BAC 2023-13982
Publicatiedatum 27-01-2026
Advies van de Bezwaarschriftenadviescommissie hersteloperatie toeslagen
Aan: Belastingdienst/Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen (hierna: UHT)
Betreft: het bezwaarschrift van belanghebbende
Primaire besluiten: 25 april 2023 (UHT-DCH) en 27 juni 2023 (UHT-O OGS B)
Hoorzitting: 14 januari 2025 om 15.00 uur
Overdracht advies aan UHT: 28 februari 2025
Samenvatting
De Bezwaarschriftenadviescommissie (hierna: de Commissie) adviseert UHT om de bezwaren gericht tegen de beschikking van 25 april 2023 met kenmerk UHT-DCH gedeeltelijk gegrond te verklaren en de bezwaren gericht tegen de beschikking van 27 juni 2023 met kenmerk UHT-O OGS B ongegrond te verklaren. Voorts adviseert de Commissie een proceskostenvergoeding toe te kennen.
Onderwerp van advies
De door gemachtigde namens belanghebbende ingediende bezwaarschriften worden geacht te zijn gericht tegen de volgende door UHT genomen besluiten.
- De beschikking van 25 april 2023 met kenmerk UHT-DCH waarin UHT heeft beslist dat aan belanghebbende een definitieve compensatie van € 64.608 over de periode januari tot en met september 2013, het jaar 2014, de periode september tot en met december 2015 en de periode februari tot en met mei 2016 wordt toegekend. De reden is dat Belastingdienst/Toeslagen (hierna: B/T) fouten heeft gemaakt bij de toekenning van de kinderopvangtoeslag (hierna: KOT). Voor de jaren 2011, 2012, de periode oktober tot en met december 2013, de periode januari tot en met augustus 2015 en de periode januari en juni tot en met december 2016 wordt geen compensatie toegekend.
- De beschikking van 27 juni 2023 met kenmerk UHT-O OGS B waarin UHT heeft beslist dat aan belanghebbende een opzet/grove schuld (hierna: O/GS) tegemoetkoming voor de periode oktober tot en met december 2013 en de periode januari tot en met augustus 2015 wordt toegekend.
Procesverloop
- Belanghebbende heeft op 11 februari 2021 verzocht om een herbeoordeling van de KOT. De herbeoordeling ziet op de jaren 2011 tot en met 2016.
- Bij beschikking van 17 juli 2021 heeft UHT belanghebbende geïnformeerd dat zij op basis van de eerste toets in aanmerking komt voor het forfaitaire bedrag van € 30.000.
- Op 13 oktober 2022 heeft de Commissie van Wijzen (hierna: CvW) advies uitgebracht. De CvW heeft overwogen, kort gezegd, dat de herstelregelingen niet van toepassing zijn voor de jaren 2011 en 2012. Voor de periode oktober tot en met december 2013, de periode januari tot en met augustus 2015 en de periode januari en juni tot en met december 2016 wordt tevens geen compensatie toegekend, nu er sprake is van evident geen recht. Belanghebbende komt voor de periode oktober tot en met december 2013 en de periode januari tot en met augustus 2015 wel in aanmerking voor een O/GS tegemoetkoming.
- UHT heeft bij beschikking van 25 april 2023 aan belanghebbende een compensatie toegekend van € 64.608 over de periode januari tot en met september 2013, het jaar 2014, de periode september tot en met december 2015 en de periode februari tot en met mei 2016.
- Gemachtigde heeft bij brief van 23 mei 2023 tegen deze beschikking een bezwaarschrift ingediend.
- UHT heeft bij beschikking van 27 juni 2023 aan belanghebbende een O/GS tegemoetkoming toegekend voor de periode oktober tot en met december 2013 en de periode januari tot en met augustus 2015.
- Gemachtigde heeft bij brief van 3 augustus 2023 tegen deze beschikking een bezwaarschrift ingediend.
- UHT heeft op 26 juli 2024 en 31 oktober 2024 schriftelijk gereageerd op de bezwaarschriften.
- Op 14 januari 2025 heeft een hoorzitting plaatsgevonden. Van de hoorzitting is een verslag gemaakt, dat achter het advies is gevoegd.
- UHT heeft op 22 januari 2025, daartoe in de gelegenheid gesteld door de Commissie, een aanvullende beschouwing toegestuurd. Op 10 februari 2025 heeft gemachtigde hierop gereageerd.
- De Commissie bestaande uit de voorzitter, eerste commissielid, tweede commissielid, heeft dit advies behandeld.
Ontvankelijkheid en algemene opmerkingen
Niet in geschil is dat de bezwaarschriften ontvankelijk zijn.
