BAC 2023-13873
Publicatiedatum 27-01-2026
Advies van de Bezwaarschriftenadviescommissie hersteloperatie toeslagen
Aan: Belastingdienst/Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen (hierna: UHT)
Betreft: het bezwaarschrift van belanghebbende
Primaire besluiten: 16 juni 2023 (UHT-DCH), 11 juli 2023 (UHT-O OGS B)
Hoorzitting: 26 maart 2025
Overdracht advies aan UHT: 8 april 2025
Samenvatting
De Bezwaarschriftenadviescommissie (hierna: de Commissie) adviseert UHT om het bezwaar ongegrond te verklaren.
Onderwerp van advies
De door gemachtigde namens belanghebbende ingediende bezwaarschriften zijn gericht tegen de door UHT genomen definitieve beschikking herbeoordeling kinderopvangtoeslag van 16 juni 2023 met kenmerk UHT-DCH en tegen de definitieve beschikking tegemoetkoming opzet/grove schuld (O/GS) van 11 juli 2023 met kenmerk UHT-O OGS B.
Aan belanghebbende is met toepassing van de Wet hersteloperatie toeslagen (hierna: Wht) compensatie toegekend voor een bedrag van € 34.243,- voor het jaar 2009 en geen compensatie toegekend voor de jaren 2006 tot en met 2008 en 2010 tot en met 2013. Voor de toeslagjaren 2010 en 2013 is aan belanghebbende wel een O/GS-tegemoetkoming toegekend van € 4.888,-.
Procesverloop
- Belanghebbende heeft op 12 november 2021 verzocht om een herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag (hierna: KOT) over de jaren 2005 tot en met 2013. In overleg met gemachtigde zijn de jaren 2006 tot en met 2013 herbeoordeeld.
- UHT heeft bij beschikking van 26 januari 2022 aan belanghebbende meegedeeld dat zij wel in aanmerking komt voor een betaling van € 30.000,-.
- De Commissie van Wijzen (hierna: CvW) heeft haar beoordelingen van het verzoek van belanghebbende op 14 maart 2023 en 2 juni 2023 aan UHT toegestuurd. De CvW heeft geadviseerd dat gedurende de jaren 2006 tot en met 2008 en 2010 tot en met 2013 de compensatieregeling van artikel 2.1, eerste lid, Wht niet van toepassing is.
- UHT heeft bij de bestreden beschikking met kenmerk UHT-DCH aan belanghebbende een compensatie toegekend voor een bedrag van € 34.243,-voor het jaar 2009 en geen compensatie toegekend voor de jaren 2006 tot en met 2008 en 2010 tot en met 2013.
- Gemachtigde heeft bij brief van 24 juli 2023 tegen deze beschikking een bezwaarschrift ingediend.
- UHT heeft bij de bestreden beschikking met kenmerk UHT-O OGS B aan belanghebbende een O/GS-tegemoetkoming toegekend voor een bedrag van €4.888,- voor de jaren 2010 en 2013.
- Gemachtigde heeft bij brief van 24 juli 2023 tegen deze beschikking een bezwaarschrift ingediend.
- UHT heeft op 10 juli 2024 schriftelijk gereageerd op de bezwaarschriften.
- Op 26 maart 2025 heeft een hoorzitting plaatsgevonden. Van de hoorzitting is een verslag gemaakt, dat achter het advies is gevoegd.
- Dit advies wordt uitgebracht door de voorzitter, eerste commissielid, tweede commissielid.
Ontvankelijkheid en algemene opmerkingen
Niet in geschil is dat de bezwaarschriften ontvankelijk zijn.
Overwegingen ten aanzien van de bezwaren en het bestreden besluit
De Commissie ziet zich gesteld voor de vraag of UHT de toegekende compensatie voor het jaar 2009 en de O/GS-tegemoetkoming voor de jaren 2010 en 2013 op de juiste wijze heeft berekend en terecht en op goede gronden is gekomen tot haar beslissing om het verzoek van belanghebbende om compensatie voor de jaren 2006 tot en met 2008 en 2010 tot en met 2013 af te wijzen.
Belanghebbende stelt dat UHT handelt in strijd met het beginsel van equality of arms. In haar ogen wordt zij in haar procesbelang geschaad, omdat ze niet de beschikking krijgt over haar persoonlijk dossier en een volledig bezwaardossier en daardoor niet over de voor het voeren van bezwaar benodigde documenten beschikt.
De Commissie volgt dit standpunt van belanghebbende niet. De schriftelijke beschouwing en de onderliggende stukken zijn toegezonden, waaronder de overzichten van het Landelijk Incasso Centrum (LIC), de Informatie- en beoordelingsformulieren, inclusief de tijdlijn en de berekening van de component ‘rentevergoeding over gemiste kinderopvangtoeslag’. De Commissie vindt dat met het toezenden van deze stukken is voldaan aan de in artikel 7:4 lid 2 Algemene wet bestuursrecht neergelegde verplichting om alle op de zaak betrekking hebbende stukken ter inzage te leggen. Dat kan anders zijn als de belanghebbende een duidelijk aanknopingspunt geeft waarom het persoonlijk dossier moet worden afgewacht. Dat is hier niet gebeurd. De enkele opmerking dat bij onbekendheid van de stukken in dat dossier het mogelijk is dat er nog relevante informatie ontbreekt, is niet voldoende. Nu de op de zaak betrekking hebbende stukken zijn toegezonden is van een motiveringsgebrek zoals belanghebbende betoogt naar de Commissie meent voorts geen sprake. De Commissie adviseert UHT daarom om dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.
