BAC 2023-14014
Publicatiedatum 27-01-2026
Advies van de Bezwaarschriftenadviescommissie hersteloperatie toeslagen
Aan: Belastingdienst/Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen (hierna: UHT)
Betreft: het bezwaarschrift van belanghebbende
Primaire besluiten: 5 juli 2023 (UHT-DCH) en 31 juli 2023 (UHT-O OGS B)
Hoorzitting: 26 mei 2025 om 11:00 uur
Overdracht advies aan UHT: 21 juli 2025
Samenvatting
De Bezwaarschriftenadviescommissie (hierna: de Commissie) adviseert UHT om het bezwaar gedeeltelijk gegrond te verklaren.
Onderwerp van advies
Het door gemachtigde namens belanghebbende ingediende bezwaarschrift is gericht tegen de door UHT genomen definitieve beschikkingen compensatie kinderopvangtoeslag van 5 juli 2023 (UHT-DCH)
Aan belanghebbende is met toepassing van de Wet hersteloperatie toeslagen (hierna: Wht) compensatie toegekend voor een bedrag van € 53.484,- voor de jaren 2007, 2008 en 2009.
Procesverloop
- Belanghebbende heeft op 27 januari 2021 verzocht om een herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag (hierna: KOT) over de jaren 2007, 2008 en 2009.
- UHT heeft bij beschikking van 10 juni 2021 aan belanghebbende medegedeeld dat zij wel in aanmerking komt voor een betaling van €30.000,-.
- UHT heeft bij vooraankondiging van 6 april 2023 aan belanghebbende een compensatie toegekend voor een bedrag van € 52.629,-.
- UHT heeft bij de bestreden beschikking aan belanghebbende een compensatie toegekend voor een bedrag van € 53.484,-.
- Gemachtigde heeft bij brief van 9 augustus 2023, ingekomen op 9 augustus 2023, tegen deze beschikking een bezwaarschrift ingediend.
- UHT heeft op 10 augustus 2024 schriftelijk gereageerd op het bezwaarschrift.
- Gemachtigde heeft bij brief van 23 mei 2025 het bezwaarschrift aangevuld.
- Op 26 mei 2025 heeft een hoorzitting plaatsgevonden. Van de hoorzitting is een verslag gemaakt, dat achter het advies is gevoegd.
- UHT heeft, daartoe door de Commissie ter zitting verzocht, op 28 mei 2025 een nadere schriftelijke reactie ingediend. Gemachtigde heeft daar op 16 juni 2025 op gereageerd.
- Dit advies wordt uitgebracht door de voorzitter, eerste commissielid, tweede commissielid.
Ontvankelijkheid en algemene opmerkingen
Niet in geschil is dat het bezwaarschrift ontvankelijk is.
Overwegingen ten aanzien van de bezwaren en het bestreden besluit
De Commissie ziet zich gesteld voor de vraag of UHT de toegekende compensatie op de juiste wijze heeft berekend.
Motivering- en zorgvuldigheidsbeginsel
Belanghebbende stelt dat sprake is van schending van het zorgvuldigheids- en het motiveringsbeginsel. Zonder volledig dossier is het voor haar niet inzichtelijk hoe de compensatieberekening tot stand is gekomen
UHT heeft het dossier en een schriftelijke reactie aan belanghebbende verstrekt. Belanghebbende heeft gelegenheid gehad om de ontvangen gegevens te beoordelen en de gronden van haar bezwaar zo nodig verder aan te vullen. Op de hoorzitting heeft belanghebbende gelegenheid gehad om nader te reageren op de ontvangen gegevens en hierop een toelichting te vragen.
De Commissie is van oordeel dat UHT de bestreden beschikkingen voldoende heeft toegelicht. Hiernaast geldt dat door middel van het indienen van het schriftelijke verweer, de uitgebreide uitleg met behulp van de overzichten van het “Landelijk Incasso Centrum” (hierna LIC) en de overige producties de bestreden beschikkingen voldoende zijn onderbouwd.
De Commissie adviseert UHT om het bezwaar op dit punt ongegrond te verklaren.
Gemachtigde stelt dat belanghebbende niet het juiste KOT bedrag zou hebben gekregen. Zij heeft verder geen stukken of argumenten aangedragen op basis waarvan de Commissie zou kunnen opmaken of belanghebbende inderdaad recht zou hebben op meer KOT dan is toegekend.
