Ga direct naar de inhoud Ga direct naar de filters Ga direct naar de footer

BAC 2023-14042

Advies van de Bezwaarschriftenadviescommissie hersteloperatie toeslagen

Aan: Belastingdienst/Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen (hierna: UHT)

Betreft: het bezwaarschrift van belanghebbende

Primair besluit: 29 juni 2023 (UHT-DCH)

Hoorzitting: 23 februari 2026

Overdracht advies aan UHT: 10 april 2026

Samenvatting

De Bezwaarschriftenadviescommissie (hierna: de Commissie) adviseert UHT om het bezwaar ongegrond te verklaren.

Onderwerp van advies

Het door gemachtigde namens belanghebbende ingediende bezwaarschrift is gericht tegen de door UHT genomen definitieve beschikking compensatie kinderopvangtoeslag van 29 juni 2023 (UHT-DCH). Deze beschikking wordt hierna aangeduid als het bestreden besluit.

Aan belanghebbende is met toepassing van de Wet hersteloperatie toeslagen (hierna: Wht) compensatie toegekend voor een bedrag van € 82.904,- voor de jaren 2008, 2009, 2010, 2011, 2013 en 2014 en geen compensatie toegekend voor het jaar 2012.

Procesverloop

  • Belanghebbende heeft op 20 januari 2021 verzocht om een herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag (hierna: KOT) over de jaren 2008 tot en met 2014.
  • De Commissie van Wijzen (hierna: CvW) heeft haar beoordeling van het verzoek van belanghebbende op 27 februari 2023 aan de Belastingdienst/Toeslagen (hierna: B/T) toegestuurd. De CvW is van oordeel dat de B/T zich terecht op het standpunt stelt dat de compensatieregeling van artikel 2.1 lid 1 Wht niet van toepassing voor het jaar 2012 en wel van toepassing is voor de toeslagjaren 2008, 2009, 2010, 2011, 2013 en 2014.
  • UHT heeft bij vooraankondiging van 30 mei 2023 aan belanghebbende een compensatie toegekend voor een bedrag van € 82.211,-.
  • UHT heeft bij het bestreden besluit aan belanghebbende een compensatie toegekend voor een bedrag van € 82.904,- voor de jaren 2008, 2009, 2010, 2011, 2013 en 2014 en geen compensatie toegekend voor het jaar 2012.
  • Gemachtigde heeft bij brief van 7 juli 2023, ingekomen op 12 juli 2023, tegen dit besluit een bezwaarschrift ingediend.
  • UHT heeft op 16 september 2025 schriftelijk gereageerd op het bezwaarschrift.
  • Gemachtigde heeft per e-mail van 16 februari 2026 het bezwaarschrift aangevuld.
  • Op 23 februari 2026 heeft een hoorzitting plaatsgevonden waarbij gemachtigde spreekaantekeningen heeft overgelegd. Van de hoorzitting is een verslag gemaakt, dat achter het advies is gevoegd.
  • UHT heeft, ondanks de ter zitting gedane toezegging, geen nadere schriftelijke reactie ingediend.
  • Dit advies wordt uitgebracht door de voorzitter en twee commissieleden.

Ontvankelijkheid en algemene opmerkingen

Niet is geschil is dat het bezwaar ontvankelijk is.

Overwegingen ten aanzien van de bezwaren en het bestreden besluit

De Commissie ziet zich gesteld voor de vraag of UHT de toegekende compensatie op de juiste wijze heeft berekend. De Commissie zal hieronder, mede op grond van hetgeen is besproken tijdens de hoorzitting, het advies toelichten.

Dossier

De Commissie is van opvatting dat aan belanghebbende de op de zaak betrekking hebbende stukken zijn verstrekt. Daarmee is voldaan is aan de in artikel 7:4 lid 2 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) neergelegde verplichting om alle op de zaak betrekking hebbende stukken ter inzage te leggen. UHT heeft schriftelijk gereageerd op het bezwaarschrift. Hierdoor hebben gemachtigde en belanghebbende kennis kunnen nemen van de op de zaak betrekking hebbende stukken en gelegenheid gehad om daarop te reageren. De Commissie ziet in de concrete stellingen van belanghebbende en UHT geen aanleiding om aan te nemen dat in het beschikbaar gestelde dossier stukken zouden ontbreken die van enig belang zouden kunnen zijn geweest voor het door UHT genomen besluit. Daarom adviseert de Commissie UHT om het bezwaar op dit onderdeel ongegrond te verklaren.

Algemene beginselen van behoorlijk bestuur

Met de in bezwaar ingediende beschouwing en de overgelegde stukken, is (thans) geen sprake van strijd met het motiverings- en het zorgvuldigheidsbeginsel. De vraag of die strijd er wel was ten tijde van het bestreden besluit kan onbeantwoord blijven, nu één en ander niet leidt tot het herroepen ervan. De Commissie adviseert UHT om het bezwaar op dit onderdeel ongegrond te verklaren.

