Ga direct naar de inhoud Ga direct naar de filters Ga direct naar de footer

BAC 2023-13786

Advies van de Bezwaarschriftenadviescommissie hersteloperatie toeslagen

Aan: Belastingdienst/Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen (hierna: UHT)

Betreft: het bezwaarschrift van belanghebbende

Primair besluit: 28 maart 2023 (UHT-DCH)

Hoorzitting: 4 juni 2025

Overdracht advies aan UHT: 26 augustus 2025

Samenvatting

De Bezwaarschriftenadviescommissie (hierna: de Commissie) adviseert UHT om het bezwaar gedeeltelijk gegrond te verklaren, alsnog compensatie op grond van vooringenomenheid toe te kennen voor toeslagjaar 2009 en de maanden januari tot en met juni en november en december 2010, belanghebbende te compenseren voor het bedrag van € 5.960,-, de compensatieberekening aan te passen en een proceskostenvergoeding toe te kennen.

Onderwerp van advies

Het door gemachtigde namens belanghebbende ingediende bezwaarschrift is gericht tegen de door UHT genomen definitieve beschikking compensatie kinderopvangtoeslag.

Aan belanghebbende is met toepassing van de Wet hersteloperatie toeslagen (hierna: Wht) compensatie toegekend voor een bedrag van € 49.499,- voor de jaren 2008, 2009 en de maanden juli tot en met oktober van het jaar 2010 en geen compensatie toegekend voor de jaren 2005, 2006 en 2007 en de maanden januari tot en met juni en november en december van het jaar 2010.

Procesverloop

  • Belanghebbende heeft op 11 augustus 2021 verzocht om een herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag (hierna: KOT) over de jaren 2005 tot en met 2010.
  • UHT heeft aan belanghebbende medegedeeld dat zij in aanmerking komt voor een betaling van € 30.000,- ingevolge de Catshuisregeling.
  • De Commissie van Wijzen (hierna: CvW) heeft haar beoordeling van het verzoek van belanghebbende op 4 november 2022 aan UHT toegestuurd. De CvW heeft geadviseerd dat gedurende de jaren 2005 tot en met 2007, de maanden januari tot en met juli van het jaar 2008, het jaar 2009 en de maanden januari tot en met juni en november tot en met december van het jaar 2010 geen sprake is geweest van institutionele vooringenomenheid en dat gedurende de jaren 2005 tot en met 2007, de maanden augustus tot en met december van het jaar 2009 en de maanden januari tot en met juni en november tot en met december van het jaar 2010 geen sprake is geweest van bijzondere omstandigheden.
  • UHT heeft bij beschikking van 28 maart 2023 (de bestreden beschikking) met kenmerk UHT-DCH aan belanghebbende een compensatie toegekend voor een bedrag van € 49.499,- voor de jaren 2008, 2009 en de maanden juli tot en met oktober van het jaar 2010 en geen compensatie toegekend voor de jaren 2005, 2006 en 2007 en de maanden januari tot en met juni en november en december van het jaar 2010.
  • Gemachtigde heeft bij brief van 17 juli 2023, ingekomen op 18 juli 2023, tegen deze beschikking een bezwaarschrift ingediend.
  • UHT heeft op 19 december 2024 schriftelijk gereageerd op het bezwaarschrift.
  • UHT heeft op verzoek van de Commissie op 23 mei 2025 en op 2 juni 2025 aanvullende stukken toegestuurd.
  • Op 4 juni 2025 heeft een hoorzitting plaatsgevonden. Van de hoorzitting is een verslag gemaakt, dat achter dit advies is gevoegd. Gemachtigde heeft op 4 juni 2025 diverse stukken toegezonden.
  • UHT heeft, daartoe door de Commissie ter zitting verzocht, op 12 juni 2025 een nadere schriftelijke reactie ingediend. Gemachtigde heeft daarop, ook na verlenging van de reactietermijn tot 22 juli 2025, niet gereageerd. Gemachtigde heeft op 6 augustus een reactie ingestuurd.
  • Dit advies wordt uitgebracht door de voorzitter, eerste commissielid, tweede commissielid.

Ontvankelijkheid en algemene opmerkingen

Niet in geschil is dat het bezwaarschrift ontvankelijk is.

