BAC 2023-13965
Publicatiedatum 27-01-2026
Advies van de Bezwaarschriftenadviescommissie hersteloperatie toeslagen
Aan: Belastingdienst/Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen (hierna: UHT)
Betreft: het bezwaarschrift van belanghebbende
Primair besluit: 28 april 2023 (UHT-DCHA)
Hoorzitting: 17 oktober 2024
Overdracht advies aan UHT: 13 maart 2024
Samenvatting
De Bezwaarschriftenadviescommissie (hierna: de Commissie) adviseert UHT om het bezwaar ongegrond te verklaren.
Onderwerp van advies
Het door gemachtigde namens belanghebbende ingediende bezwaarschrift is gericht tegen de door UHT genomen definitieve beschikking compensatie kinderopvangtoeslag (kenmerk: UHT-DCHA).
Aan belanghebbende is bij de bestreden beschikking kenbaar gemaakt dat haar, met toepassing van de Wet hersteloperatie toeslagen (hierna: Wht), geen compensatie wordt toegekend.
Procesverloop
- Belanghebbende heeft op 5 januari 2021 verzocht om een herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag (hierna: KOT) over de jaren 2015 en 2016 omdat zij niet begreep waarom zij over die jaren KOT terug moest betalen. Na overleg tussen belanghebbende en UHT heeft UHT besloten alleen het toeslagjaar 2012 te beoordelen.
- UHT heeft bij beschikking van 14 maart 2022 met kenmerk UHT CHR GU aan belanghebbende medegedeeld dat zij niet in aanmerking komt voor een betaling van € 30.000 (Catshuisregeling).
- De Commissie van Wijzen (hierna: CvW) heeft haar beoordeling van het verzoek van belanghebbende op 22 februari 2002 aan UHT toegestuurd. CvW heeft geadviseerd dat met betrekking tot het jaar 2012 geen sprake is geweest van institutionele vooringenomenheid of bijzondere, onbillijke, omstandigheden.
- UHT heeft bij de bestreden beschikking aan belanghebbende geen compensatie toegekend voor het jaar 2012.
- Gemachtigde heeft bij brief van 4 mei 2023, ingekomen op 4 mei 2023, namens belanghebbende tegen deze beschikking een bezwaarschrift ingediend.
- UHT heeft op 11 juni 2024 schriftelijk gereageerd op het bezwaarschrift.
- Op 17 oktober 2024 heeft een hoorzitting plaatsgevonden. Van de hoorzitting is een verslag gemaakt, dat achter dit advies is gevoegd.
- UHT heeft, daartoe door de Commissie ter zitting verzocht, op 4 november 2024 een nadere schriftelijke reactie ingediend. Gemachtigde heeft op 20 november 2024 gereageerd.
- Dit advies is behandeld door de voorzitter, eerste commissielid, tweede commissielid.
Ontvankelijkheid en algemene opmerkingen
Niet in geschil is dat het bezwaar ontvankelijk is.
Overwegingen ten aanzien van de bezwaren en het bestreden besluit
In haar bezwaarschrift heeft belanghebbende allereerst gesteld dat de bestreden beschikking, vanwege het ontbreken van haar persoonlijk dossier, niet te controleren en onvoldoende gemotiveerd is. Daarnaast heeft belanghebbende aangevoerd dat het bestreden besluit niet controleerbaar is omdat het overzicht (uit)betalingen / verrekeningen toeslagen, de tijdlijn en het informatie- en beoordelingsformulier niet aan haar ter beschikking zijn gesteld. Door het ontbreken van voornoemde stukken, waarover UHT wel beschikt, is belanghebbende geschaad in haar procesbelang. Zij verkeert ten opzichte van UHT in een ongelijke positie. Hierdoor is, volgens belanghebbende, sprake van een schending van het ‘equality of arms’-beginsel.
