BAC 2023-14023
Publicatiedatum 27-01-2026
Advies van de Bezwaarschriftenadviescommissie hersteloperatie toeslagen
Aan: Belastingdienst/Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen (hierna: UHT)
Betreft: het bezwaarschrift van belanghebbende
Primair besluit: 7 juni 2023 (UHT-DCH)
Hoorzitting: 20 mei 2025
Overdracht advies aan UHT: 25 juni 2025
Samenvatting
De Bezwaarschriftenadviescommissie (hierna: de Commissie) adviseert UHT om het bezwaar gericht tegen het besluit van 7 juni 2023 met kenmerk UHT-DCH gedeeltelijk gegrond te verklaren. Voorts adviseert de Commissie een proceskostenvergoeding toe te kennen.
Onderwerp van advies
Het door gemachtigde namens belanghebbende ingediende bezwaarschrift is gericht tegen het volgende door UHT genomen besluit.
De beschikking van 7 juni 2023 met kenmerk UHT-DCH, waarin UHT heeft beslist dat aan belanghebbende een definitieve compensatie van € 9.998, aangevuld tot €30.000 op grond van de Catshuisregeling voor het toeslagjaar 2008 wordt toegekend. De reden is dat Belastingdienst/Toeslagen (hierna: B/T) fouten heeft gemaakt bij het toekennen van de kinderopvangtoeslag (hierna: KOT). Voor de jaren 2005 en 2007 en de jaren 2009 tot en met 2012 wordt geen compensatie toegekend.
Procesverloop
- Belanghebbende heeft op 22 december 2021 verzocht om een herbeoordeling van de KOT voor de jaren 2009 tot en met 2011. Na het gesprek met de persoonlijk zaakbehandelaar is besloten dat het jaar 2005 en de jaren 2007 tot en met 2012 worden meegenomen in de herbeoordeling.
- Bij beschikking van 18 mei 2022 heeft UHT belanghebbende geïnformeerd dat zij op basis van de eerste toets in aanmerking komt voor het forfaitaire bedrag van € 30.000 op grond van de Catshuisregeling.
- Op 10 mei 2023 heeft de Commissie van Wijzen (hierna: CvW) advies uitgebracht. De CvW heeft overwogen, kort gezegd, dat niet is gebleken van institutioneel vooringenomen handelen voor de jaren 2005, 2007 en de jaren 2009 tot en met 2012 noch dat er reden is voor toepassing van de hardheidscompensatie.
- UHT heeft bij beschikking van 7 juni 2023 aan belanghebbende een compensatie van € 9.988 voor het jaar 2008 toegekend. Voor de jaren 2005, 2007 en de jaren 2009 tot en met 2012 komt belanghebbende niet in aanmerking voor compensatie.
- Op 14 juli 2023 heeft gemachtigde namens belanghebbende een pro forma bezwaarschrift ingediend.
- Op 14 maart 2024 heeft gemachtigde aanvullende gronden ingediend.
- Op 4 februari 2025 heeft UHT een schriftelijke reactie ingediend.
- Op 20 mei 2025 heeft er een hoorzitting plaatsgevonden. Het hoorverslag is bij dit advies gevoegd.
- Op 27 mei 2025 heeft UHT, daartoe in de gelegenheid gesteld door de Commissie, een aanvullende beschouwing ingediend. Op 4 juni 2025 heeft gemachtigde hierop gereageerd.
- De Commissie bestaande uit de voorzitter, eerste commissielid, tweede commissielid, heeft dit bezwaar behandeld.
Ontvankelijkheid en algemene opmerkingen
Niet in geschil is dat het bezwaarschrift ontvankelijk is.
Overwegingen ten aanzien van de bezwaren en het bestreden besluit
De Commissie ziet zich gesteld voor de beantwoording van de vragen of UHT de toegekende compensatie op de juiste wijze heeft berekend en of UHT terecht en op goede gronden heeft besloten dat belanghebbende geen compensatie of tegemoetkoming krijgt toegekend voor de jaren 2005 en 2007 en de jaren 2009 tot en met 2012. Tevens zal de Commissie ingaan op de overige gronden van bezwaar.
Definitieve compensatieberekening
Belanghebbende stelt het niet eens te zijn met het aan haar toegekende compensatiebedrag. De aan belanghebbende toegekende compensatie bestaat op grond van artikel 2.2 Wht uit verschillende componenten. De hoogte van die componenten is bepaald in artikel 2.3 Wht. In haar schriftelijke reactie heeft UHT de componenten en de hoogte hiervan concreet toegelicht. UHT heeft zich daarin op het standpunt gesteld dat de rentevergoeding gemiste KOT onjuist blijkt te zijn vastgesteld voor het jaar 2008.
Ingevolge artikel 2.3 lid 7 Wht wordt, kortweg, over het bedrag van de gemiste KOT als gevolg van de neerwaartse correctiebeschikking, rente vergoed. De rente wordt berekend over het bedrag aan compensatie voor correctiebesluiten overeenkomstige toepassing van artikel 27 Awir. In de compensatieberekening is de rente over de gemiste KOT opgenomen onder component o. UHT heeft in haar schriftelijke reactie opgemerkt dat in de nieuwe berekening voor het bovenstaande jaar op een lagere rentevergoeding wordt uitgekomen, waardoor dit niet wordt aangepast in de beslissing op bezwaar.
