BAC 2023-13980
Publicatiedatum 27-01-2026
Advies van de Bezwaarschriftenadviescommissie hersteloperatie toeslagen
Aan: Belastingdienst/Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen (hierna: UHT)
Betreft: het bezwaarschrift van belanghebbende
Primaire besluiten: 23 september 20232 (UHT-DCI A, UHT-DH5 A en UHT-O OSG B)
Hoorzitting: 10 juni 2025
Overdracht advies aan UHT: 13 augustus 2025
Samenvatting
De Bezwaarschriftenadviescommissie (hierna: de Commissie) adviseert UHT om het bezwaar ongegrond te verklaren.
Onderwerp van advies
De door gemachtigde namens belanghebbende ingediende bezwaarschriften zijn gericht tegen de door UHT genomen definitieve beschikkingen compensatie kinderopvangtoeslag.
Aan belanghebbende is met toepassing van de Catshuisregeling een bedrag van €30.000 toegekend. Volgens UHT is niet gebleken dat belanghebbende recht heeft op meer compensatie.
Op 5 november 2022 is de Wet van 2 november 2022 houdende regels ten behoeve van de hersteloperatie toeslagen (Wet hersteloperatie toeslagen, hierna: Wht) in werking getreden. Gelet op het bepaalde in de artikelen 8.6 en 9.2 Wht moeten de bestreden beschikkingen geacht worden te zijn genomen op grond van artikel 2.1 en verder van de Wht.
Procesverloop
- Belanghebbende heeft verzocht om een herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag (hierna: KOT).
- UHT heeft bij beschikking van 2 maart 2021 aan belanghebbende medegedeeld dat zij in aanmerking komt voor een betaling van € 30.000.
- De Commissie van Wijzen heeft op 4 augustus 2022 geadviseerd dat belanghebbende evident geen recht op KOT heeft voor de toeslagjaren 2008 en 2011.
- UHT heeft inde bestreden beschikking met kenmerken UHT-DCI A en UHT- DH5 A medegedeeld dat belanghebbende geen compensatie krijgt voor de toeslagjaren 2008 en 2011.
- UHT heeft in de bestreden beschikking met kenmerk UHT-O OGS B medegedeeld dat aangezien het bedrag van de O/GS tegemoetkoming lager is dan de € 30.000 die belanghebbende heeft ontvangen, er geen nabetaling volgt.
- Voormalig gemachtigde heeft bij brief van 5 juli 2023, ingekomen op 5 juli 2023, tegen deze beschikkingen afzonderlijk bezwaar gemaakt.
- Gemachtigde heeft bij brief van 6 maart 2024 de bezwaarschriften aangevuld.
- UHT heeft op 30 juli 2024 schriftelijk gereageerd op de bezwaarschriften.
- Op 10 juni 2025 heeft een hoorzitting plaatsgevonden. Van de hoorzitting is een verslag gemaakt, dat achter het advies is gevoegd.
- UHT heeft, daartoe door de Commissie ter zitting verzocht, op 13 juni 2025 een nadere aanvullende beschouwing ingediend.
- Gemachtigde heeft op 20 juni 2025 gereageerd op de aanvullende beschouwing van UHT.
- UHT heeft op 23 juni 2025 per e-mail gereageerd op gemachtigde.
- Gemachtigde heeft op 24 juni 2025 ook per e-mail gereageerd op UHT.
- Dit advies wordt uitgebracht door de voorzitter, eerste commissielid, tweede commissielid.
Ontvankelijkheid en algemene opmerkingen
Niet in geschil is dat de bezwaarschriften ontvankelijk zijn.
Overwegingen ten aanzien van de bezwaren en het bestreden besluit
Persoonlijk dossier
Belanghebbende voert aan dat zij niet de beschikking heeft over de volledige informatie, omdat hij niet de beschikking heeft over zijn persoonlijk dossier en/of het volledige bezwaardossier. De Commissie overweegt hierover het volgende.
De Commissie is een onafhankelijke bezwaarschriftenadviescommissie in de zin van artikel 7:13 Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb). Voor de procedure bij de Commissie gelden de procedurele waarborgen van de Awb en tegen beslissingen op bezwaar van UHT, volgend op de adviezen van de Commissie, kan een belanghebbende rechtsmiddelen instellen bij de rechter.
Op grond van artikel 7:4 lid 2 Awb en artikel 5.2 leden 3 en 4 Wht heeft een belanghebbende voorafgaand aan de hoorzitting bij de Commissie recht op afschriften van de op de zaak betrekking hebbende stukken. Het verweerschrift van UHT met de bijbehorende producties is op 3 juli 2024 aan gemachtigde toegestuurd. Hierdoor hebben gemachtigde en belanghebbende genoegzaam kennis kunnen nemen van de stukken die ten grondslag liggen aan de bestreden besluiten. Dat belanghebbende de noodzaak voelt om haar persoonlijk dossier in handen te krijgen, begrijpt de Commissie en zij adviseert UHT daarom zich zoveel mogelijk in te spannen om het persoonlijk dossier aan belanghebbende te verstrekken. Tegelijkertijd is de Commissie van oordeel dat het niet hebben van het gehele persoonlijk dossier belanghebbende niet in de weg staat om op basis van het bezwaardossier inzicht te krijgen in hoe het compensatiebedrag tot stand is gekomen.