Daarnaast klaagt belanghebbende dat de Belastingdienst / Toeslagen (hierna: B/T) over het toeslagjaar 2012 bij de verrekening van KOT ten onrechte geen rekening heeft gehouden met de voor haar geldende belastingvrije voet. Verder heeft belanghebbende zich op het standpunt gesteld dat niet alleen het toeslagjaar 2012, maar ook de toeslagjaren 2013 en 2015 herbeoordeeld hadden moeten worden. Tot slot heeft belanghebbende in haar bezwaarschrift verzocht om toekenning van een proceskostenvergoeding.
Tijdens de hoorzitting heeft belanghebbende naar voren gebracht dat ten aanzien van de stopzetting van de KOT in 2012 de XML-bestanden ontbreken. Daaruit zou kunnen blijken dat belanghebbende de KOT niet zelf heeft stopgezet. Ook ontbreekt een onderbouwing van het door UHT ingenomen standpunt dat in het geval van belanghebbende van een O/GS-kwalificatie geen sprake is geweest.
Na de hoorzitting heeft UHT het dossier aangevuld met alle XML-bestanden met betrekking tot het jaar 2012 waarin de contacten van B/T met belanghebbende zijn vastgelegd en met een bericht van het Landelijk Incasso Centrum (hierna: LIC) waarin de resultaten zijn weergegeven van het onderzoek naar de vraag of in het geval van belanghebbende sprake is geweest van een OG/S-kwalificatie in het jaar 2012.
Na ontvangst van deze stukken heeft belanghebbende de Commissie geïnformeerd dat zij ten aanzien van de stopzetting van de KOT geen aanvullende opmerkingen heeft. In reactie op het standpunt van UHT dat van een O/GS-kwalificatie geen sprake is geweest stelt belanghebbende zich op het standpunt dat zij nog steeds over onvoldoende gegevens beschikt zijn om dit standpunt te kunnen controleren. Belanghebbende wenst daartoe inzage in het invorderingsdossier en het BARC-systeem van B/T.
De Commissie ziet zich gesteld voor de vraag of UHT terecht en op goede gronden is gekomen tot haar beslissing om het verzoek van belanghebbende om compensatie of tegemoetkoming voor het jaar 2012 af te wijzen en om haar inhoudelijke beoordeling tot dit toeslagjaar te beperken.
Het ontbreken van gegevens en ‘equality of arms’.
In haar schriftelijke beschouwing heeft UHT aangegeven dat zij overweegt om belanghebbende haar gehele persoonlijk dossier te verstrekken. Voor zover de Commissie bekend heeft een overdracht van het persoonlijk dossier nog niet plaatsgevonden. UHT stelt zich op het standpunt dat zij de compensatiebeschikking zorgvuldig heeft voorbereid, omdat zij de compensatieberekening heeft gebaseerd op de voorschotbeschikkingen, definitieve beschikkingen en wijzigingsmeldingen van de KOT, zoals die zich in het dossier bevinden. Daarnaast heeft zij het besluit nader schriftelijk toegelicht en aanvullende gegevens ter beschikking gesteld. UHT meent dat het beginsel van equality of arms in de bezwaarprocedure van bestuurlijke besluitvorming niet van toepassing is. Overigens komt belanghebbende, volgens UHT, een beroep op dit beginsel ook niet toe omdat zij beschikt over alle informatie die UHT ten behoeve van het nemen van het bestreden besluit heeft gebruikt.
De Commissie is een onafhankelijke bezwaarschriftenadviescommissie in de zin van artikel 7:13 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb). Voor de procedure bij de Commissie gelden de procedurele waarborgen van de Awb en tegen een beslissing op bezwaar van UHT, die volgt op een advies van de Commissie, kan een belanghebbende rechtsmiddelen instellen bij de rechter.
