Ga direct naar de inhoud Ga direct naar de filters Ga direct naar de footer

BAC 2023-13788

Advies van de Bezwaarschriftenadviescommissie hersteloperatie toeslagen

Aan: Belastingdienst/Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen (hierna: UHT)

Betreft: het bezwaarschrift van belanghebbende

Primair besluit: 16 juni 2023 (UHT-DCHA)

Hoorzitting: 30 april 2025 om 14:15 uur

Overdracht advies aan UHT: 5 juni 2025

Samenvatting

De Bezwaarschriftenadviescommissie (hierna: de Commissie) adviseert UHT om
het bezwaar ongegrond te verklaren en het verzoek om vergoeding van de
proceskosten af te wijzen.

Onderwerp van advies

Het door gemachtigde namens belanghebbende ingediende bezwaarschrift is gericht tegen de door UHT genomen definitieve beschikking compensatie kinderopvangtoeslag van 16 juni 2023. Aan belanghebbende is met toepassing van de Wet hersteloperatie toeslagen (hierna: Wht) geen compensatie toegekend voor de jaren 2016 en 2017.

Procesverloop

  • Belanghebbende heeft op 18 januari 2021 verzocht om herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag (hierna: KOT). In overleg met de persoonlijk zaakbehandelaar heeft de beoordeling plaatsgevonden over de jaren 2016 en 2017.
  • UHT heeft bij beschikking van 5 december 2022 aan belanghebbende medegedeeld dat zij niet in aanmerking komt voor een betaling van €30.000,-.
  • De Commissie van Wijzen (hierna: CvW) heeft haar beoordeling van het verzoek van belanghebbende op 1 juni 2023 aan UHT toegestuurd. De CvW heeft geadviseerd dat gedurende de betrokken jaren geen sprake is geweest van institutionele vooringenomenheid of hardheid van de toepassing van het wettelijk systeem.
  • UHT heeft bij de bestreden beschikking aan belanghebbende medegedeeld dat zij geen recht heeft op compensatie voor de jaren 2016 en 2017.
  • Gemachtigde heeft tegen deze beschikking bij brief van 6 juli 2023, ingekomen op 13 juli 2023, bezwaar gemaakt.
  • UHT heeft op 26 juni 2024 schriftelijk gereageerd op het bezwaarschrift.
  • Op 30 april 2025 heeft een hoorzitting plaatsgevonden. Van de hoorzitting is een verslag gemaakt, dat achter dit advies is gevoegd.
  • UHT heeft, daartoe door de Commissie ter zitting verzocht, op 1 mei 2025 een nadere schriftelijke reactie ingediend en daarbij de producties 32 tot en met 40 overgelegd die aan het bezwaardossier zijn toegevoegd. Gemachtigde heeft in een e-mailbericht van 19 mei 2025 aan de Commissie medegedeeld dat hij geen gebruik maakt van de gelegenheid om hierop inhoudelijk te reageren.
  • Dit advies wordt uitgebracht door de voorzitter, eerste commissielid, tweede commissielid.

Ontvankelijkheid en algemene opmerkingen

Niet in geschil is dat het bezwaarschrift ontvankelijk is.

Overwegingen ten aanzien van de bezwaren en het bestreden besluit

De Commissie ziet zich gesteld voor de vraag of UHT terecht en op goede gronden is gekomen tot haar beslissing om het verzoek van belanghebbende om compensatie of tegemoetkoming voor de jaren 2016 en 2017 af te wijzen.

Op de zaak betrekking hebbende stukken

De Commissie overweegt dat belanghebbende op grond van artikel 7:4, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) recht op inzage in haar dossier heeft en ingevolge het vierde lid van dat artikel voorafgaand aan de hoorzitting bij de Commissie recht heeft op afschriften van de op de zaak betrekking hebbende stukken.

UHT heeft gedurende deze procedure een bezwaardossier overgelegd met bijbehorende producties dat op 13 maart 2025 aan gemachtigde is gezonden. De Commissie acht het aannemelijk dat belanghebbende daarmee kan beschikken over de op de zaak betrekking hebbende stukken.

Afgewezen jaren

Aan belanghebbende is géén compensatie toegekend voor de jaren 2016 en 2017. Belanghebbende heeft zich op het standpunt gesteld dat zij voor die jaren gecompenseerd dient te worden op grond van vooringenomenheid dan wel hardheid van het stelsel. Hiervoor voert zij aan dat zij als ouder betrokken is geraakt bij een onderzoek dat als CAF-11-vergelijkbaar is beoordeeld en dat om die reden sprake is van vooringenomen handelen. De compensatieregeling is van toepassing is.

UHT betwist dat sprake is van vooringenomen handelen. De enkele omstandigheid dat belanghebbende onderdeel heeft uitgemaakt van een CAF-vergelijkbaar onderzoek is daartoe onvoldoende. Er moet sprake zijn geweest van een verlaging of stopzetting van de KOT naar aanleiding van dat onderzoek. Daarvan is hier niet gebleken, aldus UHT.

