Ga direct naar de inhoud Ga direct naar de filters Ga direct naar de footer

BAC 2023-13793

Advies van de Bezwaarschriftenadviescommissie hersteloperatie toeslagen

Aan: Belastingdienst/Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen (hierna: UHT)

Betreft: het bezwaarschrift van belanghebbende

Primair besluit: 26 mei 2023 (UHT-DCH ZV)

Hoorzitting: 21 mei 2025

Overdracht advies aan UHT: 10 juli 2025

Samenvatting

De Bezwaarschriftenadviescommissie (hierna: de Commissie) adviseert UHT om het bezwaar gegrond te verklaren en compensatie toe te kennen over het gehele jaar 2015 en 2016.

Onderwerp van advies

Het door gemachtigde namens belanghebbende ingediende bezwaarschrift is gericht tegen de door UHT genomen definitieve beschikking compensatie kinderopvangtoeslag.

Aan belanghebbende is met toepassing van de Wet hersteloperatie toeslagen (hierna: Wht) compensatie toegekend voor een bedrag van € 57.233,- voor de jaren 2010, 2011, 2013 (gedeeltelijk), 2014 en 2015 (gedeeltelijk) en geen compensatie toegekend voor de jaren 2012 en 2016.

Procesverloop

  • Belanghebbende heeft op 2 september 2021 verzocht om een herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag (hierna: KOT) over het jaar 2012. Na afstemming met belanghebbende is het herbeoordelingsverzoek uitgebreid tot de jaren 2010 tot en met 2016.
  • UHT heeft bij beschikking van 18 mei 2022 aan belanghebbende/bewindvoerder medegedeeld dat zij wel in aanmerking komt voor een betaling van € 30.000,-.
  • De Commissie van Wijzen (hierna: CvW) heeft haar beoordeling van het verzoek van belanghebbende op 11 mei 2023 aan UHT toegestuurd. De CvW heeft geadviseerd dat gedurende het jaar 2012, de maanden januari tot en met oktober 2013, de maanden april tot en met september 2015 en het gehele toeslagjaar 2016 geen sprake is geweest van institutionele vooringenomenheid of bijzondere omstandigheden.
  • UHT heeft bij de bestreden beschikking met kenmerk UHT-DCH ZV aan belanghebbende geen compensatie toegekend voor het jaar 2012, de maanden januari tot en met oktober 2013, de maanden april tot en met september 2015 en het gehele toeslagjaar 2016.
  • UHT heeft bij de bestreden beschikking met kenmerk UHT-DCH ZV aan belanghebbende een compensatie toegekend voor een bedrag van € 57.233,-voor de jaren 2010, 2011, 2013 (gedeeltelijk), 2014 en 2015 (gedeeltelijk).
  • Gemachtigde heeft bij brief van 19 juni 2023 tegen deze beschikkingen een bezwaarschrift ingediend.
  • UHT heeft op 28 oktober 2024 schriftelijk gereageerd op het bezwaarschrift.
  • Op 21 mei 2025 heeft een hoorzitting plaatsgevonden. Van de hoorzitting is een verslag gemaakt, dat achter het advies is gevoegd.
  • UHT heeft, daartoe door de Commissie ter zitting verzocht, op 26 mei 2025 een nadere schriftelijke reactie ingediend. Gemachtigde heeft daar op 12 juni 2025 op gereageerd.
  • Dit advies wordt uitgebracht door de voorzitter, eerste commissielid, tweede commissielid.

Ontvankelijkheid en algemene opmerkingen

Niet in geschil is dat het bezwaarschrift ontvankelijk is.

Ter hoorzitting heeft gemachtigde het bezwaarschrift tegen het door UHT genomen besluit van 8 juli 2024 met kenmerk UHT-DCHO aan de orde gesteld, aangaande de tegemoetkoming opzet/grove schuld over de jaren 2015 en 2016. Gemachtigde heeft dit bezwaar vervolgens ter hoorzitting ingetrokken. De Commissie zal daarom niet adviseren over het besluit van 8 juli 2024.

Overwegingen ten aanzien van de bezwaren en het bestreden besluit

De Commissie ziet zich, gelet op de aangevoerde bezwaargronden, gesteld voor de vraag of UHT de toegekende compensatie voor de jaren 2010, 2011, 2013 (gedeeltelijk), 2014 en 2015 (gedeeltelijk) op de juiste wijze heeft berekend en terecht en op goede gronden is gekomen tot haar beslissing om het verzoek van belanghebbende om compensatie of tegemoetkoming voor de jaren 2012, 2015 (gedeeltelijk) en 2016 af te wijzen.

Afwijzing compensatie toeslagjaren 2012, 2015 (gedeeltelijk) en 2016

De Commissie zal hieronder eerst de bezwaargronden over de periodes waarover compensatie is afgewezen bespreken.