De Commissie overweegt verder dat de Wht is bedoeld voor herstel van vooringenomen handelen, hardheid of een onterechte O/GS-kwalificatie en niet ziet op de herziening van definitieve KOT beschikkingen. Een beoordeling daarvan valt dus buiten de reikwijdte van de Wht. De Commissie adviseert UHT daarom om dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.
Ingevolge artikel 2.1 lid 1 Wht komt voor een compensatie in aanmerking de ouder van wie aannemelijk is dat de vaststelling van zijn aanspraak op KOT in enig jaar onderdeel is geweest van bijzondere hardheid of van een institutioneel vooringenomen handelwijze van de B/T. Toekenning van compensatie blijft, ingevolge artikel 2.1 lid 2 Wht, achterwege als sprake is van ernstige onregelmatigheden die aan de ouder toerekenbaar zijn. Dit laatste is onder meer het geval in situaties waarin een belanghebbende evident geen recht had op KOT. Volgens UHT was daarvan sprake in de maanden maart tot en met december 2009 nu belanghebbende in die periode geen gebruik heeft gemaakt van geregistreerde kinderopvang. Belanghebbende heeft de juistheid van dat standpunt bestreden zonder aannemelijk te maken, waar die geregistreerde kinderopvang zou zijn afgenomen. In uitzonderlijke situaties kan sprake zijn van hardheid. Niet, althans onvoldoende, is gebleken, dat belanghebbende in zodanige, voor de toepassing van dit beleid relevante, uitzonderlijke omstandigheden heeft verkeerd. Belanghebbende komt voor het jaar maart tot en met december 2009 dus niet in aanmerking voor compensatie op grond van de Wht.
De Commissie adviseert UHT daarom om dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.
De juistheid van de verschillende onderdelen van de compensatieberekening en de OGS-tegemoetkoming zijn door gemachtigde bij gebrek aan wetenschap betwist. Inmiddels beschikt belanghebbende over het bezwaardossier en heeft de zaaksbehandelaar van UHT bij de schriftelijke beschouwing de compensatieberekening toegelicht.
In de schriftelijke reactie na de hoorzitting heeft UHT bevestigd dat zij ten onrechte voor de toeslagjaren 2007, 2008 en 2009 geen compensatie heeft toegekend voor juridische bijstand – component m van de compensatieberekening. Bij de beslissing op bezwaar is UHT voornemens – zo begrijpt de Commissie – om aan belanghebbende hier alsnog voor te compenseren.
De Commissie merkt op dat de aanpassingen in de berekening tevens tot gevolg heeft dat ook andere bedragen wijzigen: de vergoeding van de immateriële schade en de aanvullende vergoeding van 1% dienen te worden doorberekend tot de datum van de beslissing op bezwaar.
Gelet op het voorgaande adviseert de Commissie UHT om dit onderdeel van het bezwaar gegrond te verklaren en om conform de toezeggingen in de nadere schriftelijke reactie te beslissen op bezwaar.
Deze bezwaarschriftprocedure heeft alleen betrekking op de toekenning van de standaard vergoedingen en niet op de vergoeding van de werkelijke schade. Hiervoor is de procedure bij de Commissie Werkelijke Schade (hierna: CWS) bestemd. Indien belanghebbende voor aanvullende compensatie voor werkelijke schade in aanmerking wil komen, dient zij daartoe een verzoek tot vergoeding van de werkelijke schade in te dienen, dat door UHT voor advies wordt voorgelegd aan de CWS. Dit CWS-advies is vervolgens leidend bij het nemen van het besluit met betrekking tot de aanvullende compensatie.
Proceskostenvergoeding
Nu het bezwaar naar de mening van de Commissie gedeeltelijk gegrond is en het advies van de Commissie ertoe strekt om de beschikking met kenmerk UHT-DCH (gedeeltelijk) te herroepen, adviseert de Commissie UHT tevens de kosten van rechtsbijstand in deze procedure te vergoeden op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht. De Commissie adviseert om hierbij de hoogste vergoeding toe te kennen met wegingsfactor twee.
Conclusie
Samengevat adviseert de Commissie om het bezwaar gedeeltelijk gegrond te verklaren en om:
- De beschikking met kenmerk UHT-DCH te herroepen en de compensatieberekening aan te passen conform bovenstaande overwegingen; en
- Een proceskostenvergoeding toe te kennen met wegingsfactor twee tegen de hoogste vergoeding per procespunt.
Secretaris
Fungerend voorzitter