopige compensatie toegekend voor een bedrag van € 24.664.
- UHT heeft bij beschikking van 13 juli 2023, met kenmerk UHT-DCH, aan belanghebbende een definitieve compensatie toegekend voor een bedrag van €27.022 wegens vooringenomenheid over het toeslagjaar 2011 en de maanden januari tot en met mei 2012.
- UHT heeft bij beschikking van 10 augustus 2023, met kenmerk UHT-O OGS B, aan belanghebbende een definitieve tegemoetkoming toegekend van € 3.156 wegens een onterechte kwalificatie opzet/grove schuld (hierna: O/GS) over het toeslagjaar 2010.
- Gemachtigde heeft op 14 augustus 2023 bezwaar ingediend tegen de beschikking van 13 juli 2023 met kenmerk UHT-DCH.
- UHT heeft op 5 maart 2025 schriftelijk gereageerd op het bezwaarschrift.
- Op 31 juli 2025 heeft een hoorzitting plaatsgevonden. Van de hoorzitting is een verslag gemaakt, dat achter het advies is gevoegd.
- UHT heeft, daartoe door de Commissie ter zitting verzocht, op 4 augustus 2025 een nadere schriftelijke reactie ingediend. Gemachtigde heeft daar op 7 augustus 2025 op gereageerd.
- Dit advies wordt uitgebracht door de voorzitter, eerste commissielid en tweede commissielid.
Ontvankelijkheid en algemene opmerkingen
Niet in geschil is dat het bezwaar ontvankelijk is.
Overwegingen ten aanzien van de bezwaren en het bestreden besluit
Motivering besluit
Belanghebbende stelt dat niet inzichtelijk is gemaakt hoe UHT tot het compensatiebedrag van € 27.022 is gekomen. Voor zover sprake is van onzorgvuldige voorbereiding of gebreken in de motivering van het bestreden besluit, kan dat in de beslissing op bezwaar door UHT worden hersteld aan de hand van wat daarover in haar beschouwing is opgemerkt.
Artikel 6 EVRM, recht op een eerlijk proces
Belanghebbende voert aan dat geen sprake is van ‘equality of arms’, zoals opgenomen in artikel 6 van het EVRM, omdat hij niet de beschikking heeft over zijn volledige dossier en verzoekt specifiek om de overzichten van het Landelijk Incasso Centrum (hierna: LIC), de tijdlijn, het informatie- en beoordelingsformulier en de berekening van de rentevergoeding over gemiste KOT.
De Commissie is een onafhankelijke bezwaarschriftenadviescommissie in de zin van artikel 7:13 Awb. Voor de procedure bij de Commissie gelden de processuele waarborgen van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb). Op grond van artikel 7:4 lid 2 Awb heeft belanghebbende voorafgaand aan de hoorzitting bij de Commissie recht op 3 afschriften van de op de zaak betrekking hebbende stukken. Deze stukken heeft belanghebbende in de vorm van een bezwaardossier op 4 juni 2025 ontvangen en zij heeft de gelegenheid gekregen om haar standpunt verder uiteen te zetten. Verder merkt de Commissie op dat UHT de verzochte stukken aan het dossier heeft toegevoegd. De Commissie adviseert het bezwaar op dit punt ongegrond te verklaren.
Belanghebbende heeft ter zitting om het invorderingsdossier verzocht. UHT heeft in haar aanvullende beschouwing toegelicht dat zij dit dossier niet kan opvragen en dat dit door belanghebbende zelf dient te worden gedaan. Belanghebbende heeft hierop gereageerd dat het onlogisch is dat belanghebbende dit dossier zelf wel kan opvragen, maar UHT niet. Daarnaast stelt belanghebbende dat het invorderingsdossier behoort tot de op de zaak betrekking hebbende stukken. Belanghebbende verzoekt om aanhouding van de procedure als de Commissie tot de conclusie komt dat belanghebbende het invorderingsdossier zelf dient op te vragen.
Naar het oordeel van de Commissie heeft belanghebbende de op de zaak betrekking hebbende stukken reeds ontvangen. De Commissie is van oordeel, dat het invorderingsdossier niet van belang is voor de beoordeling van deze zaak. Het staat belanghebbende vrij om het invorderingsdossier op te vragen, maar de Commissie ziet hierin geen reden om de zaak aan te houden. Het verzoek om aanhouding wordt daarom afgewezen. De Commissie adviseert het bezwaar op dit punt ongegrond te verklaren.
