Ga direct naar de inhoud Ga direct naar de filters Ga direct naar de footer

BAC 2023-13898

Advies van de Bezwaarschriftenadviescommissie hersteloperatie toeslagen

Aan: Belastingdienst/Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen (hierna: UHT)

Betreft: het bezwaarschrift van belanghebbende

Primair besluit: 20 december 2022 (UHT-DCHA)

Hoorzitting: 28 april 2025 om 14:15 uur

Overdracht advies aan UHT: 2 juli 2025

Samenvatting

De Bezwaarschriftenadviescommissie (hierna: de Commissie) adviseert UHT om het bezwaar gedeeltelijk gegrond te verklaren, de bestreden beschikking te herroepen en in de beslissing op bezwaar aan te passen. Verder adviseert de Commissie het verzoek om een proceskostenvergoeding toe te wijzen.

Onderwerp van advies

Het door gemachtigde namens belanghebbende ingediende bezwaarschrift is gericht tegen de door UHT op 20 december 2022 genomen definitieve beschikking compensatie kinderopvangtoeslag (hierna: KOT) met kenmerk UHT-DCHA (hierna ook te noemen: de bestreden beschikking).

Aan belanghebbende is met toepassing van de Wet hersteloperatie toeslagen (hierna: Wht) geen compensatie toegekend voor de jaren 2006 tot en met 2011.

Procesverloop

  • Belanghebbende heeft op 19 april 2021 verzocht om een herbeoordeling van de KOT over de jaren 2006 en 2007. Zij heeft op 20 april 2021 het herbeoordelingsverzoek aangevuld met de jaren 2009 tot en met 2015. Met instemming van de persoonlijk zaakbehandelaar en belanghebbende is het herbeoordelingsverzoek aangepast naar de jaren 2006 tot en met 2011.
  • UHT heeft bij beschikking van 7 april 2022 aan belanghebbende meegedeeld dat zij niet in aanmerking komt voor een betaling van € 30.000.
  • De Commissie van Wijzen (hierna: CvW) heeft haar beoordeling van het verzoek van belanghebbende op 24 november 2022 aan UHT toegestuurd. De CvW heeft in haar advies geoordeeld dat gedurende de betrokken jaren geen sprake is geweest van institutionele vooringenomenheid of bijzondere omstandigheden.
  • UHT heeft bij bestreden beschikking van 20 december 2022 aan belanghebbende meegedeeld dat zij geen recht heeft op compensatie voor de jaren 2006 tot en met 2011.
  • Gemachtigde heeft bij brief van 25 juli 2023 tegen deze beschikking een bezwaarschrift ingediend.
  • UHT heeft op 10 september 2024 bij beschouwing schriftelijk gereageerd op het bezwaarschrift. Op 22 april 2025 heeft UHT een aanvullende schriftelijke beschouwing inclusief producties ingediend.
  • Op 28 april 2025 heeft een hoorzitting plaatsgevonden. Van de hoorzitting is een verslag gemaakt, dat achter dit advies is gehecht.
  • UHT heeft, daartoe door de Commissie ter zitting verzocht, op 30 april 2025 een nadere schriftelijke beschouwing ingediend. Gemachtigde heeft daar op 19 mei 2025 op gereageerd.
  • Dit advies wordt uitgebracht door de voorzitter, eerste commissielid, tweede commissielid.

Ontvankelijkheid en algemene opmerkingen

Niet in geschil is dat het bezwaarschrift ontvankelijk is.

Overwegingen ten aanzien van de bezwaren en het bestreden besluit

De Commissie ziet zich gesteld voor de vraag of UHT terecht en op goede gronden is gekomen tot haar beslissing om het verzoek van belanghebbende om compensatie of tegemoetkoming af te wijzen.

Volledigheid dossier, schending zorgvuldigheids- en motiveringsbeginsel

De Commissie heeft geen aanknopingspunten gevonden om aan te nemen dat hier niet is voldaan aan de in artikel 7:4 lid 2 Algemene wet bestuursrecht (Awb) neergelegde verplichting om alle op de zaak betrekking hebbende stukken ter inzage te leggen. Voor zover UHT haar beoordeling bij het uitbrengen van de bestreden beschikkingen niet voldoende zou hebben gemotiveerd dan wel onzorgvuldig zou hebben voorbereid, is dat gebrek door het indienen van de schriftelijke beschouwing, met daarin een uitgebreide uitleg met behulp van de overzichten van het Landelijk incassocentrum (hierna: LIC) en overige producties hersteld. De Commissie adviseert UHT daarom om dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.

