Ga direct naar de inhoud Ga direct naar de filters Ga direct naar de footer

BAC 2023-13817

Advies van de Bezwaarschriftenadviescommissie hersteloperatie toeslagen

Aan: Belastingdienst/Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen (hierna: UHT)

Betreft: het bezwaarschrift van belanghebbende

Primair besluit: 9 juni 2023 (UHT-DCHA)

Hoorzitting: N.V.T.

Overdracht advies aan UHT: 3 november 2025

Samenvatting

De Bezwaarschriftenadviescommissie (hierna: de Commissie) adviseert UHT om het bezwaar ongegrond te verklaren en de beschikking van 9 juni 2023 met kenmerk UHT-DCHA in stand te laten. De Commissie adviseert voorts om geen vergoeding van de kosten van rechtsbijstand toe te kennen.

Onderwerp van advies

Het door gemachtigde namens belanghebbende ingediende bezwaarschrift is gericht tegen de door UHT genomen definitieve beschikking beoordeling kinderopvangtoeslag van 9 juni 2023 met kenmerk UHT-DCHA.

Aan belanghebbende is met toepassing van de Wet hersteloperatie toeslagen (hierna: Wht) geen compensatie toegekend voor de toeslagjaren 2010 tot en met 2014.

Procesverloop

  • Belanghebbende heeft op 14 juni 2021 verzocht om een herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag (hierna: KOT) over de toeslagjaren 2010 tot en met 2014.
  • UHT heeft bij beschikking van 10 maart 2022 aan belanghebbende medegedeeld dat zij (nog) niet in aanmerking komt voor een betaling van €30.000.
  • De Commissie van Wijzen (hierna: CvW) heeft haar beoordeling van het verzoek van belanghebbende op 23 mei 2023 aan UHT toegestuurd. De CvW heeft geadviseerd dat de compensatieregeling van artikel 2.1, lid 1, van de Wht niet van toepassing is op de toeslagjaren 2010 tot en met 2014.
  • UHT heeft bij bestreden beschikking van 9 juni 2023 met kenmerk UHT-DCHA aan belanghebbende medegedeeld dat zij geen recht heeft op compensatie voor de toeslajaren 2010 tot en met 2014.
  • Gemachtigde heeft bij brief van 20 juli 2023 tegen deze beschikking een bezwaarschrift ingediend.
  • UHT heeft op 17 maart 2025 schriftelijk gereageerd.
  • Gemachtigde heeft de Commissie op 31 oktober 2025 geïnformeerd dat belanghebbende afziet van het recht om te worden gehoord. Belanghebbende verzoekt om een advies van de Commissie op grond van de stukken.
  • Dit advies wordt uitgebracht door de voorzitter, eerste commissielid, tweede commissielid.

Ontvankelijkheid en algemene opmerkingen

Niet in geschil is dat het bezwaarschrift ontvankelijk is.

Overwegingen ten aanzien van de bezwaren en het bestreden besluit

Procedurele bezwaren

Onvolledig dossier, persoonlijk dossier en equality of arms

Belanghebbende voert in bezwaar aan dat UHT handelt in strijd met het beginsel van equality of arms. In haar ogen wordt zij in zijn procesbelang geschaad omdat zij niet de beschikking heeft over haar persoonlijk dossier en/of een volledig ouderdossier en daardoor niet over de voor het voeren van het bezwaar benodigde documenten beschikt.

De Commissie volgt dit standpunt van belanghebbende niet. De schriftelijke beschouwing en de onderliggende stukken zijn op 24 juli 2025 aan gemachtigde toegezonden. De Commissie vindt dat met het toezenden van deze stukken is voldaan aan de in artikel 7:4, lid 2, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) neergelegde verplichting om alle op de zaak betrekking hebbende stukken ter inzage te leggen. Dat kan anders zijn als de belanghebbende een duidelijk aanknopingspunt geeft waarom het persoonlijk dossier moet worden afgewacht. De enkele opmerking dat bij onbekendheid van de stukken in dat dossier het zo kán zijn dat er nu relevante informatie ontbreekt, is niet voldoende. De Commissie adviseert UHT daarom om dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.