Uit hetgeen belanghebbende en UHT naar voren hebben gebracht blijkt niet dat in het aan belanghebbende beschikbaar gestelde bezwaardossier specifieke stukken zouden ontbreken die van enig belang zouden kunnen zijn geweest bij de door UHT genomen besluiten. Naar het oordeel van de Commissie is daarmee in voldoende mate invulling gegeven aan de procedurele waarborgen van de Awb. Het bezwaar is op dit punt ongegrond.
Motiveringsbeginsel en zorgvuldigheidsbeginsel
Belanghebbende stelt dat de bestreden beschikkingen onvoldoende zorgvuldig tot stand zijn gekomen en onvoldoende zijn gemotiveerd.
De Commissie kan UHT volgen ten aanzien van de motivering van het besluit en de zorgvuldigheid van het hieraan ten grondslag liggende onderzoek. Voor zover UHT de berekeningen bij het uitbrengen van de bestreden beschikking niet voldoende zou hebben toegelicht, impliceert dat niet dat van een gebrekkige motivering dan wel onzorgvuldigheid sprake is. De Commissie is van mening dat met het indienen van het uitgebreide schriftelijke verweer, de betaal- en verrekenoverzichten en overige producties het bestreden besluit voldoende is onderbouwd en zorgvuldig tot stand is gekomen. De Commissie adviseert het bezwaar op dit punt ongegrond te verklaren.
Vooraankondiging en zienswijze
Belanghebbende stelt dat zij geen vooraankondiging heeft ontvangen, waardoor zij destijds niet in de gelegenheid is gesteld om haar zienswijze kenbaar te maken.
De Commissie overweegt dat belanghebbende in het kader van de bezwaarprocedure de gelegenheid heeft gekregen en benut om haar bezwaren toe te lichten en te onderbouwen. Een eventuele tekortkoming is daarmee hersteld. Omdat verder niet is toegelicht welk nadeel belanghebbende van dit nalaten heeft gehad, adviseert de Commissie om dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.
Overschrijding termijn bij definitieve KOT-beschikking
Gemachtigde stelt dat sprake is van vooringenomen handelen aangezien de definitieve KOT-beschikkingen zonder duidelijke redenen buiten de termijn van artikel 19 Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen (Awir) zijn genomen; belanghebbende heeft gelet daarop recht op compensatie. De Commissie ziet in die omstandigheid onvoldoende aanknopingspunten om tot vooringenomenheid te concluderen en deelt voorts het oordeel van UHT dat dit bezwaar buiten het bestek van de Wht valt. De door gemachtigde gestelde omstandigheid kan, gelet op het hier toepasselijke regelgevende kader, niet tot het door belanghebbende gewenste resultaat leiden. De Commissie adviseert het bezwaar op dit onderdeel ongegrond te verklaren.
Toeslagjaar 2008
Belanghebbende stelt dat het oordeel dat sprake is van evident geen recht op KOT in het toeslagjaar 2018 onjuist is. Belanghebbende stelt dat zij kosten heeft gemaakt voor kinderopvang in deze periode en dat derhalve sprake was van het gebruik van gekwalificeerde kinderopvang.
De Commissie overweegt dat uit de stukken in het dossier en het verhandelde ter zitting onvoldoende is gebleken dat belanghebbende over deze periode gebruik heeft gemaakt van geregistreerde kinderopvang. Belanghebbende heeft de jaaropgave van 2008 niet overgelegd. Ook uit de gegevens van de KOI-viewer is niet gebleken dat sprake is van kinderopvang. Ondanks het kostenoverzicht op pagina 173 van het dossier is onvoldoende aannemelijk geworden dat gebruik is gemaakt van gekwalificeerde opvang. Dat er kosten zijn gemaakt betekent niet automatisch dat de stelling van gemachtigde dat belanghebbende wegens vooringenomenheid of hardheid recht zou hebben op compensatie op grond van de Wht te volgen is; hier is meer voor nodig. Bovendien staat niet ter discussie dat belanghebbende geen informatie kan aanleveren over deze periode die haar stelling op dit punt kan onderbouwen. De Commissie heeft hierdoor onvoldoende aanknopingspunten om te oordelen dat belanghebbende gedupeerde is over 2008 en om deze reden recht heeft op compensatie. De Commissie adviseert dan ook om het bezwaar op dit ongegrond te verklaren.
Toeslagjaar 2011
Belanghebbende stelt recht te hebben op compensatie voor toeslagjaar 2011. Er is voor dit jaar kinderopvang aangevraagd.
