BAC 2023-13781
Publicatiedatum 29-07-2026
Advies van de Bezwaarschriftenadviescommissie hersteloperatie toeslagen
Aan: Belastingdienst/Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen (hierna: UHT)
Betreft: het bezwaarschrift van belanghebbende
Primair besluit: 25 april 2023 met kenmerk UHT-DCHA
Hoorzitting: 29 september 2025
Overdracht advies aan UHT: 30 december 2025
Samenvatting
De Bezwaarschriftenadviescommissie (hierna: de Commissie) adviseert UHT om het bezwaar ongegrond te verklaren en geen vergoeding van de proceskosten toe te kennen.
Onderwerp van advies
Het door gemachtigde namens belanghebbende ingediende bezwaarschrift is gericht tegen de door UHT genomen definitieve beschikking compensatie kinderopvangtoeslag (hierna: het bestreden besluit)
Aan belanghebbende is met toepassing van de Wet hersteloperatie toeslagen (hierna: Wht) geen compensatie toegekend voor de jaren 2017 tot en met 2019.
Procesverloop
- Belanghebbende heeft op 4 november 2022 verzocht om een herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag (hierna: KOT) over de jaren 2017 tot en met 2019.
- De Commissie van Wijzen (hierna: CvW) heeft haar beoordeling van het verzoek van belanghebbende op 22 maart 2023 aan de Belastingdienst/Toeslagen (hierna: B/T) toegestuurd. De CvW heeft geoordeeld dat de B/T zich terecht op het standpunt stelt dat de compensatieregeling van artikel 2.1, eerste lid, van de Wht niet van toepassing is voor de toeslagjaren 207 tot en met 2019.
- UHT heeft bij het bestreden besluit aan belanghebbende medegedeeld dat zij geen recht heeft op compensatie voor de jaren 2017 tot en met 2019.
- Gemachtigde heeft bij brief van 15 juni 2023 tegen dit besluit een bezwaarschrift ingediend.
- Gemachtigde heeft bij brief van 11 december 2024 het bezwaarschrift aangevuld.
- UHT heeft op 9 april 2025 schriftelijk gereageerd op het bezwaarschrift.
- Op 29 september 2025 heeft een hoorzitting plaatsgevonden. Van de hoorzitting is een verslag gemaakt, dat achter het advies is gevoegd.
- UHT heeft, daartoe door de Commissie ter zitting verzocht, op 7 november 2025 een nadere schriftelijke reactie ingediend. Gemachtigde heeft daar op 18 december 2025 op gereageerd.
- Dit advies wordt uitgebracht door de voorzitter, eerste commissielid, tweede commissielid.
Ontvankelijkheid en algemene opmerkingen
Niet in geschil is dat het bezwaarschrift ontvankelijk is.
Overwegingen ten aanzien van de bezwaren en het bestreden besluit
De Commissie ziet zich gesteld voor de vraag of UHT terecht en op goede gronden is gekomen tot haar beslissing om het verzoek van belanghebbende om compensatie of tegemoetkoming over de toeslagjaren 2017 tot en met 2019 af te wijzen.
Procedurele bezwaren: motivering, zorgvuldigheid en onevenredigheid
Gegeven de door UHT ingediende beschouwing en de overgelegde stukken – waaronder een uitgebreide uitleg per toeslagjaar – en de overige producties, waaronder het informatie- en beoordelingsformulier, betaal- en verrekenoverzichten, het SAS-rapport en de (aanvullende) schriftelijke beschouwingen, is er volgens de Commissie geen strijd met het door belanghebbende genoemde motiverings- of zorgvuldigheidsbeginsel. De Commissie is van opvatting dat de nadere onderbouwing en uiteenzetting van UHT omtrent de totstandkoming van het bestreden besluit voldoende deugdelijk en duidelijk is. De Commissie heeft verder op basis van het dossier geen aanknopingspunten kunnen vinden dat de B/T bij de verlagingen onevenredig heeft gehandeld. De bezwaren treffen geen doel.
Afgewezen toeslagjaren
Bij het bestreden besluit van 25 april 2023 heeft UHT geoordeeld dat belanghebbende over de toeslagjaren 2017 tot en met 2019 geen recht heeft op compensatie op basis van vooringenomen handelen, hardheid van het stelsel of een onterechte opzet/grove schuld (hierna: O/GS) kwalificatie.
Belanghebbende heeft dit in haar reactie van 18 december 2025 betwist en gesteld dat er sprake is van hardheid van het stelsel over de jaren 2018 en 2019. Volgens belanghebbende zijn er ten aanzien van de verlaging in 2018 aanwijzingen dat de rappelbrieven van de Belastingdienst/Toeslagen (hierna: B/T) niet (juist) zijn verzonden en ontbreekt onderzoek van de B/T naar de feitelijke opvangsituatie van belanghebbende. Er is opvang geweest bij haar moeder, informeel en regulier. Echter, de administratieve registratie ontbreekt als gevolg van de terugvorderingen en verrekeningen.
Deze bezwaren slagen volgens de Commissie niet. Uit het dossier maakt de Commissie op dat de B/T op 6 juni 2019 en 22 augustus 2019 twee brieven voor controle van het jaar 2018 aan belanghebbende heeft gestuurd met een verzoek om informatie.
De Commissie heeft geen aanwijzingen kunnen vinden voor de stelling van belanghebbende dat deze brieven niet (juist) zouden zijn verzonden.
Dat de B/T heeft nagelaten onderzoek te doen naar de feitelijke opvangsituatie van belanghebbende, is, gelet op het voorstaande, dan ook onjuist. Hierbij wordt opgemerkt dat het tot de eigen verantwoordelijkheid behoort van degene die KOT aanvraagt, om (wijzigingen in) de feitelijke opvangsituatie (tijdig) door te geven aan de B/T.