Overwegingen ten aanzien van de bezwaren en het bestreden besluit

De Commissie ziet zich gesteld voor de vraag of UHT de toegekende compensatie voor de jaren 2008, 2009 en de maanden juli tot en met oktober van het jaar 2010 op de juiste gronden heeft toegekend en op juiste wijze heeft berekend en terecht en op goede gronden is gekomen tot haar beslissing om het verzoek van belanghebbende om compensatie of tegemoetkoming voor de jaren 2005, 2006 en 2007 en de maanden januari tot en met juni, alsmede november en december van het jaar 2010 af te wijzen.

Persoonlijk dossier

Belanghebbende stelt dat UHT handelt in strijd met het beginsel van equality of arms. In haar ogen wordt zij in haar procesbelang geschaad, omdat ze niet de beschikking krijgt over haar persoonlijk dossier en een volledig bezwaardossier en daardoor niet over de voor het voeren van bezwaar benodigde documenten beschikt.

De Commissie volgt dit standpunt van belanghebbende niet. UHT heeft een schriftelijke beschouwing in het geding gebracht met onderliggende stukken, waaronder de overzichten van het Landelijk Incasso Centrum (LIC), het Informatie- en beoordelingsformulier inclusief de tijdlijn en de berekening van de component ‘rentevergoeding over gemiste kinderopvangtoeslag’. De Commissie vindt dat met het toezenden van deze stukken is voldaan aan de in artikel 7:4 lid 2 Algemene wet bestuursrecht neergelegde verplichting om alle op de zaak betrekking hebbende stukken ter inzage te leggen.

Dat kan anders zijn als de belanghebbende een duidelijk aanknopingspunt geeft waarom het persoonlijk dossier moet worden afgewacht. Dat is hier niet gebeurd.

De enkele opmerking dat het bij onbekendheid van de stukken in dat dossier mogelijk is dat er nog relevante informatie ontbreekt, is niet voldoende. Nu de op de zaak betrekking hebbende stukken in het geding zijn gebracht is van een motiveringsgebrek zoals belanghebbende betoogt naar de Commissie meent geen sprake. De Commissie adviseert UHT daarom om dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.

De compensatieberekening over de jaren 2008, 2009 en 2010

Belanghebbende betoogt dat de compensatieberekening onjuist is. Met name betwist zij de juistheid van de componenten d (toeslagrente), n (vergoeding immateriële schade) en o (rentevergoeding voor gemiste KOT).

UHT erkent in de beschouwing van 19 december 2024 dat over de jaren 2008, 2009 en 2010 diverse componenten van de compensatieberekening niet juist zijn. Zij heeft een aangepaste compensatieberekening als bijlage bij de beschouwing van 19 december 2024 overgelegd. Hierna zal de Commissie de relevante onderdelen bespreken.

Component a over toeslagjaar 2010

UHT heeft in haar schriftelijke beschouwing een toelichting gegeven op de berekening van component a over toeslagjaar 2010. Ten onrechte is oorspronkelijk een bedrag van € 3.743,- opgenomen. Het juiste bedrag is € 4.146,-. Dit bedrag zal worden aangepast in de beslissing op bezwaar. Gelet op het voorgaande zullen ook de hiermee samenhangende componenten in het voordeel van belanghebbende worden aangepast.

De commissie neemt hiervan met instemming kennis en zal dienovereenkomstig adviseren.

De rente over gemiste KOT (component o)

UHT stelt zich in de beschouwing ten aanzien van de rentevergoeding voor gemiste KOT op het standpunt dat deze over de jaren 2008 en 2009 weliswaar onjuist is berekend, maar dat dit in het voordeel van belanghebbende is. Het juiste bedrag voor 2008 is € 6.349,-, het toegekende bedrag is € 6.354,-. Het juiste bedrag van 2009 is € 3.281,-, het toegekende bedrag € 3.283,-. In verband met het verbod op reformatio in peius (verandering naar een slechtere positie) zal de rentevergoeding over de jaren 2008 en 2009 niet worden aangepast. De Commissie neemt hiervan met instemming kennis.

UHT stelt zich verder op het standpunt dat ook de rentevergoeding voor gemiste KOT over het jaar 2010 onjuist is vastgesteld op € 1.635,-. Met inachtneming van het tijdvak dat aanvangt op 1 juli van het jaar volgend op het betreffende toeslagjaar en eindigt op de datum van de compensatiebeschikking, dient er voor het jaar 2010 een rente van € 1.809,- te worden toegekend (zie productie 41), in plaats van het bij bestreden beschikking toegekende bedrag van € 1.635,-.

