BAC 2023-13969
Publicatiedatum 27-01-2026
Advies van de Bezwaarschriftenadviescommissie hersteloperatie toeslagen
Aan: Belastingdienst/Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen (hierna: UHT)
Betreft: het bezwaarschrift van belanghebbende
Primair besluit: 28 juni 2023 (UHT-DCHA)
Hoorzitting: 3 februari 2025 om 10:00 uur
Overdracht advies aan UHT: 21 februari 2025
Samenvatting
De Bezwaarschriftenadviescommissie (hierna: de Commissie) adviseert UHT om het bezwaar ongegrond te verklaren en het verzoek om toekenning van een proceskostenvergoeding af te wijzen.
Onderwerp van advies
Het door gemachtigde namens belanghebbende ingediende bezwaarschrift is gericht tegen de door UHT op 28 juni 2023 genomen definitieve beschikking compensatie kinderopvangtoeslag (hierna: KOT) met kenmerk UHT-DCHA (hierna ook te noemen: de bestreden beschikking).
Aan belanghebbende is met toepassing van de Wet hersteloperatie toeslagen (hierna: Wht) geen compensatie toegekend voor de jaren 2009 tot en met 2019.
Procesverloop
- Belanghebbende heeft op 12 januari 2022 verzocht om een herbeoordeling van de KOT over de jaren 2008 tot en met 2020. Met instemming van de gemachtigde van belanghebbende en de persoonlijk zaakbehandelaar is het herbeoordelingsverzoek aangepast naar de jaren 2009 tot en met 2019.
- UHT heeft bij beschikking van 25 juli 2022 aan belanghebbende meegedeeld dat zij niet in aanmerking komt voor een betaling van € 30.000.
- De Commissie van Wijzen (hierna: CvW) heeft haar beoordeling van het verzoek van belanghebbende op 8 juni 2023 aan UHT toegestuurd. De CvW heeft in haar advies geoordeeld dat gedurende de betrokken jaren geen sprake is geweest van institutionele vooringenomenheid of bijzondere omstandigheden.
- UHT heeft bij de bestreden beschikking aan belanghebbende meegedeeld dat zij geen recht heeft op compensatie voor de jaren 2009 tot en met 2019.
- Gemachtigde heeft bij brief van 3 augustus 2023 tegen deze beschikking een bezwaarschrift ingediend.
- UHT heeft op 3 september 2024 bij beschouwing schriftelijk gereageerd op het bezwaarschrift.
- Op 3 februari 2025 heeft een hoorzitting plaatsgevonden. Van de hoorzitting is een verslag gemaakt, dat aan dit advies is gehecht.
- Dit advies wordt uitgebracht door de voorzitter, eerste commissielid, tweede commissielid.
Ontvankelijkheid en algemene opmerkingen
Niet in geschil is dat het bezwaarschrift ontvankelijk is.
Overwegingen ten aanzien van de bezwaren en het bestreden besluit
De Commissie ziet zich gesteld voor de vraag of UHT terecht en op goede gronden is gekomen tot haar beslissing om het verzoek van belanghebbende om compensatie of tegemoetkoming af te wijzen.
Motivering van het besluit, volledigheid dossier en equality of arms
Belanghebbende stelt dat het bestreden besluit onvoldoende is gemotiveerd omdat zij bij gebreke van haar persoonlijk en volledig dossier de beschikking niet op juistheid kan controleren. Meer specifiek stelt belanghebbende niet te beschikken over het overzicht (uit)betalingen en/of verrekeningen toeslagen, de tijdlijn en het informatie- en beoordelingsformulier.
Voor zover UHT haar beoordeling bij het uitbrengen van het bestreden besluit niet voldoende zou hebben toegelicht, impliceert dat niet dat van een gebrekkige motivering dan wel onzorgvuldigheid sprake is. De Commissie is van oordeel dat door middel van het indienen van de schriftelijke beschouwing, een uitgebreide uitleg met behulp van overzichten van het Landelijk Incasso Centrum (hierna: LIC) en overige producties het bestreden besluit voldoende is onderbouwd.
Doordat belanghebbende niet over het volledige dossier beschikte en UHT wel, stelt belanghebbende in haar procesbelang te zijn geschaad. De Commissie overweegt hierover het volgende.
De Commissie is een onafhankelijke bezwaarschriftenadviescommissie in de zin van artikel 7:13 Awb. Voor de procedure bij de Commissie gelden de procedurele waarborgen van de Awb en tegen beslissingen op bezwaar van UHT, zoals volgt op de adviezen van de Commissie, kan een belanghebbende rechtsmiddelen instellen bij de rechter. Op grond van artikel 7:4 lid 2 Awb en artikel 5.2 leden 3 en 4 van de Wht heeft een belanghebbende voorafgaand aan de hoorzitting bij de Commissie recht op afschriften van de op de zaak betrekking hebbende stukken. De Commissie is van oordeel dat het voor een goed begrip van het bestreden besluit niet noodzakelijk is te beschikken over het persoonlijk dossier. De schriftelijke beschouwing, met alle van belang zijnde producties, inclusief de door belanghebbende genoemde stukken, is op 2 december 2024 aan gemachtigde toegezonden. Hierdoor hebben gemachtigde en belanghebbende kennis kunnen nemen van de op de zaak betrekking hebbende stukken en gelegenheid gehad om daarop te reageren. Uit de stellingname van belanghebbende en UHT volgt niet dat in het aan de Commissie en belanghebbende beschikbaar gestelde bezwaardossier nog specifieke stukken zouden ontbreken die van enig belang zijn geweest voor de door UHT genomen beschikking. De Commissie adviseert UHT daarom het bezwaar op dit punt ongegrond te verklaren.
