BAC 2023-13899
Publicatiedatum 27-01-2026
Advies van de Bezwaarschriftenadviescommissie hersteloperatie toeslagen
Aan: Belastingdienst/Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen (hierna: UHT)
Betreft: het bezwaarschrift van belanghebbende
Primair besluit: 20 juni 2023 met kenmerk UHT-DCHA
Hoorzitting: 18 maart 2025 om 11:00 uur
Overdracht advies aan UHT: 15 april 2025
Samenvatting
De Bezwaarschriftenadviescommissie (hierna: de Commissie) adviseert UHT om het bezwaar ongegrond te verklaren en het verzoek om een proceskostenvergoeding af te wijzen.
Onderwerp van advies
Het door gemachtigde namens belanghebbende ingediende bezwaarschrift is gericht tegen de door UHT genomen definitieve beschikking beoordeling kinderopvangtoeslag (hierna: KOT).
Aan belanghebbende is met toepassing van de Wet hersteloperatie toeslagen (hierna: Wht) geen compensatie toegekend voor de jaren 2010 tot en met 2012.
Procesverloop
- Belanghebbende heeft op 29 december 2021 verzocht om een herbeoordeling van de KOT over de jaren 2010 tot en met 2016. In overleg met de persoonlijk zaaks behandelaar is de herbeoordeling beperkt tot de jaren 2010 tot en met 2012.
- UHT heeft bij beschikking van 19 mei 2022 aan belanghebbende medegedeeld dat zij niet in aanmerking komt voor een betaling van € 30.000.
- De Commissie van Wijzen (hierna: CvW) heeft haar beoordeling van het verzoek van belanghebbende op 9 juni 2023 aan UHT toegestuurd. De CvW heeft geadviseerd dat gedurende de betrokken jaren geen sprake is geweest van institutionele vooringenomenheid of bijzondere omstandigheden.
- UHT heeft met de beschikking van 20 juni 2023 (hierna: de bestreden beschikking) aan belanghebbende medegedeeld dat zij geen recht heeft op compensatie voor de jaren 2010 tot en met 2012.
- Gemachtigde heeft bij brief van 25 juli 2023 tegen de bestreden beslissing een bezwaarschrift ingediend. Op 4 maart 204 heeft gemachtigde de bezwaargronden aangevuld.
- UHT heeft op 4 juni 2024 schriftelijk gereageerd op het bezwaarschrift.
- Op 18 maart 2025 heeft een hoorzitting plaatsgevonden. Van de hoorzitting is een verslag gemaakt, dat achter het advies is gevoegd.
- Op 18 maart 2025 heeft UHT per email aanvullende informatie gestuurd.
- Op 28 maart 2025 heeft gemachtigde op de aanvullende informatie gereageerd.
- Dit advies wordt uitgebracht door de voorzitter, eerste commissielid, tweede commissielid.
Ontvankelijkheid en algemene opmerkingen
Niet in geschil is dat het bezwaarschrift ontvankelijk is.
Overwegingen ten aanzien van de bezwaren en het bestreden besluit
De Commissie zal hierbij eerst ingaan op de volgende bezwaargronden:
- Het persoonlijk en bezwaardossier;
- Strijd met het zorgvuldigheids-en motiveringsbeginsel;
- Het niet tijdig definitief beslissen conform artikel 19 van de Awir;
- Informatie uit de KOI-viewer;
- Aantasting van onherroepelijke vaststellingsbeschikkingen;
- Verrekenen van vorderingen met verschillende toeslagen op grond van artikel 30 Awir.
Het persoonlijk en bezwaardossier
Gemachtigde verzoekt om het volledige bezwaardossier en het persoonlijke dossier.
Op grond van artikel 7:4, lid 2, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) en artikel 5.2, derde en vierde lid, van de Wht heeft een belanghebbende voorafgaand aan de hoorzitting bij de Commissie recht op afschriften van de op de zaak betrekking hebbende stukken c.q. het bezwaardossier. De beschouwing van UHT met de producties 1 tot en met 30 is op 19 september 2024 aan gemachtigde verstuurd. Op 18 maart 2025 heeft UHT nog drie producties aan het bezwaardossier toegevoegd. Hierdoor hebben gemachtigde en belanghebbende kennis kunnen nemen van alle stukken die ten grondslag liggen aan de bestreden beschikking. De Commissie tekent hierbij nog aan dat de stukken behorende tot het zogenoemde “ouderdossier” niet samenvallen met de op de zaak betrekking hebbende stukken, als hiervoor bedoeld.
