Ga direct naar de inhoud Ga direct naar de filters Ga direct naar de footer

BAC 2023-14006

Advies van de Bezwaarschriftenadviescommissie hersteloperatie toeslagen

Aan: Belastingdienst/Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen (hierna: UHT)

Betreft: het bezwaarschrift van belanghebbende

Primair besluit: 28 juli 2023 (UHT-DCHA)

Hoorzitting: 2 juni 2026

Overdracht advies aan UHT: 4 juni 2026

Samenvatting

De Bezwaarschriftenadviescommissie (hierna: de Commissie) adviseert UHT om het bezwaar ongegrond te verklaren en geen proceskostenvergoeding toe te kennen.

Onderwerp van advies

Gemachtigde heeft namens belanghebbende bezwaar gemaakt tegen het besluit van 28 juli 2023 waarbij belanghebbende is meegedeeld:

-      dat er bij de herbeoordeling over de toeslagjaren 2011 en 2012 niet is gebleken van fouten en dat belanghebbende daarom geen recht heeft op compensatie.

Procesverloop

  • Belanghebbende heeft op 18 november 2020 een verzoek gedaan voor een herbeoordeling van zijn kinderopvangtoeslag (hierna: KOT) voor de jaren 2006 tot en met 2019. De herbeoordeling heeft zich in eerste instantie beperkt tot de jaren 2011 en 2012.
  • Op 22 juni 2023 heeft de Commissie van Wijzen (hierna: CvW) haar beoordeling kenbaar gemaakt. De CvW heeft overwogen, kort gezegd, dat voor de toeslagjaren 2011 en 2012 geen herstelregeling van toepassing is.
  • Bij brief van 28 juli 2023 is het bestreden besluit genomen.
  • Op 7 augustus 2023 heeft gemachtigde tegen dit besluit bezwaar gemaakt.
  • Op 19 april 2024 heeft UHT een schriftelijke reactie ingediend.
  • Op 20 mei 2026 heeft mr. B. Wernik, opvolgend gemachtigde, aanvullende gronden van bezwaar ingediend.
  • Op 2 juni 2026 heeft een hoorzitting plaatsgevonden. Van de hoorzitting is een verslag gemaakt, dat achter het advies is gevoegd.
  • Dit advies wordt uitgebracht door de voorzitter en twee commissieleden.

Ontvankelijkheid

Niet in geschil is dat het bezwaar ontvankelijk is.

Overwegingen ten aanzien van de bezwaren en het bestreden besluit

Schending motiverings- en zorgvuldigheidsbeginsel
Met de door UHT in bezwaar ingediende beschouwing en de overgelegde stukken - waaronder een uitgebreide uitleg met behulp van de Landelijke Incasso Centrum (LIC) overzichten - en de overige producties, is in ieder geval thans geen sprake van strijd met de door belanghebbende genoemde algemene beginselen van behoorlijk bestuur. De vraag of die strijd er wel was ten tijde van het bestreden besluit behoeft in dit geval geen beantwoording. Wat nader is onderbouwd en uiteengezet omtrent de voorbereiding en motivering van het bestreden besluit leidt immers niet tot het herroepen daarvan.

Toeslagjaren 2008, 2009 en 2010 ten onrechte niet herbeoordeeld
Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat de toeslagjaren 2008, 2009 en 2010 ten onrechte niet zijn meegenomen in de herbeoordeling. In zijn ogen had dit moeten gebeuren, omdat ook over deze toeslagjaren sprake was van KOT.

De Commissie stelt vast dat ter hoorzitting is gebleken dat bij besluit van
15 september 2023 belanghebbende is meegedeeld dat hij niet in aanmerking komt voor compensatie voor de toeslagjaren 2008, 2009 en 2010. Belanghebbende gaf ter hoorzitting aan dat hij dit besluit niet heeft ontvangen. Evenwel bleek dat hij bezwaar had tegen dit besluit, met name de herbeoordeling van toeslagjaar 2010.

De Commissie overweegt dat het bevreemdend is dat in de beschouwing, die van latere datum is en gerelateerd aan het bezwaar voor de jaren 2011 en 2012, namelijk 19 april 2024, is aangegeven dat het verzoek tot herbeoordeling over de jaren 2008, 2009 en 2010 zou zijn doorgezet naar de juiste afdeling, terwijl er dus al een besluit was genomen over deze jaren.

De Commissie adviseert daarom om belanghebbende, voordat de beslissing op bezwaar wordt genomen, in de gelegenheid te stellen zich uit te laten over deze toeslagjaren temeer nu ter hoorzitting is gebleken dat met name de latere betaling over toeslagjaar 2010 vragen opriep.

Herbeoordeelde toeslagjaren
De KOT voor 2011 en 2012, is, naar op grond van de stukken aannemelijk is geworden, bijgesteld naar aanleiding van een gewijzigd toetsingsinkomen, stopzetten van opvang voor een kind per oktober 2011 en minder afgenomen opvanguren.

De slotsom is dat de verplichting tot terugbetaling van de KOT het gevolg is van reguliere correcties. Dat kan niet worden aangemerkt als institutioneel vooringenomen handelen. De reguliere correcties wijzen ook niet op onbillijkheden vanwege de hardheid waarmee het wettelijk systeem werd toegepast.

Daarbij ligt het in de aard van een voorschot besloten dat de werkelijke, later vast te stellen aanspraak, op een lager bedrag kan uitkomen. Aan een voorschot kan in beginsel niet het gerechtvaardigde vertrouwen worden ontleend dat een definitieve aanspraak op een daarmee overeenstemmend bedrag bestaat.

Verrekeningen
Het enkele feit dat er verrekeningen in 2011 en 2012 hebben plaatsgevonden betekent niet dat over deze jaren met vooringenomenheid is gehandeld. Niet is gebleken dat de Belastingdienst/Toeslagen heeft verrekend in strijd met de destijds geldende regels. Tot slot is gesteld maar onvoldoende aannemelijk gemaakt dat belanghebbende een betalingsregeling voor een terugvordering van KOT is geweigerd.

Proceskostenvergoeding
Gemachtigde heeft een verzoek gedaan tot vergoeding van de kosten voor rechtsbijstand. Omdat de bezwaren ongegrond zijn, komt belanghebbende op grond van artikel 7:15, lid 2, Awb niet in aanmerking voor toekenning van een proceskostenvergoeding.

Conclusie

Samengevat adviseert de Commissie om

  • het bezwaar ongegrond te verklaren;
  • het bestreden besluit niet te herroepen en
  • geen proceskostenvergoeding toe te kennen.

[handtekening]

Secretaris

[handtekening]

Fungerend voorzitter