Naar de Commissie meent, zou dit bedrag hoger moeten zijn. De Commissie is ambtshalve ermee bekend dat UHT van opvatting is dat de rentevergoeding voor gemiste KOT voor het betreffende toeslagjaar doorloopt tot de datum van de beslissing op bezwaar als de grondslag voor de compensatie (het bedrag onder c in de berekening) in dat toeslagjaar moet worden aangepast.

De Commissie adviseert daarom de rentevergoeding voor gemiste KOT voor 2010 te berekenen tot de datum van de beschikking op bezwaar.

De vergoeding voor immateriële schade (component n)

UHT stelt zich in de beschouwing op het standpunt dat de startdatum van de berekende vergoeding (10 februari 2010) niet juist is. Dit had 26 februari 2010 moeten zijn, maar dit wordt niet aangepast omdat het in het voordeel van belanghebbende is.

De Commissie overweegt dat op grond van artikel 2.3, lid 4, Wht de forfaitaire vergoeding voor immateriële schade moet worden berekend vanaf de datum van een eerste beschikking tot het verminderen of niet toekennen van KOT of het beëindigen van voorschotverlening voor KOT die een direct gevolg is van (onder meer) institutionele vooringenomenheid. UHT hanteert echter een voor belanghebbenden begunstigend beleid, dat voor de berekening van de vergoeding voor immateriële schade wordt uitgegaan van de datum van de eerste vooringenomen handeling door de B/T. Naar de opvatting van de Commissie moet dit beleid ook in het geval van belanghebbende worden gevolgd. Daarom is de oorspronkelijke startdatum van 10 februari 2010 juist. Dit is immers de datum van de eerste (interne) vooringenomen handeling door B/T, blijkend uit de melding van 10 februari 2010 in de tijdlijn/RKT bestand 2010, vermelding Stopactie GO 2010. De Commissie merkt nog op dat UHT geacht wordt dit beleid ook in vergelijkbare gevallen consistent toe te passen.

UHT heeft de Commissie meegedeeld dat UHT, indien een bezwaar (gedeeltelijk) gegrond is, bij de berekening van de vergoeding voor immateriële schade - in afwijking van de Wht - als einddatum zal hanteren de datum van de beslissing op het bezwaar. De Commissie adviseert UHT daarom dit beleid ook in dit geval toe te passen.

1% aanvullende vergoeding

Nu het subtotaal van de compensatieberekening zal wijzigen, adviseert de Commissie, in lijn met het voornemen van UHT, om ook de aanvullende vergoeding van 1% aan te passen.

Toeslagjaren 2005, 2006 en 2007

De Commissie stelt vast dat niet in geschil is dat over deze jaren geen compensatie of een O/GS-tegemoetkoming is toegekend.

Toeslagjaar 2008

De Commissie overweegt dat belanghebbende voor toeslagjaar 2008 is gecompenseerd: in de periode januari tot en met juni op grond van hardheid (KOT naar KOI) en voor de periode augustus tot en met december op grond van vooringenomenheid. Belanghebbende heeft opvang afgenomen bij gastouderbureau [naam] in de maanden augustus tot en met december 2008. Dat in de maanden daarvoor geen opvang is afgenomen is niet in geschil. Wel is in geschil het bedrag van € 5.960,- aan KOT dat is betaald aan een derde. Dit bedrag blijkt uit het LIC-overzicht en de door gemachtigde nader ingezonden stukken. Belanghebbende ontkent dat zij het rekeningnummer van de “derde” rekeninghouder heeft doorgegeven en dat zij deze persoon kent. Zij stelt zich op het standpunt dat zij dit bedrag niet heeft ontvangen en dat dit bedrag om die reden in de hardheidscompensatie moet worden meegenomen.

UHT stelt dat belanghebbende blijkens de door haar overgelegde brief het rekeningnummer van deze derde rekeninghouder zelf aan B/T heeft doorgegeven. Het is aldus niet aan B/T toe te rekenen dat dit bedrag niet aan belanghebbende ten goede is gekomen, omdat zij zelf het rekeningnummer heeft doorgegeven. Daarnaast heeft B/T belanghebbende geïnformeerd hoe zij het betreffende bedrag, via een civiele procedure, terug kan vorderen. Ook als belanghebbende dit bedrag nog niet heeft teruggekregen is er geen sprake van hardheid van het stelsel. Daarom kan dit bedrag niet worden meegenomen in de compensatieberekening.