Op grond van artikel 7:4 lid 2 Awb en artikel 5.2 leden 3 en 4 van de Wht heeft een belanghebbende voorafgaand aan de hoorzitting bij de Commissie recht op afschriften van de op de zaak betrekking hebbende stukken. De schriftelijke reactie van UHT op het bezwaarschrift van belanghebbende en de op de zaak betrekking hebbende stukken, waaronder het overzicht (uit)betalingen / verrekeningen toeslagen, de tijdlijn en het informatie- en beoordelingsformulier, zijn op 27 augustus 2024 aan gemachtigde toegezonden. Daarnaast zijn er, naar aanleiding van de hoorzitting en ter aanvulling van het dossier, XML-bestanden en een verslag van het onderzoek door het LIC naar de vraag of in het geval van belanghebbende sprake is geweest van een O/GS-kwalificatie, aan het dossier toegevoegd. Belanghebbende heeft derhalve kennis kunnen nemen van de stukken die ten grondslag liggen aan het bestreden besluit. Zij heeft gelegenheid gehad om daarop te reageren en heeft ook van die gelegenheid gebruik gemaakt.
De Commissie overweegt verder het volgende. De hersteloperatie is bedoeld om belanghebbenden financieel te compenseren voor het leed dat hen is aangedaan en om te proberen het vertrouwen in de overheid te herstellen. In de ogen van de Commissie worden deze belangen het beste gediend als een belanghebbende vroegtijdig inzicht krijgt in alle informatie die omtrent zijn of haar situatie aanwezig is. Dat betekent echter niet dat daarom in de onderhavige zaak, zoals belanghebbende veronderstelt, geconcludeerd moet worden dat het hier verstrekte bezwaardossier onvolledig is. De Commissie heeft geen aanknopingspunten gevonden om aan te nemen dat, terwijl het persoonlijk dossier, het op belanghebbende betrekking hebbende invorderingsdossier of gegevens uit het BARC-systeem niet aan belanghebbende zijn verstrekt, hier niet is voldaan aan de in artikel 7:4 lid 2 Algemene wet bestuursrecht neergelegde verplichting om alle op de zaak betrekking hebbende stukken ter inzage te leggen.
De Commissie adviseert UHT daarom om dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.
Compensatie wegens hardheid als gevolg van verrekeningen en beslagvrije voet Belanghebbende wenst in aanmerking te komen voor compensatie op grond van hardheid van het stelsel. Zij stelt dat B/T over 2012 ten onrechte geen rekening heeft gehouden met haar beslagvrije voet, terwijl de gegevens hiervoor wel bij B/T voorhanden waren.
B/T had immers de inkomensgegevens van belanghebbende reeds onder zich en vanwege de verleende huurtoeslag was B/T op de hoogte van de huurprijs en de huurtoeslag die belanghebbende ontving. Vanwege de verleende zorgtoeslag
was verweerder tevens op de hoogte van de zorgtoeslag die belanghebbende ontving. Ook was verweerder op de hoogte van de wettelijk vastgestelde premie voor de basisverzekering in 2012. Derhalve beschikte B/T in 2012 over alle benodigde gegevens om de beslagvrije voet te berekenen en toe te passen.
UHT heeft in haar schriftelijke reactie toegelicht dat de beslagvrije voet niet van toepassing is op KOT. Deze toeslag is niet bedoeld als inkomensvoorziening, maar dient ter bevordering van de arbeidsparticipatie. Daarnaast ziet de hardheidsregeling van artikel 2.1 van de Wht, volgens UHT, op de uitvoering van de KOT en niet op de invordering van de terugvordering. Voor de invordering gelden de bepalingen uit de Invorderingswet 1990 en aanverwante regelingen en daarin is geen hardheidsregeling opgenomen. Ten aanzien van de beslagvrije voet kan, aldus UHT, dan ook geen sprake zijn van hardheid van het stelsel.