Beoordeling afwijzing compensatie toeslagjaren 2006, 2007, 2008 en 2011

De Commissie heeft geen aanknopingspunten gevonden die erop wijzen dat de Belastingdienst/Toeslagen (B/T) bij de toekenning, aanpassing of terugvordering van de KOT voor de toeslagjaren 2006, 2007, 2008 en 2011 institutioneel vooringenomen heeft gehandeld of dat het stelsel te hard is geweest. De verlagingen van de KOT ten aanzien van deze toeslagjaren waren gelegen in een te hoog voorschot, dat op basis van reguliere wijzigingen opnieuw is berekend. Deze bijstellingen zijn conform de wet uitgevoerd. De reguliere correcties wijzen ook niet op onbillijkheden vanwege de hardheid waarmee het wettelijk systeem werd toegepast. Daarbij ligt het in de aard van een voorschot besloten, dat de werkelijke, later vast te stellen aanspraak, op een lager bedrag kan uitkomen. Aan een voorschot kan, in beginsel, niet het gerechtvaardigd vertrouwen worden ontleend, dat een definitieve aanspraak op een daarmee overeenstemmend bedrag bestaat. Ook de financiële situatie of financiële problemen van een belanghebbende, die terugbetaling van toeslagen verhinderden, zullen in het algemeen niet leiden tot de conclusie dat diegene gedupeerd is door hardheid van het stelsel. Voor deze situatie bestaat de mogelijkheid van een (persoonlijke) betalingsregeling. De Commissie heeft geen aanknopingspunten gevonden om hier ten aanzien van belanghebbende anders over te oordelen. Ook is er geen sprake van een onterechte kwalificatie opzet/grove schuld (O/GS), zodat ook geen aanspraak kan worden gemaakt op een daarop gebaseerde tegemoetkoming. De Commissie adviseert UHT daarom om dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.

Beoordeling hardheid toeslagjaar 2009

UHT heeft in de aanvullende beschouwing van 22 april 2025 compensatie toegekend vanwege hardheid van het stelsel voor het toeslagjaar 2009. De Commissie stelt vast dat in dat jaar een bedrag van € 5.952 aan kinderopvangtoeslag is uitbetaald aan kinderopvanginstelling 1, terwijl uit de KOI-viewer blijkt dat de kinderen van belanghebbende het gehele jaar opvang hebben genoten bij kinderopvanginstelling 2. Deze gegevens komen overeen met het door belanghebbende ingediende antwoordformulier en de desbetreffende jaaropgaven. De commissie heeft geen aanwijzingen gevonden die erop duiden dat belanghebbende in 2009 gebruik heeft gemaakt van opvang bij kinderopvanginstelling 1.

De uitbetalingen aan kinderopvanginstelling 2 stemmen overeen met de daadwerkelijk afgenomen opvang en zijn terecht ontvangen. De uitbetalingen in mei, juni en juli 2009 aan kinderopvanginstelling 1 kan de Commissie echter op basis van de beschikbare gegevens niet verklaren. Daarmee is aannemelijk dat het bedrag van € 5.952 onterecht en als het ware ‘te veel’ is uitbetaald aan de kinderopvanginstelling. Er zijn daarnaast geen concrete aanwijzingen die erop duiden dat dit bedrag aan belanghebbende ten goede is gekomen. Nu in hetzelfde jaar ook een terugvordering van meer dan € 1.500 heeft plaatsgevonden, acht de Commissie sprake van een bijzondere omstandigheid die recht geeft op compensatie vanwege hardheid van het stelsel.

Beoordeling toeslagjaar 2010

Gemachtigde heeft op de hoorzitting aangevoerd dat belanghebbende betwist dat zij de wijzigingen en stopzetting over het jaar 2010 zelf heeft doorgegeven. Belanghebbende stelt door de wijzigingen geen KOT meer te hebben ontvangen en daardoor circa € 2.000 te hebben moeten lenen van derden om de opvangkosten te kunnen betalen. UHT stelt dat belanghebbende op 28 januari 2011 de KOT zelf foutief heeft stopgezet en deze stopzetting vervolgens ook zelf weer heeft hersteld. De nihilstelling is vervolgens gecorrigeerd. De Commissie overweegt hierover als volgt.

