BAC 2023-13948
Publicatiedatum 27-01-2026
Advies van de Bezwaarschriftenadviescommissie hersteloperatie toeslagen
Aan: Belastingdienst/Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen (hierna: UHT)
Betreft: het bezwaarschrift van belanghebbende
Primair besluit: 21 juni 2023 (UHT-DCH en UHT-O OGS B)
Hoorzitting: 25 april 2025 om 10:00 uur
Overdracht advies aan UHT: 16 mei 2025
Samenvatting
De Bezwaarschriftenadviescommissie (hierna: de Commissie) adviseert UHT om de bezwaren tegen de beschikkingen van 21 juni 2023 met kenmerken UHT-DHC en UHT-O OGS B ongegrond te verklaren.
Onderwerp van advies
De door gemachtigde namens belanghebbende ingediende bezwaarschriften zijn gericht tegen de door UHT genomen definitieve beschikkingen compensatie kinderopvangtoeslag.
Aan belanghebbende is met toepassing van de Wet hersteloperatie toeslagen (hierna: Wht) compensatie toegekend voor een bedrag van € 71.172 voor de jaren 2008, 2009, 2010 en 2011 en geen compensatie toegekend voor de jaren 2006, 2007, 2012 en 2013.
Procesverloop
- Belanghebbende heeft op 3 juni 2021 verzocht om een herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag (hierna: KOT) over de jaren 2005 tot en met 2014. Na overleg met belanghebbende zijn de toeslagjaren 2006 tot en met 2013 herbeoordeeld.
- UHT heeft bij beschikking van 13 mei 2022 aan belanghebbende medegedeeld dat zij op dat moment (nog) niet in aanmerking komt voor een betaling van €30.000.
- De Commissie van Wijzen (hierna: CvW) heeft haar beoordeling van het verzoek van belanghebbende op 30 maart 2023 aan UHT toegestuurd. De CvW heeft geadviseerd dat gedurende de jaren 2006, 2007, 2012 en 2013 geen sprake is geweest van institutionele vooringenomenheid of bijzondere omstandigheden.
- UHT heeft bij de bestreden beschikking van 21 juni 2023 met kenmerk UHT-DCH UHT aan belanghebbende geen compensatie toegekend voor de jaren 2006, 2007, 2012 en 2013. UHT heeft bij deze beschikking aan belanghebbende tevens een compensatie toegekend voor een bedrag van € 72.172 voor de jaren 2008, 2009, 2010 en 2011
- Gemachtigde heeft bij brief van 1 augustus 2023 tegen deze beschikkingen een bezwaarschrift ingediend.
- UHT heeft bij vooraankondiging van 25 april 2023 aan belanghebbende een compensatie toegekend voor een bedrag van € 71.893 voor de jaren 2008, 2009, 2010 en 2011.
- UHT heeft bij beschikking van 17 juli 2023 met kenmerk UHT-O OGS B een O/GS-tegemoetkoming toegekend van € 2.968 voor het jaar 2011.
- Gemachtigde heeft bij brief van 1 augustus 2023 tegen deze beschikking een bezwaarschrift ingediend.
- UHT heeft op 12 juni 2024 schriftelijk gereageerd op de bezwaarschriften.
- Op 25 april 2025 heeft gemachtigde een aanvullend stuk in het geding gebracht ten aanzien van het jaar 2007.
- Op 25 april 2025 heeft een hoorzitting plaatsgevonden. Van de hoorzitting is een verslag gemaakt, dat achter het advies is gevoegd.
- Dit advies wordt uitgebracht door de voorzitter, eerste commissielid, tweede commissielid.
Ontvankelijkheid en algemene opmerkingen
Niet in geschil is dat de bezwaarschriften ontvankelijk zijn.
