BAC 2023-13790
Publicatiedatum 14-07-2026
Advies van de Bezwaarschriftenadviescommissie hersteloperatie toeslagen
Aan: Belastingdienst/Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen (hierna: UHT)
Betreft: het bezwaarschrift van belanghebbende
Primair besluit: 29 juni 2023 (UHT-DCHA)
Hoorzitting: 15 december 2025 om 10:00 uur
Overdracht advies aan UHT: 21 april 2026
Samenvatting
De Bezwaarschriftenadviescommissie (hierna: de Commissie) adviseert UHT om het bezwaar deels gegrond te verklaren.
Onderwerp van advies
Het door de gemachtigde namens belanghebbende ingediende bezwaarschrift is gericht tegen de door UHT genomen definitieve beschikking compensatie kinderopvangtoeslag. Deze beschikking wordt hierna aangeduid als het bestreden besluit.
Aan belanghebbende is met toepassing van de Wet hersteloperatie toeslagen (hierna: Wht) geen compensatie toegekend voor de jaren 2012 en 2013.
Procesverloop
- Belanghebbende heeft op 13 januari 2022 verzocht om een herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag (hierna: KOT) over de jaren 2011 t/m 2014. De jaren 2011 en 2014 zijn zonder instemming van belanghebbende niet in de herbeoordeling betrokken. Belanghebbende wenst dat het jaar 2011 alsnog wordt herbeoordeeld.
- UHT heeft bij besluit van 1 juli 2022 aan belanghebbende meegedeeld dat zij niet in aanmerking komt voor een betaling van € 30.000,-.
- De Commissie van Wijzen (hierna: CvW) heeft haar beoordeling van het verzoek van belanghebbende op 16 juni 2023 aan UHT toegestuurd. De CvW heeft geoordeeld dat de Belastingdienst/Toeslagen (hierna: B/T) zich terecht op het standpunt stelt dat de compensatieregeling van artikel 2.1 lid 1 Wht niet van toepassing is voor de toeslagjaren 2012 en 2013.
- UHT heeft bij het bestreden besluit aan belanghebbende meegedeeld dat zij geen recht heeft op compensatie voor de jaren 2012 en 2013.
- Gemachtigde heeft bij brief van 11 juli 2023, ingekomen op 12 juli 2023, tegen dit besluit een bezwaarschrift ingediend.
- UHT heeft op 3 oktober 2024 schriftelijk gereageerd op het bezwaarschrift.
- De nieuwe gemachtigde van belanghebbende heeft het bezwaarschrift bij brief van 23 september 2025 aangevuld.
- UHT heeft op 11 december 2025 een aanvullende schriftelijke reactie ingediend.
- Op 15 december 2025 heeft een hoorzitting plaatsgevonden. Van de hoorzitting is een verslag gemaakt, dat achter het advies is gevoegd.
- Dit advies wordt uitgebracht door de voorzitter en twee commissieleden.
Ontvankelijkheid
Niet in geschil is dat het bezwaar ontvankelijk is.
Overwegingen ten aanzien van de bezwaren en het bestreden besluit
De Commissie ziet zich gesteld voor de vraag of UHT terecht en op goede gronden is gekomen tot haar beslissing om het verzoek van belanghebbende om compensatie of tegemoetkoming af te wijzen.
Op de zaak betrekking hebbende stukken
Nu aan belanghebbende de op de zaak betrekking hebbende stukken zijn verstrekt, is voldaan is aan de in artikel 7:4 lid 2 van de Algemene wet bestuursrecht neergelegde verplichting om alle op de zaak betrekking hebbende stukken ter inzage te leggen. UHT heeft schriftelijk gereageerd op het bezwaarschrift en het aanvullend bezwaarschrift. Hierdoor heeft belanghebbende kennis kunnen nemen van de stukken die ten grondslag liggen aan het bestreden besluit en de gelegenheid gehad om daarop te reageren. De Commissie ziet in de concrete stellingen van belanghebbende en UHT geen aanleiding om aan te nemen dat in het beschikbaar gestelde dossier stukken zouden ontbreken die van enig belang zouden kunnen zijn geweest bij het door UHT genomen besluit. De Commissie adviseert UHT om het bezwaar op dit punt ongegrond te verklaren.