Toeslagjaar 2012

Uit de stukken in het dossier maakt de Commissie op dat de aanpassingen van de KOT voor het toeslagjaar 2012 zijn gebaseerd op door belanghebbende zelf doorgegeven wijzigingen en toegezonden jaaropgaven, inkomenswijzigingen en/of op de kinderopvanggegevens. Er zijn geen aanwijzingen dat die gegevens onjuist of onvolledig zijn.

De KOT over dat toeslagjaar is in eerste instantie verhoogd van € 10.239,- naar € 11.265,-op basis van een verlaging van het toetsingsinkomen doorgegeven door belanghebbende. Vervolgens is het KOT-voorschot verlaagd naar € 11.087,- op basis van een hoger toetsingsinkomen doorgegeven door belanghebbende. Dit zijn reguliere wijzigingen.

Eind april 2014 ontvangt B/T gegevens van de kinderopvanginstelling in KOI-viewer. Op basis van deze gegevens, waarvan de juistheid niet door belanghebbende wordt betwist, is het KOT-bedrag verlaagd naar € 2.821,-. Uit de gegevens van de kinderopvanginstelling volgt dat de kinderen van belanghebbende 24 uur per maand opvang genoten in plaats van de 95 uur per maand waarop de voorschotbeschikking was gebaseerd. In september 2015 heeft B/T op verzoek van belanghebbende een specificatie gestuurd van de KOT-berekening voor toeslagjaar 2012.

De Commissie merkt op dat uit de stukken in het dossier blijkt dat de kinderen van belanghebbende in de maanden november en december 2011 ook 24 uur per maand buitenschoolse opvang genoten bij dezelfde kinderopvanginstelling. Ook in de periode januari tot en met juli 2013 genoten de kinderen van belanghebbende 24 uur per maand buitenschoolse opvang bij deze kinderopvanginstelling.

B/T heeft de wettelijke taak om te controleren of de KOT voorschotten in een gegeven toeslagjaar terecht zijn uitgekeerd en, zo niet, om eventueel te veel uitgekeerde bedragen terug te vorderen. B/T mag daarbij vertrouwen op bijvoorbeeld de inkomensgegevens van ouders die in het systeem van de Belastingdienst zijn verwerkt en de gegevens die ouders en kinderopvanginstellingen verstrekken.

De Commissie overweegt dat niet aannemelijk is geworden dat er bij de toekenning, aanpassing of terugvordering van de KOT voor het toeslagjaar 2012 sprake is geweest van institutioneel vooringenomen handelen door B/T dan wel hardheid van het stelsel. De aanpassing van de KOT was gelegen in een te hoog voorschot dat op basis van reguliere wijzigingen opnieuw is berekend. Deze bijstellingen zijn conform de wet uitgevoerd en B/T heeft op 8 september 2015 schriftelijk een specificatie gegeven. De juistheid hiervan is niet in geschil. Dergelijke bijstellingen geven in beginsel ook geen aanspraak op een zogenoemde hardheidstegemoetkoming. Belanghebbende had daar toentertijd bezwaar tegen kunnen maken maar heeft dat niet gedaan. De Commissie heeft geen aanknopingspunten gevonden om hierover in dit geval anders te oordelen. Verder is er ook geen sprake geweest van een onterechte kwalificatie O/GS, zodat ook hierop geen aanspraak kan worden gemaakt.

De vraag kan gesteld worden of de achterwege gebleven, nadere schriftelijke reactie van UHT hierin nog verandering had kunnen brengen. De Commissie is van oordeel dat dit – gegeven deze feitelijke vaststellingen – geen nieuwe gezichtspunten heeft kunnen opleveren.

De Commissie adviseert UHT daarom om dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.

Compensatieberekening

Na bestudering van de stukken in het dossier concludeert de Commissie dat in de compensatieberekening door UHT fouten zijn gemaakt maar dat geen van deze fouten in het nadeel is van belanghebbende. Uit de schriftelijke reactie van UHT blijkt dat bij component o, de gemiste toeslagrente, fouten zijn gemaakt in de berekening doordat verkeerde einddata zijn gebruikt. In al deze compensatie heeft ontvangen dan waar zij recht op heeft. In verband met het verbod op verandering naar een slechtere positie op grond van artikel 7:11 van de Algemene wet bestuursrecht wordt de berekening niet aangepast aangezien dit in het nadeel zou zijn van belanghebbende.

Nu de door UHT gemaakte fouten in het voordeel van belanghebbende zijn, adviseert de Commissie om de gemaakte berekening niet aan te passen en om ook dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.

Proceskostenvergoeding

Nu het bezwaar naar het oordeel van de Commissie ongegrond is, heeft belanghebbende geen recht op een vergoeding van de kosten van rechtsbijstand. De Commissie adviseert UHT om dit verzoek af te wijzen.

Conclusie

Samengevat adviseert de Commissie om het bezwaar ongegrond te verklaren en het verzoek voor een proceskostenvergoeding af te wijzen.

[handtekening]

Secretaris

[handtekening]

Fungerend voorzitter