De Commissie stelt vast dat tussen partijen niet ter discussie staat dat het kind geen kind of pleegkind van belanghebbende is en ook niet op hetzelfde adres als belanghebbende staat ingeschreven. De Commissie overweegt dat uit de stukken in het dossier, de toelichting van UHT en ook uit de verklaringen van belanghebbende gebleken is dat er evident geen recht is over deze periode, omdat belanghebbende niet voldoet aan de cumulatieve vereisten die opgenomen zijn in de Wet kinderopvang (WKO). In de aanvullende beschouwing van 23 juni 2025 heeft UHT dit punt nader uiteengezet en nogmaals toegelicht. De Commissie ziet in de verklaringen van belanghebbende geen aanknopingspunten om tot een ander oordeel te komen en onderschrijft het standpunt van UHT. Ook voor de toegekende O/GS-compensatie over 2011 ziet de Commissie geen aanleiding in het bezwaar om deze berekening onjuist te achten. De Commissie adviseert om dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.
Gemachtigde heeft in deze bezwaarprocedure aangevoerd dat belanghebbende mogelijk aanspraak heeft op compensatie voor de toeslagjaren waarin KOT is ontvangen.
UHT heeft aangegeven dat de toeslagjaren 2005, 2006, 2007 en 2012 herbeoordeeld zullen worden door de verantwoordelijke afdeling. In de schriftelijke reactie van 30 juli 2024 heeft UHT aangegeven dat het verzoek tot herbeoordeling voor de toeslagjaren 2009 en 2010 al is doorgezonden naar de betreffende afdeling. Ter zitting heeft UHT aangegeven dat zij geen nadere informatie heeft omtrent de status hiervan.
De Commissie kan daarover pas een advies uitbrengen, als UHT na herbeoordeling van deze toeslagjaren een voor bezwaar vatbaar besluit heeft genomen. Indien deze herbeoordeling niet leidt tot een voor belanghebbende bevredigend besluit, dan kan zij, indien zij dat wenst, tegen die beschikking(en) een bezwaarschrift indienen.
Fraude Signalering Voorziening (FSV)
Gemachtigde heeft ter zitting verzocht om een printscreen van de FSV-lijst.
Door UHT is bij de aanvullende beschouwing nadere informatie gegeven over de opname van belanghebbende op de FSV-lijst. Een printscreen van de FSV-lijst zoals verzocht door gemachtigde kan niet aangeleverd worden.
De Commissie overweegt dat uit het dossier blijkt dat belanghebbende was opgenomen op deze lijst, maar dat niet is gebleken dat deze opname op enig moment nadelige gevolgen heeft gehad voor belanghebbende. De Commissie ziet in de enkele vaststelling dat belanghebbende is opgenomen op de FSV-lijst geen aanleiding om hiervoor een compensatie toe te kennen. De reactie van gemachtigde van 20 juni 2025 op de aanvullende toelichting van UHT leidt niet tot een ander oordeel. De Commissie adviseert het bezwaar op dit punt ongegrond te verklaren.
HOTHOR
De Commissie overweegt dat met betrekking tot de stelling van gemachtigde op dit punt, uit het dossier niet kan worden afgeleid dat bij belanghebbende sprake is geweest van een ‘Hoge Toekenning, Hoog risico’ (HOTHOR) signalering. De Commissie is van oordeel dat het desbetreffende bezwaar bij gebrek aan feitelijke grondslag reeds hierom geen doel treft.
Beslagvrije voet
De Commissie overweegt daartoe dat bij verrekening van of beslag op toeslagen tot 1 januari 2021 ingevolge artikel 4:93 lid 4 Awb jo. 475c onderdeel j Rv tot 1 januari 2021 in het geheel geen beslagvrije voet van toepassing was. Bij de wettelijke regeling vanaf 1 januari 2021 worden de toeslagen wél meegenomen in de beslagvrije voet (artikel 475c onderdeel j Rv), met uitzondering van de KOT. Kort samengevat: tot vandaag de dag werpt de beslagvrije voet geen belemmering op voor het leggen van beslag op of verrekenen van de KOT. Op basis van de haar nu bekende feiten en omstandigheden, ziet de Commissie geen aanleiding om hierin vooringenomenheid of hardheid van de zijde van de Belastingdienst/Toeslagen aan te nemen.
Proceskostenvergoeding
Nu de bezwaren naar het oordeel van de Commissie ongegrond zijn, heeft belanghebbende geen recht op een vergoeding van de kosten van rechtsbijstand. De Commissie adviseert het verzoek voor een proceskostenvergoeding af te wijzen.
Conclusie
Samengevat adviseert de Commissie om het bezwaar ongegrond te verklaren en om het verzoek voor een proceskostenvergoeding ongegrond te verklaren.
Secretaris
Fungerend voorzitter