Schending motiveringsbeginsel en zorgvuldigheidsbeginsel
Omdat het bestreden besluit, zoals hierna zal worden overwogen, niet in stand kan blijven, staat vast dat de motivering ontoereikend is en dat het besluit onvoldoende zorgvuldig tot stand is gekomen. Dit dient in het besluit op bezwaar te worden hersteld. De Commissie adviseert UHT om het bezwaar op dit punt gegrond te verklaren
Niet herbeoordeelde toeslagjaar
Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat ook het toeslagjaar 2011 had dienen te worden herbeoordeeld. Uitgangspunt is dat een verzoek om herbeoordeling als hier aan de orde betrekking heeft op alle jaren vóór 2020 waarin de aanvrager compensatie kinderopvangtoeslag heeft aangevraagd, tenzij de aanvrager het verzoek heeft beperkt. Of dat laatste aannemelijk is, dient te blijken uit alle omstandigheden van het geval, in onderlinge samenhang bezien, zoals de aanwezigheid van telefoonnotities, vastgelegde gesprekken en andere schriftelijke stukken. De Commissie volgt belanghebbende in haar betoog dat uit het dossier niet blijkt dat de aanvraag om compensatie is beperkt tot de jaren 2012 en 2013. De Commissie verwijst naar de telefoonnotitie van de aanvraag, waaruit volgt dat is verzocht om herbeoordeling van de jaren 2011 t/m 2014. In het bezwaarschrift en tijdens de hoorzitting is het verzoek om herbeoordeling beperkt tot de jaren 2011 t/m 2013. Zoals tijdens de hoorzitting door UHT is bevestigd, is ook over het jaar 2011 een KOT-aanvraag ingediend, althans heeft B/T daarover een besluit genomen. De aanvraag om compensatie betrof dus mede het jaar 2011, zodat UHT dat jaar in de herbeoordeling had moeten betrekken. Gelet op het verbod van getrapte besluitvorming in bezwaar zal de Commissie UHT adviseren de herbeoordeling van het jaar 2011 in het besluit op bezwaar op te nemen. De Commissie houdt deze bezwaarprocedure niet aan. Zij geeft UHT in overweging belanghebbende voorafgaand aan de beslissing op bezwaar schriftelijk te informeren over de uitkomst van de herbeoordeling (door middel van een vooraankondiging) en belanghebbende in de gelegenheid te stellen daarop te reageren.
2012
Bij het bestreden besluit heeft UHT geoordeeld dat belanghebbende over het toeslagjaar 2012 geen recht heeft op compensatie wegens vooringenomen handelen of hardheid van het stelsel. De Commissie overweegt dat niet aannemelijk is geworden dat B/T bij de toekenning, aanpassing of terugvordering van de KOT over dat jaar institutioneel vooringenomen heeft gehandeld, terwijl er ook geen feiten en omstandigheden zijn die duiden op hardheid van het stelsel.
De terugvordering van de KOT over 2012 vloeide voort uit een te hoog voorschot, dat, naar aanleiding van een reguliere wijziging (gewijzigd toetsingsinkomen), opnieuw is berekend. Deze bijstelling is overeenkomstig de wettelijke voorschriften uitgevoerd. Er heeft geen verlaging van € 1.500 of meer plaatsgevonden. Een aanwijzing voor hardheid van het stelsel ontbreekt dus. Evenmin is een onterechte kwalificatie opzet/grove schuld toegepast, zodat ook op die grond geen recht op compensatie bestaat. De Commissie adviseert UHT om het bezwaar op dit punt ongegrond te verklaren.