Overwegingen ten aanzien van de bezwaren en het bestreden besluit
Persoonlijk dossier/equality of arms
Belanghebbende stelt dat zonder het volledige persoonlijke dossier niet kan worden beoordeeld of alle relevante stukken er zijn. De Commissie volgt dit standpunt van belanghebbende niet. De schriftelijke reactie/beschouwing en de onderliggende stukken zijn aan gemachtigde toegezonden. De Commissie vindt dat met het toezenden van deze stukken is voldaan aan de in artikel 7:4, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) neergelegde verplichting om alle op de zaak betrekking hebbende stukken ter inzage te leggen. Dat kan anders zijn als de belanghebbende een duidelijk aanknopingspunt geeft waarom het persoonlijk dossier moet worden afgewacht. Dat is hier niet gebeurd. De enkele opmerking dat bij onbekendheid van de stukken in dat dossier het mogelijk is dat er nog relevante informatie ontbreekt, is niet voldoende. De door belanghebbende in dit verband aangevoerde bezwaren kunnen daarom niet tot het door haar gewenste resultaat leiden. De Commissie adviseert UHT daarom om dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.
Beoordeling forfaitaire compensatieberekening 2008, 2009, 2010 en 2011
De Commissie ziet zich in de eerste plaats gesteld voor de beantwoording van de vraag of UHT de toegekende compensatie voor de jaren 2008, 2009, 2010 en 2011 op de juiste wijze heeft berekend.
Tussen partijen is niet in geschil en ook voor de Commissie staat vast dat B/T over de jaren 2008, 2009 en 2010 institutioneel vooringenomen jegens belanghebbende heeft gehandeld en dat ten aanzien van het toeslagjaar 2011 sprake is geweest van zowel hardheid van het stelsel als een onterechte opzet/grove schuld (hierna: O/GS) kwalificatie. UHT heeft ter compensatie volgens de forfaitaire systematiek van de Wht, een bedrag van € 72.172 toegekend.
Belanghebbende is van mening dat het bij gebreke van de stukken onduidelijk is of de juiste aanvangsdatum voor de immateriële schadevergoeding (onderdeel n in de compensatieberekening) is gehanteerd. Voorts is het haar onduidelijk of UHT de rentevergoeding (onderdeel o in de compensatieberekening) juist heeft berekend. UHT heeft naar aanleiding van deze bezwaarprocedure nogmaals gekeken naar de compensatieberekening en blijkens het gestelde in haar schriftelijke beschouwing geconstateerd dat ten aanzien van de aanvangsdatum voor de immateriële schadevergoeding (onderdeel n in de compensatieberekening) is uitgegaan van de juiste aanvangsdatum. Op 26 februari 2010 is namelijk voor het eerst een stopbrief gestuurd naar belanghebbende. De Commissie overweegt dat de eerste geëffectueerde onterechte neerwaartse correctie de beschikking van 24 december 2010 betreft. UHT heeft, conform eerdere BAC-adviezen, in plaats van de datum van de eerste neerwaartse beschikking te hanteren – zoals de Wht voorschrijft – de datum van de stopbrief gehanteerd die vóór de eerste neerwaartse beschikking is gestuurd naar belanghebbende. De Commissie overweegt verder dat het dossier geen aanknopingspunten biedt voor het hanteren van een eerdere aanvangsdatum en UHT derhalve een juiste aanvangsdatum heeft gehanteerd. Ten overvloede zij opgemerkt dat de aanvullende vergoeding van 1% niet hoeft te worden gewijzigd nu de compensatieberekening na bezwaar niet wordt aangepast.
O/GS-tegemoetkoming
Belanghebbende meent dat het haar onduidelijk is hoe de O/GS-tegemoetkoming tot stand is gekomen en stelt voorts dat het totaalbedrag dat zij heeft moeten terug betalen over 2011 hoger is geweest dan € 9.888 en de tegemoetkoming O/GS dan ook hoger dient te zijn. UHT heeft in haar schriftelijke beschouwing toegelicht hoe de O/GS-tegemoetkoming tot stand is gekomen. De Commissie overweegt dat UHT voldoende heeft toegelicht hoe de berekening van de O/GS-tegemoetkoming tot stand is gekomen en constateert dat belanghebbende het juiste bedrag aan O/GS-tegemoetkoming heeft ontvangen. De Commissie adviseert UHT om het bezwaar op dit onderdeel ongegrond te verklaren.