Ten aanzien van de vergoeding immateriële schade adviseert de Commissie UHT om de aanvangsdatum in de beslissing op bezwaar aan te passen naar de eerste vooringenomen handeling in het jaar 2005, nu UHT in haar schriftelijke beschouwing heeft gesteld dat dit jaar alsnog in aanmerking komt voor compensatie. Ter zitting heeft UHT de Commissie meegedeeld dat UHT, indien een bezwaar (gedeeltelijk) gegrond is, bij de berekening van de vergoeding voor immateriële schade - in afwijking van de Wht - als einddatum zal hanteren de datum van de beslissing op het bezwaar. De Commissie adviseert UHT aan haar toezeggingen gevolg te geven en de compensatieberekening dienovereenkomstig aan te passen in de beslissing op bezwaar. De aanpassingen hebben tevens tot gevolg dat ook de aanvullende vergoeding van 1% wijzigt.
Afgewezen toeslagjaren
In haar schriftelijke reacties, naar aanleiding van de bezwaren van belanghebbende, heeft UHT het standpunt ingenomen dat zij voornemens is om belanghebbende alsnog te compenseren over de jaren 2005, 2009 en 2012. De Commissie heeft geen aanleiding UHT in die opvatting niet te volgen. In deze omstandigheden zal de Commissie adviseren het bezwaar van belanghebbende tegen het besluit, voor zover betrekking hebbend op de toeslagjaren 2005, 2009 en 2012, gegrond te verklaren.
Ten aanzien van toeslagjaar 2010 stelt UHT, in haar nadere beschouwing van 27 mei 2025, dat er sprake is van vooringenomen handelen door B/T in dit jaar. Ook stelt UHT zich op het standpunt dat belanghebbende niet in aanmerking komt voor compensatie, nu belanghebbende in dit jaar geen gebruik zou hebben gemaakt van gastouderopvang (productie 45). Het is de Commissie gebleken dat belanghebbende in het jaar 2010 gebruik heeft gemaakt van buitenschoolse opvang in de maanden januari tot en met maart 2010 en de maanden september tot en met december 2010. Dit volgt uit de ingestuurde jaaropgaven door belanghebbende en de KOI-viewer gegevens (pagina 34, 209, 211 van het bezwaardossier). Uit deze gegevens blijkt ook dat belanghebbende geen gebruik heeft gemaakt van gastouderopvang, zoals belanghebbende destijds zelf meermaals heeft aangegeven. De Commissie kan daarom het standpunt van UHT volgen dat belanghebbende niet in aanmerking komt voor compensatie. Ondanks dat er sprake is van vooringenomenheid door het niet toesturen van de uitvraagbrieven, althans deze zijn niet terug te vinden in de systemen van B/T, is het niet aannemelijk geworden, gezien bovenstaande feiten en omstandigheden, dat er in dit jaar sprake is geweest van gastouderopvang. Er is in dit jaar derhalve terecht enkel KOT toegekend voor de opvang die is afgenomen bij de buitenschoolse opvang, waardoor de KOT niet onterecht is verlaagd. De Commissie adviseert dan ook het bezwaar op dit punt ongegrond te verklaren.
Met betrekking tot de jaren 2007 en 2011 overweegt de Commissie dat de KOT in deze jaren is bijgesteld naar aanleiding van een wijziging in het toetsingsinkomen en of door de belanghebbende aangeleverde informatie en doorgevoerde wijzigingen. De verplichting tot de terugbetaling van de KOT is in deze jaren derhalve het gevolg geweest van reguliere correcties die niet kunnen worden aangemerkt als vooringenomen handelen. De correcties wijzen ook niet op onbillijkheden vanwege de hardheid waarmee het wettelijk systeem werd toegepast. Daarbij ligt het in de aard van een voorschot besloten, dat de werkelijke, later vast te stellen aanspraak, op een lager bedrag kan uitkomen. De Commissie adviseert dan ook om het bezwaar gericht tegen toeslagjaren 2007 en 2011 ongegrond te verklaren.
Niet herbeoordeeld toeslagjaar
Gemachtigde heeft in deze bezwaarprocedure aangevoerd dat belanghebbende voor toeslagjaar 2006 ook een herbeoordeling wenst. De Commissie kan daarover pas een advies uitbrengen, als UHT na herbeoordeling van dit jaar een voor bezwaar vatbaar besluit heeft genomen. Indien deze herbeoordeling niet leidt tot een voor belanghebbende bevredigend besluit, dan kan zij, indien zij dat wenst, tegen die beschikking een bezwaarschrift indienen, waarna de Commissie daarover een advies zal uitbrengen.
Proceskostenvergoeding
Nu het primaire besluit van 7 juni 2023 met kenmerk UHT-DCH naar de mening van de Commissie dient te worden herroepen, adviseert de Commissie om het verzoek voor vergoeding van de kosten van rechtsbijstand in deze bezwaarprocedure toe te wijzen. Op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht heeft belanghebbende recht op een forfaitaire vergoeding op basis van 2 procespunten (bezwaarschrift en verschijnen hoorzitting) met een wegingsfactor 2. Net als in eerdere zaken adviseert de Commissie daarbij de hoogste vergoeding per procespunt toe te kennen.
Conclusie
Samengevat adviseert de Commissie om het bezwaar gericht tegen het besluit van 7 juni 2023 met kenmerk UHT-DCH gedeeltelijk gegrond te verklaren en een proceskostenvergoeding toe te kennen.
Secretaris
Fungerend voorzitter