Dat belanghebbende de noodzaak voelt om haar persoonlijke dossier in handen te krijgen, begrijpt de Commissie en zij adviseert UHT daarom zich zoveel mogelijk in te spannen om het persoonlijke dossier aan belanghebbende te verstrekken.
De Commissie is van oordeel dat op basis van het bezwaardossier en de schriftelijke beschouwing van UHT voldoende inzichtelijk is gemaakt hoe tot de bestreden beschikking is gekomen. Daarmee is in voldoende mate invulling gegeven aan de procedurele waarborgen van de Awb. Het is de Commissie niet gebleken dat in het bezwaardossier nog relevante stukken zouden ontbreken, zodat deze bezwaargrond geen doel treft.
Strijd met het zorgvuldigs-en motiveringsbeginsel
Belanghebbende voert aan dat in het gesprek van 9 februari 2023 met de persoonlijk zaaksbehandelaar is afgesproken dat met gemachtigde contact opgenomen zou worden. Dat is vervolgens niet meer gebeurd. Het gesprek is ten onrechte aangemerkt als een oudergesprek. Belanghebbende heeft voorafgaand aan het bestreden besluit niet meer haar zienswijze kunnen indienen. Belanghebbende stelt dan ook dat de bestreden beschikking in strijd met het zorgvuldigheids- en motiveringsbeginsel is genomen.
De Commissie kan UHT volgen in het ingenomen standpunt ten aanzien van de motivering van het bestreden besluit en de zorgvuldigheid van het hieraan ten grondslag liggende onderzoek. Ter voorbereiding van de bestreden beschikking is het informatie-en beoordelingsformulier gebruikt van onder meer de voorschotbeschikkingen, definitieve beschikkingen, wijzigingsmeldingen en interne meldingen die in de systemen van de Belastingdienst/Toeslagen (hierna: B/T) voorkomen om de KOT te kunnen vaststellen.
De Commissie maakt uit het informatie- en beoordelingsformulier onder het kopje “het verhaal van de ouder” op dat belanghebbende op 9 februari 2023 uitvoerig haar verhaal heeft kunnen vertellen en dat de persoonlijk zaaksbehandelaar nog contact zal opnemen met de gemachtigde van belanghebbende. Op 4 mei 2023 heeft er een vervolggesprek plaatsgevonden met de partner van belanghebbende en [naam]. Dat er geen contact is opgenomen met de gemachtigde van belanghebbende blijkt de Commissie in ieder geval niet uit de onderliggende stukken.
De Commissie maakt verder uit het bezwaardossier op dat het beoordelingsteam op 30 mei 2023 haar beoordeling heeft afgerond en vervolgens aan de CvW heeft voorgelegd. Op 9 juni 2023 heeft de CvW geadviseerd dat de compensatieregeling voor belanghebbende over de jaren 2010 tot en met 2012 niet van toepassing is. Het is de Commissie daarbij niet gebleken dat belanghebbende een vooraankondiging heeft ontvangen. Belanghebbende is dan ook niet in de gelegenheid gesteld haar zienswijze, op grond van artikel 4:8 van de Awb, kenbaar te maken. De Commissie overweegt dat, hoewel dat inderdaad niet de aangewezen gang van zaken is, belanghebbende in het kader van de bezwaarprocedure de gelegenheid heeft gekregen en benut om haar bezwaren toe te lichten en te onderbouwen. Een eventuele tekortkoming is daarmee hersteld. Omdat verder niet is aangegeven welk nadeel belanghebbende door dit nalaten heeft gehad, laat de Commissie dit bezwaar verder buiten beschouwing.
De Commissie overweegt verder dat de bestreden beschikking door middel van het indienen van de schriftelijke beschouwing, met een verwijzing naar de bijbehorende producties, voldoende is onderbouwd. Op basis van de in het bezwaardossier opgenomen stukken heeft belanghebbende inzicht kunnen krijgen in de totstandkoming van de bestreden beschikking. Namens belanghebbende zijn verder geen concrete feiten of omstandigheden aangevoerd die tot een andere zienswijze kunnen leiden.
De Commissie is gelet op het vorenstaande van oordeel dat UHT haar besluit in voldoende mate heeft gemotiveerd en dat niet gebleken is van strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel. Deze bezwaargrond treft geen doel.