Beoordeling toeslagjaren 2010 tot en met 2014

De Commissie ziet zich, uitgaande van de gronden van bezwaar en de inhoud van de bestreden beschikking, gesteld voor de beantwoording van de vraag of UHT terecht en op goede gronden is gekomen tot haar beslissing om het verzoek van belanghebbende om compensatie of tegemoetkoming voor de toeslagjaren 2010 tot en met 2014, af te wijzen.

Beoordeling afwijzing compensatie toeslagjaren 2010 tot en met 2012

Belanghebbende voert aan aanspraak te hebben op compensatie op grond van vooringenomenheid.

De Commissie overweegt als volgt. Voor compensatie komt, ingevolge het bepaalde in de Wht, voor zover hier van belang, kortweg, in aanmerking de ouder waarvan aannemelijk is dat de vaststelling van zijn of haar aanspraak op KOT in enig jaar onderdeel is geweest van vooringenomenheid of van hardheid in de handelwijze van de Belastingdienst/Toeslagen (hierna: B/T).

De Commissie stelt vast dat ten aanzien van het toeslagjaar 2010 geen neerwaartse bijstelling heeft plaatsgevonden. Ten aanzien van het toeslagjaar 2011 hebben drie neerwaartse bijstellingen plaatsgevonden. De eerste neerwaartse bijstelling vond plaats bij voorschotbeschikking van 11 mei 2011 naar aanleiding van een door of namens belanghebbende doorgegeven wijziging van het aantal opvanguren. De tweede neerwaartse bijstelling vond plaats bij voorschotbeschikking van 21 oktober 2011 naar aanleiding van een telefonische stopzetting van de KOT per 31 december 2011. De derde neerwaartse bijstelling vond plaats bij definitieve beschikking van 25 juni 2013 naar aanleiding van een stijging van het gezamenlijk toetsingsinkomen. Ten aanzien van het toeslagjaar 2012 heeft één neerwaartse bijstelling plaatsgevonden bij definitieve beschikking van 10 oktober 2014 naar aanleiding van een stijging van het gezamenlijk toetsingsinkomen.

Gelet op het voorgaande, en bij gebrek aan duidelijke, in een andere richting wijzende gegevens, is de Commissie van opvatting dat het niet aannemelijk is geworden dat er bij de toekenning, aanpassing of terugvordering van de KOT voor de toeslagjaren 2010 tot en met 2012 sprake is geweest van institutioneel vooringenomen handelen door B/T. De bijstellingen zijn conform de wet uitgevoerd. Dergelijke bijstellingen geven in beginsel ook geen aanspraak op een zogenoemde hardheidstegemoetkoming. De Commissie heeft geen aanknopingspunten gevonden om hier ten aanzien van belanghebbende anders over te oordelen. De Commissie adviseert UHT daarom om het bezwaar op dit onderdeel ongegrond te verklaren.

Beoordeling afwijzing compensatie toeslagjaren 2013 en 2014

Belanghebbende voert aan aanspraak te hebben op compensatie op grond van vooringenomenheid.

UHT voert aan dat weliswaar sprake was van vooringenomenheid voor de toeslagjaren 2013 en 2014, maar dat sprake is van een situatie waarin evident geen recht op KOT bestond. Volgens UHT is geen sprake van gekwalificeerde opvang geweest, omdat belanghebbende dit in haar ouderverhaal zelf heeft verklaard.

De Commissie overweegt dat UHT op grond van artikel 2.1, lid 1, van de Wht op aanvraag compensatie toekent als aan de toepassingsvereisten als bedoeld in dat artikellid wordt voldaan. Ingevolge artikel 2.1, lid 2, van de Wht wordt de compensatie echter niet toegekend indien de door de aanvrager van KOT geleden schade te wijten is aan ernstige onregelmatigheden die aan haar toerekenbaar zijn. De situatie van evident geen recht op KOT, waar UHT op doelt, valt onder artikel 2.1, lid 2, van de Wht. De Commissie overweegt dat de bewijslast hiervoor bij UHT ligt.

