BAC 2023-13869
Publicatiedatum 01-04-2026
Advies van de Bezwaarschriftenadviescommissie hersteloperatie toeslagen
Aan: Belastingdienst/Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen (hierna: UHT)
Betreft: het bezwaarschrift van belanghebbende
Primair besluit: 26 juli 2023 (UHT-DCHA)
Hoorzitting: 2 oktober 2025
Overdracht advies aan UHT: 13 november 2025
Samenvatting
De Bezwaarschriftenadviescommissie (hierna: de Commissie) adviseert UHT om het bezwaar ongegrond te verklaren en het verzoek tot een proceskostenvergoeding af te wijzen.
Onderwerp van advies
Het door gemachtigde namens belanghebbende ingediende bezwaarschrift is gericht tegen de door UHT genomen definitieve beschikking compensatie kinderopvangtoeslag.
Aan belanghebbende is met toepassing van de Wet hersteloperatie toeslagen (hierna: Wht) geen compensatie toegekend voor de (toeslag)jaren 2015 en 2016.
Procesverloop
- Belanghebbende heeft op 17 januari 2022 verzocht om een herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag (hierna: KOT) over de (toeslag)jaren 2015 en 2016.
- UHT heeft bij beschikking van 11 november 2022, met kenmerk UHT- CHR GU, aan belanghebbende medegedeeld dat hij niet in aanmerking komt voor een betaling van €30.000 op grond van de Catshuisregeling, maar dat de beoordeling nog niet is afgerond.
- Belanghebbende heeft op 4 april 2023 bezwaar gemaakt tegen de beschikking van 11 november 2022.
- De Commissie van Wijzen (hierna: CvW) heeft haar beoordeling van het verzoek van belanghebbende op 5 juli 2023 aan UHT toegestuurd. CvW heeft geadviseerd dat gedurende de betrokken jaren geen sprake is geweest van institutionele vooringenomenheid of bijzondere omstandigheden.
- UHT heeft bij bestreden definitieve beschikking van 26 juli 2023, met kenmerk UHT-DCHA, aan belanghebbende medegedeeld dat hij geen recht heeft op compensatie voor de (toeslag)jaren 2015 en 2016.
- Gemachtigde heeft bij brief van 24 juli 2023 tegen deze beschikking bezwaar gemaakt.
- UHT heeft het bezwaar van 4 april 2023 tegen de beschikking van 11 november 2022 op 19 juli 2024 niet-ontvankelijk verklaard, omdat de integrale beoordeling inmiddels had plaatsgevonden.
- Gemachtigde heeft bij brief van 20 november 2024 het bezwaar van 24 juli 2023 aangevuld.
- UHT heeft op 17 april 2025 schriftelijk gereageerd op het bezwaarschrift.
- Op 2 oktober 2025 heeft een hoorzitting plaatsgevonden. Van de hoorzitting is een verslag gemaakt, dat achter het advies is gevoegd.
- Gemachtigde heeft, zoals tijdens de zitting besproken, op 3 oktober 2025 nadere stukken overgelegd.
- UHT heeft, daartoe door de Commissie ter zitting verzocht, op 17 oktober 2025 een nadere schriftelijke reactie ingediend. Gemachtigde heeft daar op 22 oktober 2025 op gereageerd.
- Dit advies wordt uitgebracht door de voorzitter, eerste commissielid en tweede commissielid.
Ontvankelijkheid
Niet in geschil is dat het bezwaarschrift ontvankelijk is.
Overwegingen ten aanzien van de bezwaren en het bestreden besluit
De Commissie ziet zich gesteld voor de vraag of UHT terecht en op goede gronden is gekomen tot haar beslissing om het verzoek van belanghebbende om compensatie of tegemoetkoming over de (toeslag)jaren 2015 en 2016 af te wijzen.
De Commissie kan UHT volgen in het ingenomen standpunt ten aanzien van de motivering van het besluit en de zorgvuldigheid van het hieraan ten grondslag liggende onderzoek. Voor zover sprake is van onzorgvuldige voorbereiding of gebreken in de motivering van het bestreden besluit kunnen die gebreken in de beslissing op bezwaar door UHT worden hersteld aan de hand van wat daarover in haar beschouwing is opgemerkt.
Belanghebbende stelt in de eerste plaats dat zijn dossier niet aan hem verstrekt is. De stukken die hij daarna wel heeft ontvangen zijn onvolledig en de SAS-overzichten zijn niet leesbaar.
De Commissie volgt dit standpunt van belanghebbende niet. De schriftelijke reactie van UHT en de onderliggende stukken zijn op 23 juli 2025 toegezonden. De Commissie vindt dat met het toezenden van deze stukken is voldaan aan de in artikel 7:4 lid 2 Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) neergelegde verplichting om alle op de zaak betrekking hebbende stukken ter inzage te leggen.
De hersteloperatie is bedoeld om belanghebbenden financieel te compenseren voor het leed dat hun is aangedaan en te proberen het vertrouwen in de overheid te herstellen. In de ogen van de Commissie worden deze belangen het beste gediend als een belanghebbende zo snel mogelijk inzicht krijgt in de informatie over zijn of haar situatie, in de vorm van een ouderdossier. Daarom staat de Commissie positief tegenover het ouderdossier en de spoedige verstrekking daarvan aan belanghebbende. Dat betekent echter niet dat daarom nu geconcludeerd moet worden dat het verstrekte bezwaardossier onvolledig is. Dat kan anders zijn als de belanghebbende een duidelijk aanknopingspunt geeft waarom het ouderdossier moet worden afgewacht. Dat is hier niet gebeurd. De enkele opmerking dat een deel van de stukken ontbreekt is niet voldoende. UHT heeft in haar beschouwing aangegeven het dossier, met daarbij de SAS-overzichten, nogmaals digitaal te versturen, zodat deze leesbaar zijn voor belanghebbende. De Commissie adviseert UHT om dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.