In de aanvullende reactie van 6 augustus 2025 heeft gemachtigde zich daarnaast op het standpunt gesteld dat B/T niet kan aantonen dat belanghebbende de wijziging van de bankrekening heeft doorgevoerd en dat B/T toentertijd niet bevrijdend heeft betaald. Op grond van artikel 6:203 lid 1 BW had alleen de B/T een vordering uit onverschuldigde betaling op de ontvanger van het geld en had belanghebbende in rechte geen betaling kunnen afdwingen op grond van artikel 6:203 BW.

Naar de Commissie meent, valt ook deze situatie onder “Handelen door derden”, omschreven in het Handboek Integrale Beoordeling – Vaktechniek van UHT. Deze situatie is vergelijkbaar met de situatie “KOT naar KOI”; de KOT is uitbetaald aan een derde. De vraag waar het om gaat is of het geld ten gunste is gekomen van belanghebbende. De Commissie meent dat van de verklaring van belanghebbende moet worden uitgegaan en ziet geen reden om aan te nemen dat belanghebbende het bedrag van de derde heeft ontvangen; het is dus niet aan haar ten gunste gekomen. Daarbij acht de Commissie van belang dat niet uit enig dossierstuk blijkt dat belanghebbende zelf het betreffende rekeningnummer met de naam van de rekeninghouder aan B/T heeft doorgegeven. Alleen de mededeling van B/T dat dit wel het geval is geweest (zie de brief van 25 maart 2011, productie 54) is daarvoor naar de mening van de Commissie onvoldoende. Het gaat om een bedrag van meer dan € 1.500,-. De Commissie adviseert UHT daarom om het bedrag van €5.960,- in de berekening van de hardheidscompensatie mee te nemen. Een andere mogelijkheid is om dit bedrag niet in aftrek te brengen op het compensatiebedrag in component f over toeslagjaar 2008.

Evident geen recht; toeslagjaar 2009 en periode januari tot en met juni en november en december 2010

UHT heeft zich op het standpunt gesteld dat over deze periode weliswaar vooringenomen is gehandeld, maar dat belanghebbende niet in aanmerking komt voor compensatie op grond van vooringenomen handelen omdat zij geen gebruik heeft gemaakt van geregistreerde opvang. Daarmee heeft zij evident geen recht op KOT. Voor 2009 is wel een compensatie op grond van hardheid toegekend; voor de periode januari tot en met juni en november en december 2010 niet. Gemachtigde is van mening dat UHT er niet in is geslaagd bewijs te leveren voor het standpunt dat belanghebbende in deze perioden geen gebruik heeft gemaakt van opvang. De afwezigheid van bewijs is geen bewijs dat er geen opvang is. Belanghebbende heeft op de hoorzitting verklaard dat er wel sprake was van opvang. Uit het verslag van de hoorzitting blijkt verder dat belanghebbende heeft verklaard dat zij in april/mei 2010 is verhuisd naar Schiedam en dat zij toen is gewijzigd van kinderopvanginstelling.

In de aanvullende beschouwing van 12 juni 2025 stelt UHT dat voor de maanden april, mei en juni 2010 alsnog aannemelijk wordt geacht dat belanghebbende opvang heeft afgenomen. UHT wijst hierbij op de aanvraag KOT van 2 december 2010 met ingangsdatum 1 april 2010 voor een (volgens UHT) andere opvanginstelling (productie 53). Voor die maanden zal belanghebbende dus alsnog gecompenseerd worden op grond van vooringenomenheid. De berekening hiervan volgt in de beslissing op bezwaar. De Commissie neemt hiervan met instemming kennis en zal dienovereenkomstig adviseren.

Voor toeslagjaar 2009 en de periode januari tot en met maart en november en december 2010 blijft UHT bij het standpunt dat sprake is van evident geen recht op KOT omdat niet aannemelijk is dat belanghebbende opvang heeft afgenomen.