Het niet tijdig definitief beslissen conform artikel 19 van de Awir
Belanghebbende stelt dat B/T op grond van artikel 19 van de Awir destijds niet binnen dertien weken en uiterlijk op 31 december volgend op het toeslagjaar een beschikking tot toekenning heeft genomen. Er is ook geen kennisgeving in het dossier opgenomen waaruit blijkt dat niet binnen negen maanden een definitieve beslissing kan worden genomen.
De Commissie is van oordeel dat dit bezwaar – wat daar verder ook van zij – buiten het bereik van deze bezwaarprocedure valt en laat het daarom verder onbesproken. Deze bezwaargrond treft geen doel.
Belanghebbende meent dat B/T voor het vaststellen van de KOT niet blindelings op de KOI-viewer mag vertrouwen.
De Commissie gaat uit van de stelregel dat B/T en UHT mogen uitgaan van de informatie vanuit de KOI-viewer, tenzij er contra-indicaties zijn die het tegendeel aannemelijk maken. Belanghebbende heeft geen informatie naar voren gebracht waaruit blijkt dat de informatie uit de KOI-viewer niet juist is. Deze bezwaargrond treft geen doel.
Aantasting van onherroepelijke vaststellingsbeschikkingen
De Commissie merkt verder op dat de Wht geen herziening van onherroepelijke vaststellingsbeschikkingen van de KOT beoogt. De regeling heeft niet tot doel alsnog (een hoger bedrag aan) KOT uit te keren, maar richt zich op de compensatie van ten onrechte teruggevorderde of niet toegekende KOT. Voor zover het bezwaar van belanghebbende zich richt op (de aantasting van) onherroepelijke vaststellingsbeschikkingen, gaat de Commissie hieraan voorbij. Deze bezwaargrond treft dan ook geen doel.
Verrekenen van vorderingen met verschillende toeslagen op grond van artikel 30 Awir
De Commissie stelt vast dat B/T op grond van artikel 30 van de Awir de bevoegdheid heeft om vorderingen met andere toeslagen, ongeacht het berekeningsjaar, te verrekenen. Er is dan ook geen sprake van institutionele vooringenomenheid indien B/T van deze bevoegdheid gebruik maakt. Deze bezwaargrond treft geen doel.
De Commissie ziet zich verder gesteld voor de vraag of UHT terecht en op goede gronden is gekomen tot haar beslissing om het verzoek van belanghebbende om compensatie of tegemoetkoming af te wijzen.
Toeslagjaren 2010 tot en met 2012
De Commissie overweegt dat, gelet op een en ander, niet aannemelijk is geworden dat er bij de toekenning, aanpassing of terugvordering van de KOT voor de toeslagjaren 2010 tot en met 2012 sprake geweest is van institutioneel vooringenomen handelen door B/T dan wel hardheid van het stelsel. De Commissie maakt over 2010 op dat de KOT niet neerwaarts is bijgesteld. De terugvorderingen KOT over de toeslagjaren 2011 en 2012 waren gelegen in een te hoog voorschot, dat op basis van reguliere wijzigingen opnieuw is berekend. In 2011 is de KOT éénmaal neerwaarts bijgesteld vanwege een lager opvangtarief en toetsingsinkomen. In 2012 is de KOT driemaal verlaagd vanwege een hoger toetsingsinkomen en stopzetting van de KOT vanaf 23 maart 2012 (zie voor verdere uitleg hierover het kopje: “Stopzetting van de KOT vanaf 23 maart 2012”). Deze bijstellingen zijn conform de wet uitgevoerd. Dergelijke bijstellingen geven in beginsel ook geen aanspraak op een zogenoemde hardheidstegemoetkoming. De Commissie heeft geen aanknopingspunten gevonden om hier ten aanzien van belanghebbende anders over te oordelen. Verder is er ook geen sprake geweest van een onterechte kwalificatie Opzet/Grove Schuld (hierna: O/GS), zodat ook hierop geen aanspraak kan worden gemaakt. Deze bezwaargrond treft dan ook geen doel.