Toeslagjaar 2012

Het jaar 2012 is niet voor compensatie in aanmerking gekomen. Belanghebbende betoogt dat dit jaar wel voor compensatie in aanmerking moet komen omdat de KOT bij definitieve beschikking over het toeslagjaar 2012 indertijd te laag is vastgesteld, gelet op het verschil met de werkelijke opvangkosten.

De Commissie overweegt dat de Wht is bedoeld voor herstel van vooringenomen handelen, hardheid of een onterechte O/GS-kwalificatie en niet betrekking heeft op de herziening van definitieve KOT-beschikkingen. Een beoordeling van de juistheid van de vaststelling van de hoogte van de KOT valt buiten de reikwijdte van de Wht. De Commissie adviseert UHT daarom om dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.

Toeslagjaren 2015 en 2016

Tussen partijen staat vast dat de Belastingdienst/Toeslagen institutioneel vooringenomen heeft gehandeld ten aanzien van de toeslagjaren 2015 en 2016. Voor het jaar 2015 is compensatie deels afgewezen en voor het gehele jaar 2016 is geen compensatie toegekend.

Toekenning van compensatie blijft, ingevolge artikel 2.1, lid 2, van de Wht, achterwege als sprake is van ernstige onregelmatigheden die aan de ouder toerekenbaar zijn. Dit laatste is onder meer het geval in situaties waarin een belanghebbende evident geen recht had op KOT. Volgens UHT was hiervan sprake in de periode van april 2015 tot en met december 2016, omdat belanghebbende over die periode in het ouderverhaal heeft verklaard dat haar kinderen uit huis waren geplaatst. Hiermee zou ze niet voldoen aan de voorwaarde dat ouder en kind op hetzelfde adres moeten staan ingeschreven. Daarom heeft UHT in het bestreden besluit geen compensatie toegekend over die periode.

Op de hoorzitting heeft belanghebbende samen met haar vader een toelichting gegeven over de uithuisplaatsing van haar kinderen en de kinderopvang in die periode. De kinderen zijn, met uitzondering van de eerste twee weken na de uithuisplaatsing, bij haar moeder geplaatst. De moeder van belanghebbende en diens partner werkten beiden.

Tijdens hun werktijden werden de kinderen opgevangen door een gastouder. De vader van belanghebbende bevestigt dit. De KOT die belanghebbende ontving, heeft zij gebruikt om de gastouder te betalen. Daarnaast heeft belanghebbende verklaard dat haar kinderen buiten haar weten om en zonder haar toestemming zijn uitgeschreven van haar adres. Dit was erg pijnlijk voor haar.

UHT heeft zich na hoorzitting, in haar beschouwing van 26 mei 2025, op het gewijzigde standpunt gesteld dat belanghebbende ook recht heeft op compensatie voor de periode april tot en met september 2015, nu uit de gemeentelijke basisregistratie volgt dat belanghebbende samen met haar kinderen tot 24 september 2015 op hetzelfde adres stond ingeschreven. Voor de periode oktober tot en met december 2015 en het jaar 2016 handhaaft UHT haar standpunt dat sprake is van evident geen recht op KOT. UHT wijst er in dat verband op dat belanghebbende pas vanaf 21 december 2017 weer met haar kinderen op hetzelfde adres woonde.

De Commissie neemt met instemming kennis van het voornemen van UHT om aan belanghebbende ook voor de maanden april tot en met september 2015 compensatie toe te kennen.

De Commissie is verder van mening dat belanghebbende ook recht heeft op compensatie over de periode oktober tot en met december van 2015 en het jaar 2016. Zij overweegt dat de bewijslast dat sprake is van ernstige onregelmatigheden die aan belanghebbende toerekenbaar zijn op UHT rust. In dit geval heeft UHT haar stelling dat sprake is van ernstige toerekenbare onregelmatigheden onvoldoende onderbouwd.

Ten eerste meent de Commissie dat de uitschrijfdatum van 24 september 2015 van haar kinderen niet aan belanghebbende tegengeworpen kan worden, nu zij heeft verklaard dat de uitschrijving zonder haar medeweten en tegen haar wil heeft plaatsgevonden. Het is daarom niet duidelijk, in ieder geval allerminst evident, of en wanneer belanghebbende er van op de hoogte kon zijn dat zij niet (meer) aan de materiële eisen voor KOT voldeed. Noch belanghebbende, noch Jeugdzorg of haar moeder die het gezag had verkregen over de kinderen van belanghebbende is op enig moment door B/T op de hoogte gesteld dat zij niet zou voldoen aan de materiële eisen voor KOT. De reden voor de stopzetting van de KOT was gelegen in vooringenomen handelen, niet omdat B/T zich destijds op het standpunt stelde dat er niet aan de materiële eisen werd voldaan. Dit standpunt heeft UHT pas ingenomen in het compensatietraject na de verklaring van belanghebbende in het ouderverhaal.