Belanghebbende heeft ter zitting het standpunt ingenomen dat over toeslagjaar 2009 sprake was van vooringenomenheid, omdat belanghebbende door de Belastingdienst/Toeslagen (hierna: B/T) onvoldoende in de gelegenheid is gesteld om informatie aan te leveren, voordat de KOT over toeslagjaar 2009 op nihil is gesteld. UHT heeft ter zitting gesteld dat zij het standpunt van gemachtigde kan volgen. UHT is voornemens om belanghebbende te compenseren voor het toeslagjaar 2009 en zal een compensatieberekening opstellen.
De Commissie onderschrijft het door UHT overgenomen standpunt van gemachtigde dat in het toeslagjaar 2009 sprake was van vooringenomenheid en adviseert UHT om een compensatieberekening op te stellen voor het toeslagjaar 2009 en om het bezwaar op dit punt gegrond te verklaren.
Belanghebbende stelt dat de KOT over toeslagjaar 2010 per 15 april 2010 is stopgezet door de B/T, omdat de dochter van belanghebbende de leeftijdgrens voor de basisschool had bereikt. Volgens belanghebbende heeft B/T geen verdere uitvraag van informatie gedaan. Belanghebbende had wel behoefte aan buitenschoolse opvang voor haar kind en heeft opvang afgenomen. Zij stelt dat zij wel recht had op KOT voor buitenschoolse opvang vanaf 15 april 2010. Belanghebbende heeft deze situatie kenbaar gemaakt in haar bezwaarschrift van 1 december 2011. B/T had naar aanleiding van dit bezwaarschrift moeten twijfelen of niet al sprake was van buitenschoolse opvang.
UHT stelt dat de B/T een melding heeft ontvangen van de kinderopvang en dat de neerwaartse bijstelling op basis van die informatie heeft plaatsgevonden. Volgens UHT had de B/T geen reden om te twijfelen aan de melding van de kinderopvang en heeft de B/T geen aanvraag ontvangen voor KOT voor buitenschoolse opvang. UHT stelt dat belanghebbende deze aanvraag op grond van artikel 14 van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen (Awir) zelf had moeten indienen. UHT merkt daarnaast op dat belanghebbende een plaatsingsovereenkomst bij haar bezwaarschrift van 1 december 2011 had gevoegd, waarbij een plaatsingsdatum van 24 augustus 2011 staat vermeld. Volgens UHT had de B/T geen reden om te twijfelen aan de juistheid van de melding van de kinderopvang. Dit leidt UHT tot de conclusie dat de neerwaartse bijstelling over toeslagjaar 2010 een reguliere bijstelling was en er geen sprake was van vooringenomenheid.
De Commissie overweegt dat de B/T destijds uit mocht gaan van de melding dat het kind van belanghebbende de basisschoolleeftijd had bereikt. Belanghebbende heeft over het toeslagjaar 2010 geen nieuwe aanvraag voor KOT gedaan. De mededeling in het bezwaarschrift van 1 december 2011, waaruit zou blijken, dat er wel (buitenschoolse) opvang geweest zou zijn na 15 april 2010 is naar het oordeel van de Commissie onvoldoende concreet om te kunnen worden aangemerkt als mogelijke, nieuwe aanvraag van KOT. De Commissie is van oordeel dat geen sprake was van vooringenomenheid bij de neerwaartse bijstelling van de KOT over het toeslagjaar 2010 en adviseert het bezwaar op dit punt ongegrond te verklaren.
Belanghebbende is gecompenseerd over de periode januari tot en met mei 2012. Zij stelt dat haar verzoek om een betalingsregeling over dit toeslagjaar is geweigerd. UHT stelt dat voor de toeslagjaren 2010 en 2011 een onterechte kwalificatie opzet/grove schuld (hierna: O/GS) is vastgesteld. Voor het toeslagjaar 2010 is hiervoor een tegemoetkoming toegekend en voor het toeslagjaar 2011 is belanghebbende gecompenseerd op grond van vooringenomenheid. Daarom is over 2011 geen O/GS-tegemoetkoming uitgekeerd.
Volgens UHT had uit het O/GS-onderzoek moeten blijken dat een betalingsregeling is geweigerd door de B/T over toeslagjaar 2012. Dit bleek niet het geval te zijn en er bestaat volgens UHT dan ook geen enkele indicatie dat er recht op een O/GS-tegemoetkoming bestaat over het toeslagjaar 2012. Ook in de bezwaarfase is geen informatie aangeleverd die het recht op een tegemoetkoming O/GS aannemelijk maakt.
De Commissie overweegt dat uit het dossier niet blijkt dat belanghebbende een verzoek om een betalingsregeling heeft gedaan over toeslagjaar 2012. Ook uit andere omstandigheden is deze stelling de Commissie niet aannemelijk geworden. De Commissie adviseert het bezwaar op dit punt ongegrond te verklaren.