Stopzetting van de KOT vanaf 23 maart 2012
Belanghebbende stelde tijdens de hoorzitting dat de KOT vanaf 23 maart 2012 is stopgezet terwijl zij wel kinderopvang heeft afgenomen. Er zijn in het dossier geen documenten aangetroffen waaruit blijkt dat zij de KOT zelf heeft stopgezet. Na afloop van de hoorzitting heeft UHT op 18 maart 2025 informatie ingebracht waaruit blijkt dat belanghebbende vanaf 23 maart 2012 de KOT zelf heeft stopgezet. In reactie daarop heeft gemachtigde op 28 maart 2025 duidelijk gemaakt dat niet belanghebbende de melding heeft gedaan maar dat het een ambtshalve melding betreft die door B/T is gedaan. Gemachtigde heeft daarbij verwezen naar het behandelvoorschrift “Risicoselectie-vraagbrief”. De stopzetting kan dan ook niet aan belanghebbende worden toegeschreven.
De Commissie maakt uit de melding op dat het hierbij gaat om het doorgeven van een wijziging die de burger digitaal aan B/T heeft doorgegeven. Deze melding staat geregistreerd als een brontypecode “07” code. Uit de gebeurtenistype met de broncode “009” betekent dit dat belanghebbende de KOT zelf heeft stopgezet. B/T heeft vervolgens het verzoek verwerkt en de KOT verlaagd van € 24.641 naar €5.564. De Commissie is van oordeel dat het verwerken van een dergelijk verzoek tot stopzetting op zichzelf geen institutioneel vooringenomen handeling is. Uit de onderliggende stukken is niet gebleken dat belanghebbende vanaf oktober 2012 wederom KOT heeft willen aanvragen.
De Commissie stelt vast dat belanghebbende tegen de beschikking van 21 april 2012 waarin het voorschot wordt verlaagd naar € 5.564 ook geen bezwaar heeft aangetekend. Deze bezwaargrond treft dan ook geen doel.
De Commissie zal tot slot nog ingaan op de volgende bezwaargronden:
- Discriminatie;
- Verzoek om in aanmerking tot komen voor de werkelijke schade.
De Commissie heeft in de onderliggende stukken geen aanwijzingen aangetroffen waaruit blijkt dat in de situatie van belanghebbende over de toeslagjaren 2010 tot en met 2012 sprake geweest is van discriminatie, hetgeen heeft geresulteerd in institutionele vooringenomenheid of een onterechte O/GS-kwalificatie. De Commissie heeft met betrekking tot deze aanwijzingen laten meewegen dat belanghebbende niet op een FSV-lijst voorkwam en niet strafrechtelijk is veroordeeld. Op 18 maart 2025 heeft UHT dat met het document FSV-en sanctiecheck onderbouwd. Uit dit document blijkt dat belanghebbende niet voorkwam in het dagboek FSV en niet bekend is met een strafrechtelijke veroordeling en vergrijpboete. Er is van belanghebbende ook geen individueel fraudedossier aangemaakt. Verder is aan belanghebbende geen boete opgelegd en heeft zij ten onrechte geen O/GS-kwalificatie gekregen. Ook is niet gebleken dat belanghebbende in het HOTHOR (hoge tegemoetkoming, hoog risico) systeem is opgenomen. Tijdens de hoorzitting en in de nadere reactie van 28 maart 2025 heeft belanghebbende deze stelling niet verder aannemelijk gemaakt. Deze bezwaargrond treft geen doel.
Verzoek om in aanmerking te komen voor de werkelijke schade
Voor een aanvullende compensatie voor de werkelijke schade komt in aanmerking de ouder van wie aannemelijk is dat de vaststelling van haar aanspraak op KOT in enig jaar onderdeel is geweest van bijzondere hardheid of van een institutioneel vooringenomen handelwijze van de B/T, de ouder die ten onrechte een O/GS-kwalificatie heeft gekregen en daardoor een persoonlijke betalingsregeling of buitengerechtelijke schuldregeling is geweigerd, of de ouder waaraan ten onrechte een persoonlijke betalingsregeling of buitengerechtelijke schuldregeling is geweigerd en die ingevolge artikel 9.1 Wht een O/GS-tegemoetkoming toekomt. Nu de Commissie van mening is dat UHT terecht en op goede gronden is gekomen tot het besluit om het verzoek om compensatie van belanghebbende af te wijzen, komt belanghebbende ook niet in aanmerking voor een aanvullende compensatie voor de werkelijke schade. Deze bezwaargrond treft geen doel.
Proceskostenvergoeding
Nu de Commissie niet adviseert het primaire besluit te herroepen, is er geen aanleiding een vergoeding van de proceskosten toe te kennen.
Conclusie
Samengevat adviseert de Commissie om het bezwaar ongegrond te verklaren en het verzoek om een proceskostenvergoeding af te wijzen.
Secretaris
Fungerend voorzitter