Voor wat betreft het ontbreken van de eigen administratieve registratie als gevolg van terugvorderingen en verrekeningen is de Commissie van oordeel dat dit geen hardheid van het stelsel oplevert of een situatie van onbillijke aard op grond van de Wht. Dit laat onverlet dat de Commissie begrijpt dat de terugvorderingen en verrekeningen een grote impact hebben (gehad) op de financiële positie van belanghebbende. Zoals eerder aangegeven behoort het tot de eigen verantwoordelijkheid van belanghebbende (als aanvrager van de KOT) om gegevens aan de B/T aan te leveren waaruit genoten opvang blijkt. Op basis van het dossier is de Commissie niet gebleken van dusdanige bijzondere (of gestelde schrijnende) omstandigheden dat belanghebbende hier niet aan kon voldoen. De stelling van belanghebbende dat haar moeder en broers wel zijn erkend als gedupeerden en compensatie hebben ontvangen, is niet relevant voor dit bezwaar. De Commissie beoordeelt of belanghebbende recht heeft op compensatie op basis van de feiten en individuele omstandigheden zoals naar voren is gekomen bij de samenstelling van het dossier.
Uit het dossier maakt de Commissie op dat de B/T de verlagingen over deze jaren heeft gebaseerd op reguliere wijzigingen (ontvangen informatie van de KOI en een ingestuurde jaaropgave door belanghebbende). De B/T mocht uitgaan van de doorgegeven informatie en de wijzigingen doorvoeren. Dergelijke wijzigingen geven in beginsel geen recht compensatie op grond van de Wht. Aanvullend heeft belanghebbende gesteld dat er sprake is geweest van hardheid in de toeslagjaren 2018 en 2019. De Commissie heeft hiervoor geen aanknopingspunten in het dossier kunnen vinden. Naar het oordeel van de Commissie ontbreekt voor het toeslag jaar 2018 een causaal verband tussen nà 23 oktober 2019 (de in de Wht genoemde sluitingsdatum voor KOT compensatie) genomen beslissingen over KOT toegekend in 2018. Dit betroffen reguliere beslissingen zoals hiervoor uiteengezet.
Tot slot constateert de Commissie dat de beslissingen over verlaging voor het toeslagjaar 2019 eveneens gedateerd zijn ná 23 oktober 2019. Op grond van artikel 2.1 lid 1a van de Wht, is de Wht niet van toepassing op besluiten ná 23 oktober 2019, tenzij er een causaal verband is met een vooringenomen handeling voor deze datum. Hoewel er mogelijkerwijs in 2019 een vooringenomen handeling heeft plaatsgevonden doordat B/T voorafgaand aan de verlaging onvoldoende uitvraag bij belanghebbende heeft gedaan, betekent dit nog niet dat dit eveneens het geval is voor de jaren 2017 en 2018. Zij heeft hiervoor geen aanwijzingen kunnen vinden in het dossier. De Commissie acht de redenering van UHT dat dit vooringenomen handelen geen gevolgen heeft gehad voor belanghebbende op basis van de stukken in het dossier voldoende gemotiveerd. Het nadere verzoek (tevens bewijsaanbod) door belanghebbende wijst de Commissie af aangezien zij de noodzaak daarvan niet kan onderschrijven gelet op het eerdere beroep op hardheid wegens het ontbreken van een eigen administratie waarin belanghebbende feitelijk aangeeft niet over stukken te beschikken. Verder merkt de Commissie op dat belanghebbende voldoende tijd heeft gehad om eventuele bewijsstukken aan te leveren.
Ook acht de Commissie dit aanbod op gespannen voet staan met de eerdere stelling van belanghebbende dat een administratieve registratie van de informele opvang bij de moeder van belanghebbende ontbreekt.
Voorts is de Commissie niet gebleken van een opzet/grove schuld (hierna: O/GS) kwalificatie over deze jaren. Van een O/GS kwalificatie is sprake als de B/T geen persoonlijke betalingsregeling aan belanghebbende heeft toegekend of heeft geweigerd mee te werken aan een MSNP/WNSP schuldregeling vanwege een onterechte O/GS kwalificatie (artikel 2.6 Wht). Op basis van de (nadere) gegevens van de afdeling Centrale Administratieve Processen (hierna CAP, voorheen LIC), komt de Commissie tot de conclusie dat deze omstandigheden zich niet hebben voorgedaan. Zowel in het toeslagjaar 2018 als in het toeslagjaar 2019 heeft de B/T meegewerkt aan een verzoek tot uitstel van betaling. Vanwege het ontstaan van een achterstand daarbij is deze regeling komen te vervallen. Anders dan door belanghebbende gesteld kan hier niet uit worden afgeleid dat hier sprake was van een onterechte O/GS kwalificatie. De Commissie heeft verder geen aanknopingspunten gevonden in het dossier om hier ten aanzien van belanghebbende anders over te oordelen.
De Commissie acht de bezwaren ongegrond.
Geen proceskostenvergoeding
Het bezwaar is naar opvatting van de Commissie ongegrond. Er is geen aanleiding voor herroeping van het bij bezwaar bestreden besluit. De Commissie ziet, gelet op het bepaalde in artikel 7:15 lid 2 Awb, geen aanleiding om UHT te adviseren een proceskostenvergoeding toe te kennen.
Conclusie
Samengevat adviseert de Commissie om:
- het bezwaar ongegrond te verklaren;
- het bestreden besluit niet te herroepen; en
- geen procesvergoeding toe te kennen.
[handtekening]
Secretaris
[handtekening]
Fungerend voorzitter