BAC 2023-13914
Publicatiedatum 17-08-2026
Advies van de Bezwaarschriftenadviescommissie hersteloperatie toeslagen
Aan: Belastingdienst/Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen (hierna: UHT)
Betreft: het bezwaarschrift van belanghebbende
Primair besluit: 22 juni 2023 (UHT-DCH)
Hoorzitting: 2 april 2026
Overdracht advies aan UHT: 28 mei 2026
Samenvatting
De Bezwaarschriftenadviescommissie (hierna: de Commissie) adviseert UHT om het bezwaar ongegrond te verklaren, het bestreden besluit in stand te laten en het verzoek tot een proceskostenvergoeding af te wijzen.
Onderwerp van advies
Het door gemachtigde namens belanghebbende ingediende bezwaarschrift is gericht tegen het door UHT genomen definitieve besluit compensatie kinderopvangtoeslag van 22 juni 2023.
Aan belanghebbende is met toepassing van de Wet hersteloperatie toeslagen (hierna: Wht) compensatie toegekend voor een bedrag/ van € 35.030 voor de toeslagjaren 2007, 2008, 2010 en 2012. Er is geen compensatie of tegemoetkoming toegekend voor de toeslagjaren 2009, 2011, 2013, 2014 en 2015.
Procesverloop
- Belanghebbende heeft op 12 januari 2021 verzocht om een herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag (hierna: KOT) over toeslagjaar 2010. In overleg met belanghebbende zijn de toeslagjaren 2007 tot en met 2015 herbeoordeeld.
- UHT heeft bij besluit van 26 mei 2021, met kenmerk UHT-B DMB2, aan belanghebbende medegedeeld dat zij in aanmerking komt voor een betaling van € 30.000, op grond van de Catshuisregeling, maar dat de beoordeling nog niet is afgerond.
- De Commissie van Wijzen (hierna: CvW) heeft op 17 maart 2023 aan UHT geadviseerd dat gedurende de toeslagen 2009, 2011, 2013, 2014 en 2015 geen sprake is geweest van institutionele vooringenomenheid of bijzondere omstandigheden.
- UHT heeft bij vooraankondiging van 28 april 2023, met kenmerk UHT-VCH, aan belanghebbende een compensatie toegekend van € 34.878.
- UHT heeft bij het bestreden besluit met kenmerk van 22 juni 2023 aan belanghebbende een compensatie toegekend van € 35.030 voor de toeslagjaren 2007, 2008, 2010 en 2012. Er is geen compensatie of tegemoetkoming toegekend voor de toeslagjaren 2009, 2011, 2013, 2014 en 2015.
- Gemachtigde heeft bij brief van 27 juli 2023 tegen dit besluit een bezwaarschrift ingediend.
- UHT heeft op 1 september 2025 schriftelijk gereageerd op het bezwaarschrift.
- Op 2 april 2026 heeft een hoorzitting plaatsgevonden. Van de hoorzitting is een verslag gemaakt, dat achter dit advies is gevoegd.
- UHT heeft, daartoe door de Commissie ter zitting verzocht, op 7 april 2026 een nadere schriftelijke reactie ingediend. Gemachtigde heeft daar op 21 april 2026 op gereageerd.
- Dit advies wordt uitgebracht door de voorzitter en twee commissieleden.
Ontvankelijkheid en algemene opmerkingen
Niet in geschil is dat het bezwaarschrift ontvankelijk is.
Overwegingen ten aanzien van de bezwaren en het bestreden besluit
De Commissie ziet zich gesteld voor de vraag of UHT de toegekende compensatie voor de toeslagjaren 2007, 2008, 2010 en 2012 op de juiste wijze heeft berekend en terecht en op goede gronden is gekomen tot haar beslissing om het verzoek van belanghebbende om compensatie of tegemoetkoming voor de toeslagjaren 2009, 2011, 2013, 2014 en 2015 af te wijzen.
Motivering/persoonlijk dossier/equality of arms
Belanghebbende betoogt dat het bestreden besluit onvoldoende is gemotiveerd omdat zij niet beschikt over haar persoonlijk dossier. Hierdoor kan zij de juistheid van de beschikking niet controleren.
De Commissie volgt dit standpunt van belanghebbende niet. De schriftelijke beschouwing en de stukken die daaraan ten grondslag liggen, zijn op 15 januari 2026 aan belanghebbende toegezonden. De Commissie vindt dat UHT met het toezenden van deze stukken heeft voldaan aan haar verplichting op grond van artikel 7:4 lid 2 Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) om alle op de zaak betrekking hebbende stukken ter inzage te leggen. Dat kan anders zijn als de belanghebbende een duidelijk aanknopingspunt geeft voor een reden waarom het persoonlijk dossier moet worden afgewacht. Dat is hier niet gebeurd. Nu UHT voldaan heeft aan haar verplichting op grond van artikel 7:4 lid 2 Awb en belanghebbende de gelegenheid heeft gekregen haar standpunt uiteen te zetten, is het recht op een eerlijk proces niet geschonden. De Commissie adviseert UHT om dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.