2013
De KOT-aanvraag van belanghebbende is automatisch gecontinueerd in het toeslagjaar 2013. Vervolgens hebben een verlaging plaatsgevonden wegens een hoger toetsingsinkomen en een verdere verlaging in verband met de stopzetting van de KOT per 23 oktober 2013 door belanghebbende. Ten slotte is de KOT op nihil vastgesteld, omdat belanghebbende in het antwoordformulier van 9 september 2014 met betrekking tot KOT 2013 heeft vermeld dat zij in toeslagjaar 2013 geen gebruik heeft gemaakt van geregistreerde kinderopvang. Belanghebbende voert aan dat zij tot en met 22 oktober 2013 een inburgeringscursus volgde en gebruikmaakte van geregistreerde kinderopvang. Dat strookt met de stopzetting van de KOT per 23 oktober 2013 en vindt tevens steun in de bij het aanvullend bezwaarschrift als productie 2 overgelegde brief van de kinderopvanginstelling (hierna: KOI). De Commissie acht het daarom aannemelijk dat belanghebbende tot en met 22 oktober 2013 gebruik heeft gemaakt van geregistreerde kinderopvang. Belanghebbende heeft verklaard zich niet te kunnen herinneren dat zij het antwoordformulier van 9 september 2014 heeft ingevuld. Zij vermoedt dat zij, vanwege de ontvangst van het formulier in 2014, er per vergissing van is uitgegaan dat dit betrekking had op het toeslagjaar 2014 in plaats van 2013 en dat zij daarom heeft ingevuld dat zij in 2013 geen gebruik heeft gemaakt van geregistreerde kinderopvang. Volgens belanghebbende is deze vergissing ontstaan doordat zij in 2014 nog maar kort in Nederland verbleef en de Nederlandse taal onvoldoende beheerste. De Commissie acht deze lezing aannemelijk. Nu bij B/T bekend was dat belanghebbende nog maar kort in Nederland verbleef, had B/T er rekening mee moeten houden dat zij de Nederlandse taal onvoldoende beheerste. Onder die omstandigheden had het op de weg van B/T gelegen om naar aanleiding van het met de stopzetting per 23 oktober 2013 tegenstrijdige antwoordformulier van 9 september 2014 (een formulier van latere datum dan de gerichte stopzetting van eerdere datum) nadere uitvraag bij belanghebbende te doen. Aanleiding daartoe bestond temeer nu belanghebbende bij het antwoordformulier jaaropgaven van de gemeente Haarlemmermeer heeft overgelegd, hetgeen duidt op verwarring over de inhoud van het formulier. In het antwoordformulier werd immers niet verzocht om jaaropgaven van de werkgever of uitkeringsinstantie, maar om jaaropgaven van de KOI. Weliswaar heeft de vertegenwoordiger van het UHT in de hoorzitting verklaard over het ontbreken van gegevens in de KOI-viewer, maar nu tot 2014 het invullen van gegevens in de KOI-viewer niet verplicht was, kan bij deze stand van zaken niet de conclusie worden getrokken dat belanghebbende tot 23 oktober 2013 geen gekwalificeerde kinderopvang heeft genoten. Deze gang van zaken rechtvaardigt compensatie wegens hardheid van het stelsel conform artikel 2.1 lid 1, aanhef en onder b, van de Wht. Belanghebbende heeft schade geleden doordat de toepassing van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen, de Wet kinderopvang of de daarop berustende bepalingen bij de uitvoering van de KOT heeft geleid tot onbillijkheden van overwegende aard die voortvloeien uit de hardheid van het wettelijke systeem. De Commissie adviseert UHT om het bezwaar op dit punt gegrond te verklaren.
Proceskostenvergoeding
Nu het bestreden besluit naar de mening van de Commissie dient te worden herroepen, adviseert de Commissie tot toewijzing van het verzoek om vergoeding van de kosten van rechtsbijstand in deze bezwaarprocedure. Op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht heeft belanghebbende recht op een forfaitaire vergoeding op basis van twee procespunten (bezwaarschrift en verschijnen hoorzitting) met een wegingsfactor 2. Net als in eerdere zaken adviseert de Commissie daarbij de hoogste vergoeding per procespunt toe te kennen.
Conclusie
Samengevat adviseert de Commissie om:
- het bezwaar deels gegrond te verklaren en het bestreden besluit met kenmerk UHTDCHA te herroepen;
- de herbeoordeling van het jaar 2011 in het besluit op bezwaar op te nemen;
- belanghebbende voor het toeslagjaar 2013 te compenseren wegens hardheid van het stelsel;
- een proceskostenvergoeding toe te kennen op basis van 2 procespunten met een wegingsfactor 2. De Commissie adviseert daarbij de hoogste vergoeding per procespunt toe te kennen.
[handtekening]
Secretaris
[handtekening]
Fungerend voorzitter