De Commissie merkt allereerst op dat zij de (foutieve) stopzetting door belanghebbende met terugwerkende kracht tot 1 januari 2010, zoals door UHT gesteld, niet kan herleiden uit de beschikbare gegevens. Uit de specificaties en de tijdlijn over 2011 volgt dat belanghebbende op 28 januari 2011 de KOT heeft stopgezet met ingang van diezelfde datum. Kort daarna heeft zij een nieuwe aanvraag ingediend, waarna zij op 28 maart 2011 de KOT opnieuw heeft stopgezet, en wel met ingang van 1 april 2011. Dit stemt overeen met de verklaring van belanghebbende dat zij in januari 2011 per abuis een verkeerde einddatum heeft doorgegeven, die zij vervolgens zelf heeft gecorrigeerd. Uit het LIC-overzicht over 2011 volgt dat deze vergissing ertoe heeft geleid dat gedurende een periode geen KOT is uitbetaald. De gegevens uit de KOI-viewer bevestigen overigens dat vanaf 1 april 2011 geen opvang meer heeft plaatsgevonden. In het bezwaarschrift van 21 oktober 2011 leest de Commissie ook niets over een foutieve stopzetting met ingang van 1 januari 2010. De Commissie acht het, mede gelet op het feit dat de kinderen van belanghebbende het gehele jaar 2010 opvang hebben genoten, niet aannemelijk dat belanghebbende zelf een stopzetting per die datum heeft doorgegeven. De beschikbare gegevens bieden hiervoor ook geen aanwijzingen.

Verder constateert de Commissie dat de KOT over 2010 pas op 20 oktober 2011 is berekend op nihil. Het is naar haar oordeel opmerkelijk dat de stopzetting van 28 januari 2011 pas in oktober van dat jaar zou zijn verwerkt. Bovendien volgt uit het overzicht Regeling kinderopvangtoeslag (RKT) dat de aanleiding voor de nieuwe berekening een wijziging was die heeft geleid tot een zogenoemde uitworp. Hoewel de Commissie niet beschikt over nadere informatie over deze melding, is op basis van de beschikbare informatie de nihilbeschikking naar het oordeel van de Commissie te kwalificeren als een handeling die blijk geeft van vooringenomenheid. Er heeft voorafgaand aan de nihilstelling ook geen uitvraag plaatsgevonden bij belanghebbende. Voor zover dit relevant is voor de beslissing op bezwaar, adviseert de Commissie UHT om nader onderzoek te doen naar de aanleiding en de rechtmatigheid van de stopzetting op 20 oktober 2011, met inachtneming van het bovenstaande.

De Commissie heeft met instemming kennisgenomen van de aanvullende beschouwing van UHT van 30 april 2025, waaruit blijkt dat de nihilstelling uiteindelijk is gecorrigeerd. Echter, zoals hierboven is uiteengezet, is de Commissie van oordeel dat de stopzettingsbrief van 20 oktober 2011 is te kwalificeren als een handeling die blijk geeft van vooringenomenheid. De verlaging is niet tijdig, dat wil zeggen conform beleid binnen zes weken na dagtekening van de stopzettingsbrief, hersteld. Pas bij de beschikking van 17 september 2012 is tegemoetgekomen aan het bezwaar van belanghebbende, waarna vervolgens op 28 september een nieuwe voorschotbeschikking is gevolgd. Daarom mag worden verondersteld dat belanghebbende (materiële of immateriële) schade heeft geleden. Van “evident geen recht op KOT” is volgens de Commissie geen sprake, aangezien er bewijzen zijn waaruit volgt dat belanghebbende het hele jaar 2010 gebruik heeft gemaakt van kinderopvang. De Commissie adviseert UHT daarom om alsnog compensatie toe te kennen over het toeslagjaar 2010, op grond van vooringenomenheid.

Proceskostenvergoeding

Nu het primaire besluit (de bestreden beschikking) volgens dit advies dient te worden herroepen, adviseert de Commissie tevens om het verzoek voor vergoeding van de kosten van rechtsbijstand in deze bezwaarprocedure toe te wijzen.

Conclusie

Gelet op het voorgaande adviseert de Commissie om het bezwaar tegen de beschikking van 20 december 2022 met kenmerk UHT-DCHA gedeeltelijk gegrond te verklaren en om:

  • over het jaar 2009 alsnog compensatie op grond van hardheid toe te kennen; en
  • over het jaar 2010 alsnog compensatie op grond van vooringenomenheid toe te kennen; en
  • een vergoeding van de proceskosten voor de onderhavige bezwaarprocedure toe te kennen van twee procespunten met wegingsfactor twee voor het hoogste tarief.

Secretaris

Fungerend voorzitter