De verklaring van belanghebbende, dat haar kinderen gedurende de uithuisplaatsing naar een gastouder gingen die belanghebbende vanuit de door haar ontvangen KOT betaalde, acht de Commissie geloofwaardig. Zij verkeerde in een moeilijke positie waarin zij afhankelijk was van beslissingen en begeleiding door Jeugdzorg en andere betrokken instanties. Kennelijk heeft geen van deze instanties adequaat ingespeeld op de noodzaak om de KOT ten tijde van de uithuisplaatsing te regelen op een manier waarop het recht daarop niet in gevaar zou komen. De gedwongen uithuisplaatsing van de kinderen en het zonder medeweten van belanghebbende uitschrijven van de kinderen van haar adres is zeer pijnlijk geweest voor belanghebbende en kan niet worden gezien als een toerekenbare tekortkoming aan haar zijde. Belanghebbende heeft de handeling immers niet zelf verricht en was van het laatste niet op de hoogte. Daarbij komt dat, zoals belanghebbende en haar vader hebben verklaard, de KOT is gebruikt om de kosten van de gastouder te voldoen.

In het geheel van de omstandigheden is de Commissie daarom van mening dat onvoldoende is gebleken van ernstige onregelmatigheden die aan belanghebbende toerekenbaar zijn, in de zin van artikel 2.1, lid 2, van de Wht. De Commissie adviseert UHT daarom om belanghebbende compensatie toe te kennen op grond van vooringenomen handelen voor het gehele jaar 2015 en het jaar 2016.

Compensatieberekening

De vergoeding voor immateriële schade

Gemachtigde voert aan de startdatum van de vergoeding voor immateriële schade moet worden vastgesteld op 23 januari 2012. Volgens de tijdlijn uit het informatie- en beoordelingsformulier (productie 4, onderdeel E, blz. 25) is er op die datum een stopbrief gestuurd.

De Commissie volgt UHT in haar standpunt dat sprake is van een kennelijke verschrijving in de tijdlijn. Immers wordt daarin verwezen naar een onderliggend stuk, te weten het RKT-bestand (productie 26), waaruit volgt dat de KOT voor toeslagjaar 2011 op 23 oktober 2012 is stopgezet en op diezelfde datum een brief met kenmerk ‘LRK U BT11’ is verstuurd. De verschrijving zit aldus in het noteren van maand ‘01’ in plaats van ‘10’. De Commissie adviseert UHT daarom om de thans gehanteerde startdatum van 23 oktober 2012 te handhaven en om dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.

De vergoeding voor juridische kosten

Gemachtigde betoogt dat belanghebbende recht heeft op een vergoeding voor juridische kosten voor de indertijd ingediende bezwaarschriften, ter hoogte van 0.5 procespunt per bezwaarschrift. Zij heeft daarbij namelijk hulp gehad van [naam] Jeugdzorg.

De Commissie overweegt dat de vergoeding voor juridische kosten een forfaitair bedrag betreft voor de kosten van de door een derde beroepsmatig verleende en aan belanghebbende in rekening gebrachte rechtsbijstand met betrekking tot een beschikking als bedoeld in artikel 2.2, onderdeel a, van de Wht. Nu niet is gesteld of gebleken dat belanghebbende kosten heeft gemaakt voor het inschakelen van hulp bij haar bezwaren, ziet de Commissie geen grond om UHT te adviseren een dergelijke vergoeding toe te kennen. De Commissie adviseert UHT daarom om het bezwaar op dit onderdeel ongegrond te verklaren.

Proceskostenvergoeding

Nu het primaire besluit naar de mening van de Commissie dient te worden herroepen, adviseert de Commissie tot toewijzing van het verzoek om vergoeding van de kosten van rechtsbijstand in deze bezwaarprocedure. Op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht heeft belanghebbende recht op een forfaitaire vergoeding op basis van twee procespunten (bezwaarschrift en verschijnen hoorzitting) met een wegingsfactor 2. Net als in eerdere zaken adviseert de Commissie daarbij de hoogste vergoeding per procespunt toe te kennen.

Conclusie

Samengevat adviseert de Commissie om het bezwaar gedeeltelijk gegrond te verklaren en om:

  • aan belanghebbende alsnog compensatie toe te kennen op grond van vooringenomen handelen voor de jaren 2015 en 2016;
  • het bezwaar op de overige onderdelen ongegrond te verklaren;
  • een vergoeding van de proceskosten voor de onderhavige bezwaarprocedure toe te kennen van twee procespunten met wegingsfactor twee voor het hoogste tarief.

Secretaris

Fungerend voorzitter