Overwegingen ten aanzien van de bezwaren en het bestreden besluit
De Commissie ziet zich gesteld voor de beantwoording van de vragen of UHT de toegekende compensatie en tegemoetkoming op de juiste wijze heeft berekend en of terecht en op goede gronden is geconcludeerd dat belanghebbende geen compensatie of tegemoetkoming krijgt toegekend voor de toeslagjaren 2011 en 2012 en de periode oktober tot en met december 2013. Voorts zal de Commissie ingaan op de overige gronden van bezwaar.
Definitieve compensatieberekening
Belanghebbende stelt het niet eens te zijn met het aan haar toegekende compensatiebedrag. De aan belanghebbende toegekende compensatie bestaat op grond van artikel 2.2 Wht uit verschillende componenten. De hoogte van die componenten is bepaald in artikel 2.3 Wht. In haar schriftelijke reactie heeft UHT de componenten en de hoogte hiervan concreet toegelicht. UHT heeft zich daarin op het standpunt gesteld dat de rentevergoeding gemiste KOT onjuist blijkt te zijn vastgesteld voor de periode januari tot en met september 2013, het jaar 2014, de periode september tot en met december 2015 en de periode februari tot en met mei 2016. Ingevolge artikel 2.3 lid 7 Wht wordt, kortweg, over het bedrag van de gemiste KOT als gevolg van de neerwaartse correctiebeschikking, rente vergoed. De rente wordt berekend over het bedrag aan compensatie voor correctiebesluiten overeenkomstige toepassing van artikel 27 Awir. In de compensatieberekening is de rente over de gemiste KOT opgenomen onder component o. UHT heeft in haar schriftelijke reactie opgemerkt dat in de nieuwe berekening voor het bovenstaande jaar en de bovenstaande perioden op een hogere rentevergoeding wordt uitgekomen. Ten aanzien van component d van de compensatieberekening, de heffingsrente, stelt UHT zich op het standpunt dat deze bedragen juist zijn vastgesteld.
Voorts heeft UHT de Commissie meegedeeld dat UHT, indien een bezwaar (gedeeltelijk) gegrond is, bij de berekening van de vergoeding voor immateriële schade - in afwijking van de Wht - als einddatum zal hanteren de datum van de beslissing op het bezwaar. De Commissie heeft geen aanleiding UHT in bovenstaande standpunten niet te volgen. De Commissie adviseert UHT daarom aan haar toezeggingen uit de schriftelijke reactie gevolg te geven en de compensatieberekening dienovereenkomstig aan te passen in de beslissing op bezwaar. De aanpassingen hebben tevens tot gevolg dat ook de aanvullende vergoeding van 1% wijzigt.
De overige bedragen in de compensatieberekening zijn vastgesteld aan de hand van de gegevens die UHT tot haar beschikking had. De bedragen zijn afkomstig van onder meer de voorschotbeschikkingen en de definitieve beschikkingen. De Commissie is van oordeel dat met het indienen van de schriftelijke reacties, de betaal- en verreken overzichten en de overige producties, de compensatieberekening en daarmee het bestreden besluit voldoende is onderbouwd en in zoverre zorgvuldig tot stand is gekomen. Uit de stellingname van gemachtigde volgt niet dat in het beschikbaar gestelde bezwaardossier nog specifieke stukken zouden ontbreken die van enig belang zijn geweest bij de door UHT genomen besluiten. Naar het oordeel van de Commissie zijn er dan ook geen aanknopingspunten dat belanghebbende in haar procesbelang is geschaad. Nog los van de vraag of dat beginsel als zodanig van toepassing is in de bezwaarfase, volgt de Commissie gemachtigde daarom niet in de stelling dat het beginsel van ‘equality of arms’ geschonden zou zijn.
Toeslagjaar 2011 en de periode oktober tot en met december 2013
Belanghebbende betwist dat zij per 1 juli 2011 de KOT heeft stopgezet, temeer nu in het overgelegde XML-bestand de DigiD-gegevens van belanghebbende ontbreken. Ten aanzien van de periode oktober tot en met december 2013 betoogt belanghebbende dat het niet de bedoeling kan zijn dat de evident geen recht toets plaatsvindt aan de hand van de gegevens uit de KOI-viewer.