De Commissie overweegt voorts dat belanghebbende in haar ouderverhaal heeft verklaard gebruik te hebben gemaakt van kinderopvang in de toeslagjaren 2010 tot en met 2012. Zij heeft deze verklaring nadien niet weersproken. Gelet op deze verklaring, en bij gebrek aan duidelijke, in een andere richting wijzende gegevens, is het niet aannemelijk geworden dat belanghebbende in de toeslagjaren 2013 en 2014 geregistreerde opvang heeft genoten. De Commissie is derhalve van opvatting dat UHT zich terecht op het standpunt stelt dat sprake is van een situatie waarin belanghebbende evident geen recht had op KOT. De Commissie adviseert UHT derhalve het bezwaar op dit onderdeel ongegrond te verklaren.

Beslagvrije voet

Belanghebbende stelt dat B/T over de toeslagjaren 2010 tot en met 2014 geen rekening heeft gehouden met haar beslagvrije voet en dat daarom sprake is van hardheid van het stelsel.

De Commissie overweegt dat de KOT expliciet is uitgesloten van de beslagvrije voet in artikel 475c, sub j, Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering. De vraag of, en in hoeverre, rekening is gehouden met de beslagvrije voet bij verrekeningen met andere toeslagen, valt buiten de reikwijdte van de begrippen vooringenomen handelen en hardheid van het stelsel binnen het kader van de Wht en daarmee buiten de reikwijdte van de huidige bezwaarprocedure.

Automatische continuering KOT

Belanghebbende stelt dat B/T onzorgvuldig heeft gehandeld bij de automatische continuatie van de KOT over het toeslagjaar 2013.

De Commissie overweegt dat UHT terecht heeft gesteld dat een toeslagaanvraag geacht wordt mede te zijn gedaan voor de op het berekeningsjaar volgende berekeningsjaren (artikel 15, lid 5, Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen). B/T heeft daarmee de reguliere wettelijke procedure gevolgd zodat er door het enkele feit van een automatische continuatie geen sprake is van vooringenomenheid of hardheid. Uit de (algemene) stellingname van belanghebbende is verder niet aannemelijk geworden waarom dat wel het geval zou zijn voor een of meerdere toeslagjaren. De Commissie adviseert UHT dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.

Algemene beginselen van behoorlijk bestuur

Belanghebbende stelt dat sprake is geweest van schending van het motiveringsbeginsel.

Met de door UHT in bezwaar ingediende beschouwing en de overgelegde stukken – waaronder een uitgebreide uitleg met behulp van de Landelijke Incasso Centrum (LIC) overzichten - en de overige producties, is in ieder geval thans geen sprake van strijd met het door belanghebbende genoemde algemeen beginsel van behoorlijk bestuur. De vraag of die strijd er wel was ten tijde van de bestreden beschikking behoeft in dit geval geen beantwoording. Wat nader is onderbouwd en uiteengezet omtrent de voorbereiding en motivering van de bestreden beschikking leidt immers niet tot het herroepen daarvan.

Vergoeding van de kosten van rechtsbijstand

Gemachtigde heeft verzocht om een vergoeding van de kosten van rechtsbijstand voor deze bezwaarprocedure. Nu het bezwaar volgens de Commissie, de hiervoor geformuleerde vraag bevestigend beantwoordend, ongegrond is komen deze kosten niet voor vergoeding in aanmerking.

Conclusie

Samengevat adviseert de Commissie aan UHT om:

  • het bezwaar tegen de beschikking van 9 juni 2023 met kenmerk UHT-DCHA ongegrond te verklaren en de beschikking in stand te laten;
  • en geen vergoeding van de kosten van rechtsbijstand toe te kennen.

Secretaris

Fungerend voorzitter