Beoordeling afwijzing 2007
De Commissie ziet zich voorts gesteld voor de beantwoording van de vraag of UHT terecht en op goede gronden is gekomen tot haar beslissing om het verzoek om compensatie over het toeslagjaar 2007 af te wijzen.
Belanghebbende weerspreekt de stelling van UHT dat in het toeslagjaar 2007 geen KOT-aanvraag is ingediend en daardoor geen compensatie voor dit toeslagjaar kan worden toegekend. Ter onderbouwing hiervan wijst belanghebbende op een XML-bestand dat in het ouderdossier is opgenomen. Uit dat bestand volgt dat belanghebbende op 4 juni 2008 een KOT-aanvraag heeft ingediend met een aanvangsdatum van 1 oktober 2007. Belanghebbende is van mening dat het niet beschikken op de aanvraag indertijd wijst op vooringenomen handelen. De Commissie overweegt hierover het volgende. Ingevolge artikel 15, eerste lid, van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen (hierna: Awir), zoals deze gold in het toeslagjaar 2007, kan – kortweg - een aanvraag om een tegemoetkoming met betrekking tot een berekeningsjaar worden ingediend tot 1 april van het jaar volgend op het berekeningsjaar bij B/T. Nu uit het XML-bestand volgt dat de KOT-aanvraag op 4 juni 2008 is ingediend, staat vast dat de aanvraag niet tijdig is ingediend op grond van (het destijds geldende) artikel 15, eerste lid, van de Awir. B/T heeft indertijd nagelaten om de KOT-aanvraag per beschikking af te wijzen vanwege de te late indiending van de aanvraag, echter brengt dit nalaten geen vooringenomenheid met zich mee. Immers, ingevolge artikel 2.2, onderdeel a, in samenhang gelezen met artikel 2.3, eerste lid, van de Wht, bestaat de compensatie uit een bedrag dat gelijk is aan het bedrag dat niet is toegekend of is teruggevorderd, als gevolg van een beschikking tot het verminderen of niet toekennen van een KOT die een direct gevolg is van institutionele vooringenomenheid of hardheid. Op grond van artikel 2.1, tweede lid, van de Wht blijft het toekennen van compensatie achterwege indien de door de aanvrager van een kinderopvangtoeslag geleden schade is te wijten aan ernstige onregelmatigheden die aan hem toerekenbaar zijn. Het niet tijdig indienen van de KOT-aanvraag dient in dit geval voor rekening en risico van belanghebbende te komen. De Commissie adviseert UHT het bezwaar op dit onderdeel ongegrond te verklaren.
Overige bezwaargronden
Automatische continuering
Belanghebbende stelt dat het onzorgvuldig is van B/T om de KOT in de jaren 2009 tot en met 2011 automatisch te continueren. De Commissie overweegt dat op grond van artikel 15, vijfde lid, van de Awir een aanvraag wordt geacht mede te zijn gedaan voor op het berekeningsjaar volgende berekeningsjaren. De Commissie overweegt verder dat belanghebbende zelf verantwoordelijk is om tijdig wijzigingen door te geven. De Commissie adviseert UHT daarom om het bezwaar op dit onderdeel ongegrond te verklaren.
Zorgvuldigheids- en motiveringsbeginsel
De Commissie overweegt dat UHT aanvankelijk de bestreden beschikkingen onvoldoende heeft toegelicht, maar dat door middel van het indienen van het schriftelijke verweer, een uitgebreide uitleg ter zitting en overige producties de bestreden besluiten uiteindelijk voldoende zijn onderbouwd. De Commissie adviseert UHT om het bezwaar op dit onderdeel ongegrond te verklaren.
Proceskostenvergoeding
Nu de Commissie niet adviseert de primaire besluiten te herroepen, ziet de Commissie geen aanleiding om UHT te adviseren een vergoeding van de proceskosten toe te kennen.
Conclusie
Samengevat adviseert de Commissie, de hiervoor geformuleerde vragen bevestigend beantwoordend, om de bezwaren tegen de beschikkingen met kenmerken UHT-DCH en UHT-O OGS B ongegrond te verklaren en het verzoek om een proceskostenvergoeding af te wijzen.
Secretaris
Fungerend voorzitter