Belanghebbende voert aan dat zij op grond van hardheid in aanmerking komt voor een compensatie van de schade die zij heeft geleden als gevolg van de verrekeningen van de terugvordering over toeslagjaar 2012 met nadien toegekende toeslagen (waaronder KOT). Het betrof hier reguliere verrekeningen van aan belanghebbende toegekende en uitbetaalde KOT. Deze verrekeningen volgden op wijzigingen die belanghebbende zelf heeft doorgegeven, zoals wijzigingen van het aantal opvanguren en de hoogte van het toetsingsinkomen en een stopzetting van de KOT. B/T heeft bij deze verrekeningen geen rekening gehouden met de beslagvrije voet. De na 2012 toegekende toeslagen zijn niet (volledig) aan belanghebbende uitbetaald, omdat de KOTschuld over toeslagjaar 2012 hiermee is verrekend. De Commissie overweegt dat deze verrekeningen onderdeel zijn van de uitvoering die over toeslagjaar 2012 aan de KOT is gegeven. Het verrekenen van terechte terugvorderingen levert geen compensatie op grond van hardheid op. Uit de wetsgeschiedenis van de Wht en systematiek van de compensatieregeling kan niet worden afgeleid dat de wetgever dergelijke gevallen voor ogen heeft gehad. De situatie van verrekening wordt niet expliciet door de wetgever genoemd. Bij de bepaling van de hoogte van de compensatie in de artikelen 2.2 en 2.3 Wht wordt aangesloten bij het bedrag van de weigering, terugvordering of stopzetting van KOT die een direct gevolg is van onder andere hardheid. De verrekening van een op zichzelf terechte terugvordering of stopzetting valt daar niet onder. Dat is verder ook met zoveel woorden terug te lezen in de memorie van toelichting. Daarin staat: Bij gedupeerden door een onterechte O/GS-kwalificatie waren de terugvorderingen op zichzelf niet onterecht, dus deze worden niet gecompenseerd (Kamerstukken II 2021–2022, 36 151, nr. 3, p. 14). Daar komt bij dat in de wetsgeschiedenis, namelijk in de nota naar aanleiding van het verslag, wordt opgemerkt dat de reikwijdte van de hardheidsregeling bewust enigszins beperkt is gehouden en dat eventuele uitbreidingen een nieuwe bewuste afweging van de wetgever vergen (Kamerstukken II 2021-2022, 36 151, nr. 7, p. 14).
Aan de bezwaargrond dat B/T bij de verrekeningen geen rekening heeft gehouden met de beslagvrije voet, komt de Commissie gelet op wat hiervoor is overwogen niet meer toe. De Commissie adviseert UHT daarom om dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.
Inhoudelijke beoordeling toeslagjaren 2013 en 2015
Gemachtigde heeft in deze bezwaarprocedure aangevoerd dat belanghebbende ook in de jaren 2013 en 2015 KOT heeft genoten en dat deze toeslagjaren opnieuw beoordeeld dienen te worden. Tijdens de hoorzitting is aan de orde gekomen dat belanghebbende steeds een herbeoordeling van alle jaren waarin zij KOT heeft genoten heeft gewild. Ter zitting heeft UHT medegedeeld dat het verzoek tot herbeoordeling van de toeslagjaren 2013 en 2015 is doorgezonden naar de afdeling van UHT die de herbeoordeling in eerste instantie uitvoert. De Commissie stelt vast dat UHT deze toeslagjaren alsnog, apart, zal beoordelen.
Nu het oorspronkelijke verzoek en de bestreden beschikking de omvang van de onderhavige bezwaarprocedure bepalen, ziet de Commissie geen mogelijkheden om de toeslagjaren 2013 en 2015 (alsnog) in haar onderhavige advisering te betrekken. Indien de herbeoordeling van de jaren 2013 en 2015 niet leidt tot een voor belanghebbende bevredigend besluit, dan kan zij, indien zij dat wenst, tegen die beschikking een bezwaarschrift indienen, waarna de Commissie daarover een advies zal uitbrengen.
De Commissie adviseert UHT daarom om dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.
Proceskostenvergoeding
Belanghebbende heeft verzocht haar een proceskostenvergoeding toe te kennen conform het Besluit vergoeding proceskosten bestuursrecht. Nu de Commissie adviseert om het bezwaar ongegrond te verklaren, is er geen aanleiding een vergoeding van de proceskosten toe te kennen.
Conclusie
Samengevat adviseert de Commissie om het bezwaar ongegrond te verklaren en om het verzoek om een proceskostenvergoeding toe te kennen, af te wijzen.
Secretaris
Fungerend voorzitter