De Commissie overweegt dat op basis van de voorhanden zijnde stukken voldoende vast staat dat sprake is geweest van groepsgewijze vooringenomenheid, gelet op het feit dat belanghebbende betrokken is geweest bij een onderzoek dat als CAF-11 vergelijkbaar is gekwalificeerd. Die kwalificatie komt immers voort uit de conclusie dat sprake was van elementen/criteria die in samenhang met elkaar maakten dat institutionele vooringenomenheid bij dit specifieke CAF-onderzoek aanwezig was. Een en ander wordt toegelicht in de memorie van toelichting bij de Fiscale verzamelwet 2021 (Kamerstukken II 2019/20, 35437, nr. 3, p. 30-31). Bij een onderzoek dat als CAF-11 vergelijkbaar is gekwalificeerd kan toetsing of sprake was van individuele vooringenomenheid zodoende achterwege worden gelaten.

Als er sprake is geweest van vooringenomenheid hoeft dat echter niet in alle gevallen te leiden tot compensatie. Een voorwaarde voor de toekenning van compensatie is namelijk dat de gedupeerde aanvrager schade heeft geleden als gevolg van de institutionele vooringenomenheid (of van de hardheid). Dat volgt uit artikel 2.1, eerste lid Wht.

Volgens de parlementaire geschiedenis kan het hierbij zowel om materiële als om immateriële schade gaan. Als de institutionele vooringenomenheid (of hardheid) heeft geleid tot een terugvordering van KOT of tot stopzetting van de voorschotverlening van de KOT wordt aangenomen dat sprake is geweest van schade (Kamerstukken II 2021/22, 36515, nr. 3 herdruk, p. 72 (MvT).

De Commissie overweegt dat uit de voorhanden zijnde stukken verder blijkt dat in het jaar 2016 geen sprake is geweest van een terugvordering of verlaging van de KOT. De KOT is immers bij voorschotbeschikking van 22 augustus 2016 vastgesteld op € 639,- en bij definitieve beschikking van 10 november 2017 op € 670,-.

Ten aanzien van het jaar 2017 geldt dat de neerwaartse bijstellingen van de KOT het gevolg zijn geweest van informatie die B/T heeft ontvangen. Die gegevens zien op een wijziging van het aantal opvanguren en/of de opvangkosten en/of het gezamenlijk toetsingsinkomen. Het gaat hier om reguliere wijzigingen.

Desgevraagd heeft UHT ter zitting aan de hand van stukken toegelicht dat op 27 september 2017 een stopzetting plaats heeft gevonden. Nog diezelfde dag is deze stopzetting gecorrigeerd aan de hand van bewijsstukken die belanghebbende heeft ingestuurd. De betreffende stukken zijn na afloop van de zitting door de behandelend ambtenaar van UHT overgelegd en toegevoegd aan het bezwaardossier (in het bijzonder producties 33 en 34). Er is geen sprake geweest van een stopzetting van de KOT door belanghebbende maar van een interne handeling waarmee het onderzoek is afgerond, aldus UHT. UHT heeft ter zitting verder nog opgemerkt dat op 22 oktober 2017 een voorschotbeschikking is gevolgd. Daarmee is de stopzetting binnen een maand gecorrigeerd. Er is geen sprake geweest van een nihilstelling van de KOT.

Geplaatst tegen de achtergrond van deze feiten en omstandigheden overweegt de Commissie dat het onvoldoende aannemelijk is geworden dat er bij de toekenning, aanpassing of terugvordering van de KOT voor de toeslagjaren 2016 en 2017 sprake is geweest van institutioneel vooringenomen handelen door B/T dat in haar situatie heeft geleid tot schade voor belanghebbende, dan wel tot hardheid van de toepassing van het wettelijk stelsel. Deze bezwaargrond kan daarom niet slagen.

Een maand geen toeslag ontvangen

Belanghebbende heeft verder als bezwaargrond aangevoerd dat zij gedurende één maand geen KOT heeft ontvangen (juli 2017). UHT heeft in de schriftelijke beschouwing uiteen gezet en toegelicht hoe de betalingen zijn verlopen in het jaar 2017. In aanvulling hierop heeft UHT ter zitting gewezen op de uitbetaling van €119,- die plaatsvond op 14 juli 2017 (LIC-overzicht 2017, laatste regel). UHT meent dat gelet hierop niet juist is dat belanghebbende één maand geen KOT heeft ontvangen. De Commissie kan deze uitleg van UHT volgen nu de bedragen waarnaar in de schriftelijke beschouwing is verwezen corresponderen met het LIC-overzicht 2017 (productie 31). Nu de Commissie verder geen aanknopingspunten heeft gevonden om te twijfelen aan de juistheid van deze gegevens, kan ook deze bezwaargrond niet slagen.

Proceskostenvergoeding

Nu de Commissie niet adviseert het bestreden besluit te herroepen, is er geen aanleiding om een vergoeding van de kosten van rechtsbijstand toe te kennen.

Conclusie

Samengevat adviseert de Commissie om het bezwaar ongegrond te verklaren.

Secretaris

Fungerend voorzitter