Reguliere bijstellingen
De Commissie heeft geen aanknopingspunten kunnen vinden dat voor de toeslagjaren 2006 tot en met 2008 en 2010, 2012 en 2013 sprake is geweest van institutioneel vooringenomen handelen door de Belastingdienst/Toeslagen (hierna: B/T) dan wel hardheid van het stelsel.
De melding van 11 april 2008 in de tijdlijn dat sprake is van uitworp in verband met onacceptabele risico’s leidt de Commissie niet tot het oordeel dat over toeslagjaar 2008 sprake is geweest van vooringenomen handelen. Uit de melding leidt de Commissie af dat de uitworp te maken heeft met het aantal opgegeven opvanguren; dit was meer dan de norm van 250 uur opvang per maand. Belanghebbende heeft vervolgens de facturen toegezonden aan B/T waaruit bleek dat sprake was van 260 uur opvang per maand (melding van 2 juni 2008). Vervolgens is ook KOT toegekend voor 260 uur bij voorschotbeschikking van 17 juli 2008. Over dit jaar is bovendien geen sprake geweest van een neerwaartse bijstelling van KOT: de KOT is vastgesteld op € 15.134,- en bij achtereenvolgende beschikkingen bepaald op € 16.359,-, € 25.096,- en € 25.563,-.
Ook over de jaren 2006, 2007 en 2012 is de KOT enkel opwaarts bijgesteld.
De terugvordering KOT over toeslagjaren 2010 en 2013 was gelegen in een te hoog voorschot, dat op basis van reguliere wijzigingen opnieuw is berekend. Deze bijstellingen zijn conform de wet uitgevoerd. Dergelijke bijstellingen geven in beginsel ook geen aanspraak op een zogenoemde hardheidstegemoetkoming. De Commissie heeft geen aanknopingspunten gevonden om hier ten aanzien van belanghebbende anders over te oordelen.
De terugvordering over het toeslagjaar 2011 is weliswaar als vooringenomen bestempeld door UHT, maar op basis van de jaaropgave was de verlaging terecht. Daarom is naar de Commissie meent terecht geen compensatie vanwege vooringenomen handelen toegekend voor dit jaar.
Verder is er voor de jaren 2006, 2007, 2008, 2011 en 2012 geen sprake geweest van een onterechte kwalificatie O/GS, zodat ook geen aanspraak kan worden gemaakt op een O/GS-tegemoetkoming voor deze jaren.
De Commissie adviseert UHT daarom om dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.
Het gegeven dat de KOT voor het volgende (toeslag)jaar automatisch is gecontinueerd, maakt naar het oordeel van de Commissie niet dat er sprake is van institutioneel vooringenomen handelen.
Belanghebbende betoogt dat de compensatieberekening onjuist is. Zij wijst erop dat component d (in rekening gebrachte rente die belanghebbende moest betalen) op nihil is gesteld terwijl zij wel onder component l (bedoeld zal zijn component i) rente en kosten heeft betaald. Ook component o (rentevergoeding over gemiste KOT) is niet na te gaan zonder nadere toelichting van B/T, dit geldt ook voor de aanvangsdatum van de vergoeding voor immateriële schade (component n), aldus belanghebbende.
Naar de Commissie meent heeft UHT de compensatieberekening, waaronder de componenten d, i, o en n, voldoende toegelicht in de Bijlage compensatieberekening bij de beschouwing. Namens belanghebbende is niet meer gereageerd op deze toelichting.
Volgens UHT zijn de vergoeding voor de immateriële schade en de rentevergoeding voor gemiste KOT in het voordeel van belanghebbende te hoog vastgesteld. Dit zal niet worden aangepast. De Commissie neemt hiervan met instemming kennis.
Belanghebbende betoogt dat de O/GS-vergoeding te laag is. Het totaalbedrag dat zij heeft moeten terugbetalen over 2010 en 2013 is namelijk hoger geweest dan €16.289,-.
Naar de Commissie meent heeft UHT de berekening van de O/GS-vergoeding in de beschouwing voldoende nader toegelicht. Namens belanghebbende is daar niet meer op gereageerd.
Op de hoorzitting is gebleken dat belanghebbende nog steeds veel vragen heeft en daarop antwoorden nodig heeft om toe te komen aan daadwerkelijk herstel.
De Commissie stelt vast dat niet op alle vragen een antwoord mogelijk is gebleken. Desondanks hoopt de Commissie dat belanghebbende een begin kan maken met herstel en vooruit kan in haar leven, en wenst de Commissie haar dat ook toe.
Nu de Commissie niet adviseert een van de primaire besluiten te herroepen, is er geen aanleiding een vergoeding van de proceskosten toe te kennen.
Conclusie
Samengevat adviseert de Commissie om het bezwaar ongegrond te verklaren.
Secretaris
Fungerend voorzitter