Belanghebbende kan zich niet verenigen met de afwijzing van de compensatie of tegemoetkoming voor de betrokken jaren.
De Commissie heeft geen aanknopingspunten gevonden voor de opvatting dat de Belastingdienst/Toeslagen (hierna: B/T) bij de toekenning, aanpassing of terugvordering van de KOT voor de toeslagjaren 2009 tot en met 2019 institutioneel vooringenomen heeft gehandeld of dat het stelsel te hard is geweest.
Tijdens de hoorzitting stelde belanghebbende dat B/T in 2016 vooringenomen heeft gehandeld door de KOT vast te stellen op basis van onjuiste gegevens. Er is namelijk een bedrag teruggevorderd op grond van een hoger toetsingsinkomen, terwijl de jaaropgaven en urenregistratie bij B/T bekend waren. De Commissie volgt dit standpunt niet, omdat het definitieve toetsingsinkomen wordt vastgesteld op het in de basisregistratie inkomen (BRI) vastgelegde inkomen dat is ontleend aan de aangifte inkomstenbelasting of de jaaropgave(n). Voor het jaar 2017 heeft uiteindelijk een nabetaling plaatsgevonden.
De Commissie concludeert dat de terugvorderingen KOT over de betrokken toeslagjaren waren gelegen in een te hoog voorschot, dat op basis van reguliere wijzigingen opnieuw is berekend. Deze bijstellingen zijn conform de wet uitgevoerd. De reguliere correcties wijzen ook niet op onbillijkheden vanwege de hardheid waarmee het wettelijk systeem werd toegepast. Daarbij ligt het in de aard van een voorschot besloten, dat de werkelijke, later vast te stellen aanspraak, op een lager bedrag kan uitkomen. Aan een voorschot kan, in beginsel, niet het gerechtvaardigd vertrouwen worden ontleend, dat een definitieve aanspraak op een daarmee overeenstemmend bedrag bestaat. Ook de financiële situatie of financiële problemen van een belanghebbende, die terugbetaling van toeslagen verhinderden, zullen in het algemeen niet leiden tot de conclusie dat diegene gedupeerd is door hardheid van het stelsel. Voor deze situatie bestaat de mogelijkheid van een (persoonlijke) betalingsregeling. De Commissie heeft geen aanknopingspunten gevonden om hier ten aanzien van belanghebbende anders over te oordelen. Ook is er geen onterechte kwalificatie opzet/grove schuld (hierna: O/GS), zodat ook hierop geen aanspraak kan worden gemaakt. De Commissie adviseert UHT daarom om dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.
Aanvraag persoonlijke betalingsregeling
Tijdens de hoorzitting stelde belanghebbende dat haar tussen 2015 en 2018 ten onrechte geen betalingsregeling meer is toegekend door B/T en dat zij daarom recht heeft op een tegemoetkoming. Vóór die periode werd haar wel steeds een betalingsregeling toegekend. UHT heeft tijdens de hoorzitting toegelicht dat er geen onterechte O/GS-kwalificatie is vastgesteld. Tijdens de hoorzitting is per toeslagjaar nagegaan of bedragen bij belanghebbende feitelijk zijn teruggevorderd. Behoudens het hiernavolgende was dat niet het geval. Voor het jaar 2016 geldt dat verschillende termijnbetalingen zijn gedaan, hetgeen wijst op een door B/T geaccepteerde betalingsregeling. De in dit kader gemaakte bezwaren treffen dan ook geen doel.
Hardheid en beslagvrije voet
Belanghebbende stelt dat B/T in de betrokken toeslagjaren geen rekening heeft gehouden met de beslagvrije voet en neemt daarom het standpunt in dat zij op grond van hardheid in aanmerking komt voor compensatie. De Commissie begrijpt belanghebbende aldus dat bij een verrekening geen rekening met de beslagvrije voet werd gehouden.
De Commissie overweegt dat het verrekenen van terechte terugvorderingen geen compensatie op grond van hardheid oplevert. Uit de wetsgeschiedenis van de Wht en systematiek van de compensatieregeling kan niet worden afgeleid dat de wetgever dergelijke gevallen voor ogen heeft gehad. Bij de bepaling van de hoogte van de compensatie in de artikelen 2.2 en 2.3 Wht wordt aangesloten bij het bedrag van de weigering, terugvordering of stopzetting van KOT die een direct gevolg is van onder andere hardheid. De verrekening van een op zichzelf terechte terugvordering of stopzetting valt daar niet onder.
De Commissie merkt bovendien op dat bij verrekening van of beslag op toeslagen tot 1 januari 2021 ingevolge artikel 4:93 lid 4 Awb in combinatie met artikel 475c onderdeel j Wetboek van Burgerlijke rechtsvordering (Rv) tot 1 januari 2021 in het geheel geen beslagvrije voet van toepassing was. Vanaf 1 januari 2021 worden in de wettelijke regeling de toeslagen wél meegenomen in de beslagvrije voet (artikel 475c onderdeel j Rv), met uitzondering van de KOT. De KOT is namelijk niet bedoeld als inkomensvoorziening maar voor het bevorderen van de arbeidsparticipatie. De beslagvrije voet is dus geen belemmering voor het verrekenen van terugvorderingen KOT. De Commissie adviseert UHT dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.
Nu de Commissie niet adviseert het primaire besluit te herroepen, is er geen aanleiding een vergoeding van de proceskosten toe te kennen.
Conclusie
Samengevat adviseert de Commissie om het bezwaar ongegrond te verklaren.
Secretaris
Fungerend voorzitter