Voor 2009 betrekt UHT daarbij dat de KOI-viewer leeg is, dat UHT geen indicatie heeft dat belanghebbende in dit toeslagjaar heeft gewerkt, een re-integratietraject volgde of op andere wijze doelgroeper was. Ook heeft UHT geen documenten van belanghebbende ontvangen waaruit blijkt dat zij gebruik heeft gemaakt van opvang, zoals opvangcontracten, facturen, betaalbewijzen of een jaaropgave.

Uit hetgeen door UHT is aangevoerd begrijpt de Commissie dat UHT ervan uitgaat dat belanghebbende gedurende de maanden januari tot en met maart en november en december 2010 wel werkte of doelgroeper was. Ten aanzien van het gebruik maken van opvang wijst UHT op de aanvraagformulieren KOT waarin belanghebbende KOT heeft aangevraagd per 1 juli 2010 (productie 49, gedateerd 20 september 2010 voor opvang 1 en productie 50, aanvraag KOT van 4 november 2010 per 1 juli 2010 voor opvang 2 en op de stopzetting van KOT per 1 oktober 2010 (productie 51, stopzetting van 8 november 2010 per 1 oktober 2010).

Dit komt grotendeels overeen met de opvangperiode juli tot en met (15) oktober 2010. Gelet op de aanvraagformulieren en de stopzetting KOT per 1 oktober 2010 vindt UHT het niet aannemelijk dat belanghebbende opvang heeft afgenomen in de periode januari tot en met maart en november en december 2010.

De Commissie overweegt dat UHT op grond van artikel 2.1 lid 1 Wht op verzoek compensatie kan toekennen als aan de voorwaarden in dat artikellid wordt voldaan. Ingevolge artikel 2.1 lid 2 Wht wordt de compensatie echter niet toegekend, indien de door de aanvrager van KOT geleden schade te wijten is aan ernstige onregelmatigheden die aan hem toerekenbaar zijn. De situatie van evident geen recht op KOT, waar UHT op doelt, valt onder artikel 2.1 lid 2 Wht. De Commissie overweegt dat de bewijslast hiervoor bij UHT ligt.

In het Handboek Integrale Beoordeling – Vaktechniek van UHT staat in dit kader ook vermeld:

“Als je evident geen recht op KOT stelt moet je zeker weten dat er geen opvang is geweest over die periode of dat de ouder (of toeslagpartner) niet voldeed aan de eisen om KOT te ontvangen.”

De Commissie meent dat UHT niet heeft voldaan aan de op haar rustende bewijslast. Dat geen gegevens voorkomen in de KOI-viewer voor het toeslagjaar 2009 (productie 44) is voor de Commissie onvoldoende om aan te nemen dat belanghebbende over dat jaar geen gebruik heeft gemaakt van kinderopvang en dat daarom evident geen recht op KOT bestond. Van de juistheid van de gegevens in de KOI-viewer mag in principe alleen worden uitgegaan wanneer daarin ook gegevens zijn opgenomen. De gegevens werden immers (alleen) op aanvraag door de kinderopvanginstelling verstrekt. Bovendien is het de Commissie bekend dat kinderopvanginstellingen tot 1 januari 2022 niet verplicht waren om gegevens aan te leveren voor de KOI-viewer. Het ontbreken van gegevens in dat systeem kan daarom niet zonder meer tot de conclusie leiden dat geen geregistreerde opvang is afgenomen.

Met de stelling dat UHT geen documenten van belanghebbende heeft ontvangen waaruit blijkt dat zij gebruik heeft gemaakt van opvang, zoals opvangcontracten, facturen, betaalbewijzen of een jaaropgave, miskent UHT dat de bewijslast niet op belanghebbende maar op UHT rust. De afwezigheid van bewijs is geen bewijs dat er geen opvang is geweest. Bovendien is juist tot vooringenomenheid geconcludeerd omdat geen uitvraag is gedaan bij belanghebbende.

De stelling van UHT onder verwijzing naar productie 45 en 46 dat zij geen indicatie heeft dat belanghebbende in 2009 heeft gewerkt, een re-integratietraject volgde of op andere wijze doelgroeper was, in welk geval zij volgens UHT – zo begrijpt de Commissie – ook geen opvang nodig had, is naar de Commissie meent onvoldoende om aan te nemen dat er geen opvang is afgenomen.