Belanghebbende stelt dat de bedragen onder component d (in rekening gebrachte toeslagrente) voor alle toeslagjaren afwijken van de bedragen onder component i (door belanghebbende betaalde rente en kosten). UHT heeft in de bijlage compensatieberekening toegelicht welke bedragen als toeslagrente zijn berekend onder component d en welke kosten en rente in rekening zijn gebracht bij de terugvordering van de KOT, met verwijzingen naar relevante producties. Naar het oordeel van de Commissie zijn deze componenten op de juiste wijze berekend. De Commissie adviseert het bezwaar op dit punt ongegrond te verklaren.
Rentevergoeding voor gemiste KOT
Belanghebbende stelt dat zij niet kan controleren of de component rentevergoeding voor gemiste KOT juist is vastgesteld. UHT heeft deze component gecontroleerd en is tot de conclusie gekomen dat de berekening voor zowel toeslagjaar 2011 als de maanden januari tot en met mei 2012 onjuist is door verkeerde start- en einddata . UHT is voornemens de berekeningen in het voordeel van belanghebbende te wijzigen. UHT heeft ter zitting toegelicht dat het standpunt uit de beschouwing, dat de einddatum voor de rentevergoeding voor gemiste KOT door zal lopen tot de datum van de beslissing op bezwaar, onjuist is omdat de grondslag van de compensatie over het toeslagjaar 2011 en de periode januari tot en met mei 2012 niet wijzigt.
De Commissie onderschrijft het standpunt van UHT en adviseert de berekening van de rentevergoeding voor gemiste KOT over het toeslagjaar 2011 en de maanden januari tot en met mei 2012 te wijzigen zoals beschreven in de bijlage compensatieberekening, met dien verstande dat de einddatum wordt vastgesteld op de datum van de primaire beschikking, 13 juli 2023. De Commissie adviseert het bezwaar op dit punt gegrond te verklaren.
Vergoeding voor immateriële schade
Belanghebbende stelt dat de vergoeding voor immateriële schade dient te worden aangepast. UHT heeft de berekening van deze component gecontroleerd en stelt dat een verkeerde startdatum is gebruikt. Deze startdatum is in het voordeel van belanghebbende en UHT is voornemens om deze datum ongewijzigd te laten. De einddatum is ook onjuist en in het nadeel van belanghebbende. UHT is voornemens om de einddatum te wijzigen naar de dagtekening van de beslissing op bezwaar.
De Commissie onderschrijft het standpunt van UHT met betrekking tot de startdatum van de vergoeding voor immateriële schade. De Commissie adviseert UHT tot aanpassing van de einddatum voor deze component naar de datum van de beslissing op bezwaar, nu de bezwaren met betrekking tot het toeslagjaar 2009 en de rentevergoeding voor gemiste KOT gegrond worden geacht. De Commissie adviseert het bezwaar op dit punt gegrond te verklaren.
Nu het bezwaar met betrekking tot toeslagjaar 2009, de rentevergoeding voor gemiste KOT en de vergoeding voor immateriële schade gegrond wordt geacht, adviseert de Commissie om de berekening van de aanvullende vergoeding van 1% van het subtotaal aan te passen bij het nemen van een beslissing op bezwaar en het bezwaar op dit punt gegrond te verklaren.
Proceskostenvergoeding
Nu het bezwaar naar het oordeel van de Commissie deels gegrond is en het bestreden besluit dient te worden herroepen, adviseert de Commissie om het verzoek om een proceskostenvergoeding in de bezwaarprocedure met betrekking tot de beschikking met kenmerk UHT-DCH toe te wijzen.
Conclusie
Samengevat adviseert de Commissie om:
- Het bezwaar, gericht tegen de beschikking van 13 juli 2023 met kenmerk UHT-DCH, gegrond te verklaren in die zin dat:
- compensatie wordt toegekend op grond van vooringenomenheid over het toeslagjaar 2009;
- de rentevergoeding voor gemiste KOT over het toeslagjaar 2011 en de periode januari tot en met mei 2012 wordt aangepast in het voordeel van belanghebbende;
- de einddatum voor de vergoeding voor immateriële schade wordt vastgesteld op de dagtekening van de beslissing op bezwaar, en
- de aanvullende vergoeding van 1% wordt aangepast.
- een proceskostenvergoeding voor de onderhavige bezwaarprocedure toe te kennen, en om
- De overige bezwaren, gericht tegen de beschikking met kenmerk UHT-DCH ongegrond te verklaren.
Secretaris
Fungerend voorzitter