Uit het bezwaardossier volgt dat belanghebbende op 4 mei 2011 de KOT per 1 juli 2011 zou hebben stopgezet. In aansluiting daarop en in samenhang met een verhoogd toetsingsinkomen, is de KOT bij beschikking van 29 juni 2011 neerwaarts gecorrigeerd. In de beschikking is verwezen naar een doorgegeven wijziging in de situatie van belanghebbende met als ingangsdatum 1 juli 2011. Geplaatst tegen de achtergrond van deze feiten en omstandigheden overweegt de Commissie dat het onvoldoende aannemelijk is geworden dat er bij de toekenning, aanpassing of terugvordering van de KOT voor toeslagjaar 2011 sprake is geweest van institutioneel vooringenomen handelen door B/T dan wel hardheid van het stelsel. De Commissie heeft ook in de stelling van gemachtigde dat in het XML-bestand de DigiD-gegevens van belanghebbende ontbreken, geen aanknopingspunten gevonden om hier anders over te oordelen. Hierbij tekent de Commissie aan dat de KOT-viewer 2011 alleen gegevens bevat over opvang in de periode tot 1 juli 2011.
Voorts overweegt de Commissie dat ingevolge artikel 2.1, lid 1, van de Wht voor compensatie in aanmerking komt de ouder van wie aannemelijk is dat de vaststelling van zijn aanspraak op KOT in enig jaar onderdeel is geweest van bijzondere hardheid of van een institutionele vooringenomen handelswijze van B/T. Toekenning van compensatie blijft, ingevolge artikel 2.1, lid 2, van de Wht, achterwege als sprake is van ernstige onregelmatigheden die aan de ouder toerekenbaar zijn. Dit laatste is onder meer het geval in de situatie waarin een belanghebbende evident geen recht had op KOT. Volgens UHT was daarvan sprake in de periode oktober tot en met december 2013. De Commissie ziet geen aanleiding om van dit standpunt af te wijken, nu uit de door belanghebbende opgestuurde informatie volgt dat in deze periode geen geregistreerde opvang is genoten. Dit komt tevens overeen met de informatie uit de KOI-viewer. De Commissie adviseert UHT derhalve om de bezwaren op dit punt ongegrond te verklaren.
O/GS tegemoetkoming
Belanghebbende stelt dat de hoogte van de O/GS tegemoetkoming onjuist is vastgesteld. Op grond van artikel 2.6 van de Wht heeft belanghebbende voor de periode oktober tot en met december 2013 en de periode januari tot en met augustus 2015 een tegemoetkoming ontvangen. UHT erkent dat in de bestreden beschikking de berekening van deze tegemoetkoming onjuist is toegelicht. Dit motiveringsgebrek heeft UHT in haar schriftelijke reactie hersteld. UHT heeft zich daarin op het standpunt gesteld dat het tegemoetkomingsbedrag van € 2.963 juist is. De Commissie heeft geen aanleiding om van bovenstaande standpunten af te wijken. De Commissie is verder van oordeel dat met het indienen van de schriftelijke reacties en de overige producties, het bestreden besluit voldoende is onderbouwd en in zoverre zorgvuldigheid tot stand is gekomen.
Tot slot overweegt de Commissie dat er geen aanknopingspunten zijn gevonden om te oordelen dat er voor het jaar 2012 sprake is geweest van een weigering van een door belanghebbende gevraagde betalingsregeling. De Commissie adviseert derhalve om de in dit kader opgeworpen bezwaargrond ongegrond te verklaren.
Niet herbeoordeeld toeslagjaar
Belanghebbende heeft ter zitting aangevoerd dat zij over alle toeslagjaren waarin KOT is aangevraagd een herbeoordeling wenst. Uit de B/T systemen is gebleken dat belanghebbende ook in toeslagjaar 2010 KOT heeft aangevraagd. Dit jaar is niet meegenomen in de herbeoordeling. De Commissie kan over dit jaar pas een advies uitbrengen, als UHT na herbeoordeling van dit jaar een voor bezwaar vatbaar besluit heeft genomen. Indien deze herbeoordeling niet leidt tot een voor belanghebbende bevredigend besluit, dan kan zij, indien zij dat wenst, tegen die beschikking een bezwaarschrift indienen, waarna de Commissie daarover een advies zal uitbrengen.
Proceskosten
Nu het primaire besluit met kenmerk UHT-DCH naar de mening van de Commissie dient te worden herroepen, adviseert de Commissie om het verzoek voor vergoeding van de kosten van rechtsbijstand in deze bezwaarprocedure toe te wijzen. Op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht heeft belanghebbende recht op een forfaitaire vergoeding op basis van 2 procespunten (bezwaarschrift en verschijnen hoorzitting) met een wegingsfactor 2. Net als in eerdere zaken adviseert de Commissie daarbij de hoogste vergoeding per procespunt toe te kennen.
Conclusie
Samengevat adviseert de Commissie om de bezwaren gericht tegen de beschikking met kenmerk UHT-DCH gedeeltelijk gegrond te verklaren en de bezwaren gericht tegen de beschikking met kenmerk UHT-O OGS B ongegrond te verklaren. Voorts adviseert de Commissie een proceskostenvergoeding toe te kennen.
Secretaris
Fungerend voorzitter