De Commissie wijst er in dit kader ook nog op dat onbetwist is dat belanghebbende tot en met december 2008 opvang heeft afgenomen bij gastouderbureau De Vlinder. Dit is ook de opvanginstelling waarvoor KOT is toegekend voor 2009.

De Commissie adviseert gelet op hetgeen hierboven is overwogen om voor toeslagjaar 2009 alsnog compensatie toe te kennen op grond van vooringenomenheid.

Ten aanzien van toeslagjaar 2010 overweegt de Commissie als volgt.

In de voorschotbeschikking van 5 december 2009 is op basis van automatische continuering KOT toegekend voor doorlopende opvang via gastouderbureau [naam]. Belanghebbende woonde toen nog in Rotterdam. Zij is volgens haar verklaring in april/mei 2010 verhuisd naar Schiedam en daarom gewijzigd van kinderopvanginstelling. UHT vindt dit gelet op de aanvraag van opvang per 1 april 2010 in Schiedam ook aannemelijk.

UHT heeft met (alleen) haar verwijzing naar het aanvraagformulier voor opvang in (de nieuwe woonplaats) Schiedam per 1 juli 2010 en later per 1 april 2010 niet aannemelijk gemaakt dat er geen sprake is geweest van opvang in januari, februari en maart 2010. De Commissie stelt daarnaast vast dat gelet op de adressen beide aanvragen zien op de kinderopvang. Van een andere kinderopvanginstelling zoals UHT stelt, is dus geen sprake.

Verder dateert de stopzetting per 1 oktober 2010 van vóór de aanvraag van 1 april 2010 tot 31 december 2010. Dit lijkt te worden miskend door de stopzetting per 1 oktober 2010 redengevend te achten voor het ontbreken van opvang in november en december 2010.

Op basis van de voorliggende feiten en omstandigheden kan UHT niet met zekerheid concluderen dat in de maanden januari tot en met maart en november en december 2010 geen sprake is geweest van opvang.

De Commissie betrekt hierbij dat ook voor 2010 de vooringenomenheid bestaat uit het niet doen van uitvraag bij belanghebbende. Van de situatie van evident geen recht is derhalve geen sprake.

De Commissie adviseert UHT daarom om ook voor deze periode compensatie op grond van vooringenomenheid aan belanghebbende toe te kennen.

Proceskostenvergoeding

Nu het primaire besluit naar de mening van de Commissie dient te worden herroepen, adviseert de Commissie om het verzoek voor vergoeding van de kosten van rechtsbijstand in deze bezwaarprocedure toe te wijzen. Op grond van het Besluit proceskosten heeft belanghebbende recht op een forfaitaire vergoeding op basis van 2 procespunten (bezwaarschrift en verschijnen hoorzitting) met een wegingsfactor 2. Net als in eerdere zaken adviseert de Commissie daarbij de hoogste vergoeding per procespunt toe te kennen.

Conclusie

Samengevat adviseert de Commissie om het bezwaar gedeeltelijk gegrond te verklaren en om:

  • het bestreden besluit te herroepen en de bestaande compensatieberekening aan te passen op de volgende onderdelen:
    • component a voor toeslagjaar 2010 te wijzigen naar een bedrag van € 4.146,-en de daarmee samenhangende vergoedingen opnieuw te berekenen;
    • de vergoeding voor immateriële schade (component n) te berekenen vanaf 10 februari 2010 tot de datum van de beslissing op bezwaar;
    • de rentevergoeding voor gemiste KOT over het jaar 2010 (component o) te berekenen tot de datum van de beslissing op bezwaar;
    • de 1% aanvullende vergoeding aan te passen.
  • het bedrag van € 5.960,- (zie hiervoor pag. 4 “toeslagjaar 2008”) ofwel in de hardheidscompensatie voor 2008 te betrekken ofwel component f in de compensatieberekening op € 0,- te stellen en de hiermee samenhangende componenten aan te passen;
  • voor toeslagjaar 2009 alsnog compensatie op grond van vooringenomenheid toe te kennen;
  • voor januari tot en met juni en november en december 2010 alsnog compensatie op grond van vooringenomenheid toe te kennen;
  • een vergoeding van de proceskosten voor de onderhavige bezwaarprocedure toe te kennen van twee procespunten met wegingsfactor twee voor het hoogste tarief.

Secretaris

Fungerend voorzitter