Compensatieberekening
Belanghebbende stelt dat er een onjuiste startdatum bij de immateriële schadevergoeding is gehanteerd waardoor het bedrag niet juist is vastgesteld. Ditzelfde geldt ten aanzien van de rentevergoeding over gemiste KOT. Ten gevolge hiervan moet ook de 1% vergoeding opnieuw berekend worden.
UHT heeft in het kader van de bezwaarprocedure de gehele compensatieberekening heroverwogen en geconstateerd dat deze geen fouten bevat. De Commissie is het hiermee eens en adviseert daarom om het bezwaar op dit punt ongegrond te verklaren.
Herbeoordeling toeslagjaren 2009, 2011, 2013, 2014 en 2015
De Commissie heeft geen aanknopingspunten kunnen vinden om te adviseren dat de Belastingdienst/Toeslagen (hierna: B/T) bij de toekenning, aanpassing of terugvordering van de KOT voor de toeslagjaren 2009, 2011, 2013, 2014 en 2015 institutioneel vooringenomen heeft gehandeld of dat het stelsel te hard heeft uitgewerkt. De terugvordering KOT over deze toeslagjaren was gebaseerd op de vaststelling dat er een te hoog voorschot was toegekend. Dat voorschot is door reguliere wijzigingen opnieuw berekend.
Over 2009 hebben drie neerwaartse correcties plaatsgevonden. Alle drie neerwaartse correcties waren het gevolg van door belanghebbende doorgegeven wijzigingen en wijzigingen in het toetsingsinkomen. Belanghebbende heeft de wijzigingen niet betwist.
Over 2011 hebben twee neerwaartse correcties plaatsgevonden. De eerste neerwaartse correctie was het gevolg van door belanghebbende doorgegeven wijzigingen en een stijging van het toetsingsinkomen. De tweede neerwaartse correctie was het gevolg van een stijging van het toetsingsinkomen. Belanghebbende heeft de wijzigingen niet betwist.
Ten aanzien van 2013 heeft er één neerwaartse correctie plaatsgevonden naar aanleiding van de wijzigingen die belanghebbende op 16 augustus 2013 heeft doorgegeven. Over 2014 en 2015 heeft er ook jaarlijks één neerwaartse correctie plaatsgevonden. Deze correcties waren het gevolg van de stopzetting van de KOT door belanghebbende, per 1 april 2014.
Belanghebbende heeft betwist dat zij de wijzigingen van 16 augustus 2013 en de stopzetting op 17 februari 2015, met ingang van 1 april 2014, heeft doorgevoerd. Zij stelt dat de KOI de wijzigen heeft doorgevoerd met haar DigiD.
De Commissie overweegt als volgt. Om een wijziging of stopzetting KOT te kunnen doen, moet de aanvrager inloggen met zijn/haar persoonlijke DigiD-inloggegevens. Daarmee heeft de B/T willen bewerkstelligen dat alleen een rechthebbende op de toeslag een dergelijke aanvraag kan indienen. Een DigiD biedt immers een persoonsgebonden ingang naar een digitaal portaal. Hoewel de Commissie niet uitsluit dat belanghebbende haar DigiD te goeder trouw met de kinderopvanginstelling heeft gedeeld, is zij toch van oordeel dat het delen van DigiD inloggegevens voor rekening en risico van belanghebbende dient te komen.
Voornoemde bijstellingen zijn in overeenstemming met de wet uitgevoerd. Dergelijke bijstellingen geven in beginsel ook geen aanspraak op een zogenoemde hardheidstegemoetkoming. Volgens belanghebbende is er in haar geval wel sprake van hardheid nu zij door het wegvallen van de KOT in de financiële problemen is gekomen. UHT heeft uitgelegd waarom belanghebbende niet voor de hardheidsregeling in aanmerking komt en heeft in haar aanvullende beschouwing nader toegelicht waarom er evenmin sprake is van bijzondere omstandigheden.
De Commissie overweegt als volgt. De KOT is door of namens belanghebbende stopgezet per 1 april 2014. Belanghebbende heeft tegen de neerwaartse correctie die daarop volgde bezwaar gemaakt en heeft daarbij aangegeven dat de stopzetting per 1 april 2015 moest zijn, in plaats van 1 april 2014. De KOT is toen door B/T herzien. Deze feiten en omstandigheden leiden niet tot de conclusie dat er sprake is geweest van hardheid van het stelsel. Immers, de KOT is door of namens belanghebbende zelf stopgezet en later herzien nadat belanghebbende in haar bezwaar had aangegeven dat de aanvankelijk opgegeven einddatum van de kinderopvang onjuist was.
Er was ook geen onterechte kwalificatie opzet/grove schuld, zodat er ook geen aanspraak is op een daarop gebaseerde vergoeding. De Commissie adviseert UHT daarom om dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.
Proceskosten
Nu de Commissie niet adviseert het primaire besluit te herroepen, is er geen aanleiding een vergoeding van de proceskosten toe te kennen.
Conclusie
Samengevat adviseert de Commissie om het bezwaar ongegrond te verklaren, de bestreden beschikking in stand te laten en het verzoek tot een proceskostenvergoeding af te wijzen.
[handtekening]
Secretaris
[handtekening]
Fungerend voorzitter