Herbeoordeling (toeslag)jaren 2015 en 2016
De Commissie heeft geen aanknopingspunten kunnen vinden om te adviseren dat er bij de toekenning, aanpassing of terugvordering van de kinderopvangtoeslag (hierna: KOT) voor (toeslag)jaren 2015 en 2016 sprake is geweest van institutioneel vooringenomen handelen door de Belastingdienst/Toeslagen (hierna: B/T) dan wel hardheid van het stelsel. De terugvordering KOT over toeslagjaar 2015 was gelegen in een te hoog voorschot, dat op basis van reguliere wijzigingen opnieuw is berekend. Zo is er per 1 juli 2015 KOT aangevraagd en toegekend. De KOT is verlaagd op basis van door belanghebbende doorgegeven wijzigingen in opvanguren. Belanghebbende heeft ten gevolgde van zijn wisselende werktijden in de zorg regelmatig wijzigingen doorgegeven ten aanzien van de kinderopvang, waardoor de KOT wijzigde in hoogte. In 2016 is de KOT op nihil gesteld, ten gevolge van een stopzetting per 1 januari 2016.
Belanghebbende heeft betwist dat hij alle wijzigingen en de stopzetting in 2016 zelf heeft doorgevoerd en heeft in dat kader een machtiging ten behoeve van de gemeente Enschede overgelegd. Belanghebbende sluit ook niet uit dat zijn toenmalige toeslagpartner wijzigingen heeft doorgevoerd.
De Commissie overweegt als volgt. Om de KOT te kunnen wijzigen, moet de aanvrager inloggen met zijn/haar persoonlijke DigiD-inloggegevens. Daarmee heeft B/T willen bewerkstelligen dat alleen een rechthebbende op de toeslag een dergelijke aanvraag kan indienen. Een DigiD biedt immers een persoonsgebonden ingang naar een digitaal portaal. Belanghebbende heeft verklaard dat hij zijn inloggegevens in die tijd met de gemeente heeft gedeeld. Hoewel de Commissie niet uitsluit dat belanghebbende dit te goeder trouw heeft gedaan, is zij toch van oordeel dat het delen van DigiD-inloggegevens voor rekening en risico van belanghebbende dient te komen.
Ten aanzien van de stopzetting in 2016 klopt het dat belanghebbende dit niet zelf heeft gedaan, maar zijn toenmalige toeslagpartner. Zij heeft op 10 januari 2016 de KOT per 1 januari 2016 stopgezet. Dit blijkt ook uit het stopzettingsbericht. Als toeslagpartner was zij gerechtigd om de KOT stop te zetten en om wijzigingen door te voeren. Er is hierna geen nieuwe aanvraag KOT meer ingediend. Belanghebbende heeft evenmin bezwaar gemaakt tegen de stopzetting.
Voornoemde bijstellingen zijn conform de wet uitgevoerd. Dergelijke bijstellingen geven in beginsel ook geen aanspraak op een zogenoemde hardheidstegemoetkoming. De Commissie heeft geen aanknopingspunten gevonden om hier ten aanzien van belanghebbende anders over te oordelen. Verder is er ook geen sprake geweest van een onterechte kwalificatie opzet/grove schuld, zodat ook hierop geen aanspraak kan worden gemaakt. De Commissie adviseert UHT dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.
Gelijkheidsbeginsel
Belanghebbende heeft, onder verwijzing naar het advies BAC 2023-11591, een beroep gedaan op het gelijkheidsbeginsel. Belanghebbende betoogt dat in die zaak, onder vergelijkbare omstandigheden, wél compensatie is toegekend. In beide dossiers gaat het volgens belanghebbende om een gehuwde ouder die in de relevante jaren de kinderopvangtoeslag heeft aangevraagd, waarbij sprake was van gezamenlijke inschrijving en eenzelfde verdeling van zorg- en betalingstaken. In de andere zaak is geoordeeld dat de aanvragende ouder ondanks het huwelijk zelfstandig is gedupeerd.
UHT heeft geoordeeld dat het gelijkheidsbeginsel niet geschonden is. Zij heeft zich daarbij toegespitst op het feit dat in de zaak BAC 2023-11591 het inzagerecht geschonden was en dat daar in onderhavige zaak geen sprake van is.
De Commissie overweegt als volgt. In onderhavige zaak is geoordeeld dat er ten aanzien van de betreffende toeslagjaren, 2015 en 2016, geen sprake is geweest van institutioneel vooringenomen handelen door B/T dan wel hardheid van het stelsel. Nu gedupeerdheid niet wordt aangenomen, is er alleen om die reden al geen sprake van vergelijkbare zaken. Een beroep op het gelijkheidsbeginsel kan daarom niet slagen.
Proceskosten
Nu de Commissie niet adviseert het primaire besluit te herroepen, is er geen aanleiding een vergoeding van de proceskosten toe te kennen.
Conclusie
Samengevat adviseert de Commissie om het bezwaar ongegrond te verklaren en het verzoek tot een proceskostenvergoeding af te wijzen.
[handtekening]
Secretaris
[handtekening]
Fungerend voorzitter