Ga direct naar de inhoud Ga direct naar de filters Ga direct naar de footer

BAC 2023-13766

Advies van de Bezwaarschriftenadviescommissie hersteloperatie toeslagen

Aan: Belastingdienst/Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen (hierna: UHT)

Betreft: het bezwaarschrift van belanghebbende

Primair besluit: 15 juni 2023 (UHT-DCHA)

Hoorzitting: 11 februari 2025 om 11:00 uur

Overdracht advies aan UHT: 6 maart 2025

Samenvatting

De Bezwaarschriftenadviescommissie (hierna: de Commissie) adviseert UHT om het bezwaarschrift gericht tegen het besluit van 15 juni 2023 met kenmerk UHT-DCHA ongegrond te verklaren. Voorts adviseert de Commissie geen proceskostenvergoeding toe te kennen.

Onderwerp van advies

De door gemachtigde namens belanghebbende ingediende bezwaarschriften worden geacht te zijn gericht tegen de volgende door UHT genomen besluiten.

  1. De beschikking van 6 juni 2022 met kenmerk UHT CHR GU waarin UHT heeft beslist dat belanghebbende vooralsnog niet in aanmerking komt voor het forfaitaire bedrag van € 30.000. Op 3 april 2023 heeft belanghebbende hiertegen bezwaar gemaakt. Op 11 maart 2024 is het bezwaarschrift door UHT ongegrond verklaard. De betreffende beschikking is inmiddels achterhaald door de hieronder sub 2 genoemde beschikking. De Commissie laat daarom deze beschikking en het bezwaar daartegen in haar advisering verder buiten beschouwing.
  2. De beschikking van 15 juni 2023 met kenmerk UHT-DCHA waarin UHT heeft beslist dat belanghebbende voor de jaren 2005 tot en met 2019 niet in aanmerking komt voor compensatie. De reden is dat er in deze jaren geen kinderopvangtoeslag (hierna: KOT) is aangevraagd, toegekend dan wel is teruggevorderd.

Procesverloop

  • Op 15 december 2021 heeft belanghebbende verzocht om een herbeoordeling van de KOT. De herbeoordeling ziet op de jaren 2005 tot en met 2019.
  • Bij beschikking van 6 juni 2022 heeft UHT belanghebbende geïnformeerd dat hij op basis van de eerste toets vooralsnog niet in aanmerking komt voor het forfaitaire bedrag van € 30.000.
  • Op 3 april 2023 heeft belanghebbende tegen bovenstaande beschikking een bezwaarschrift ingediend.
  • Op 1 mei 2023 heeft de Commissie van Wijzen (hierna: CvW) advies uitgebracht. De CvW heeft overwogen, kort gezegd, dat de herstelregelingen niet van toepassing zijn, nu er in de jaren 2005 tot en met 2019 geen KOT is aangevraagd, toegekend dan wel is teruggevorderd.
  • Bij beschikking van 15 juni 2023 heeft UHT meegedeeld dat belanghebbende geen compensatie krijgt toegekend voor de toeslagjaren 2005 tot en met 2019.
  • Op 18 juli 2023 heeft belanghebbende een bezwaarschrift tegen bovenstaande beschikking ingediend.
  • Op 4 maart 2024 heeft UHT een schriftelijke reactie ingediend.
  • Op 11 maart 2024 heeft UHT het bezwaarschrift gericht tegen de lichte toets ongegrond verklaard.
  • Op 11 februari 2025 heeft een hoorzitting plaatsgevonden. Het hoorverslag is bij dit advies gevoegd.
  • Op 11 februari 2025 hebben gemachtigde en UHT aanvullende stukken in het geding gebracht.
  • De Commissie bestaande uit de voorzitter, eerste commissielid, tweede commissielid, heeft dit advies behandeld.

Ontvankelijkheid en algemene opmerkingen

Niet in geschil is dat het bezwaarschrift ontvankelijk is.

Overwegingen ten aanzien van de bezwaren en het bestreden besluit

De Commissie ziet zich gesteld voor de beantwoording van de vraag of UHT terecht en op goede gronden is gekomen tot haar beslissing om het verzoek van belanghebbende op compensatie of tegemoetkoming voor de jaren 2005 tot en met 2019 af te wijzen. Ook zal de Commissie ingaan op de overige gronden van bezwaar.

Motiverings- en zorgvuldigheidsbeginsel

Belanghebbende stelt dat de bestreden beschikking onvoldoende is gemotiveerd en daarmee onzorgvuldig tot stand is gekomen. De Commissie kan UHT volgen ten aanzien van de motivering van het besluit en de zorgvuldigheid van het hieraan ten grondslag liggende onderzoek. Voor zover UHT de bestreden beschikking niet voldoende zou hebben toegelicht, impliceert dat niet dat van een gebrekkige motivering dan wel onzorgvuldigheid sprake is. De Commissie is van mening dat met het indienen van het schriftelijke verweer en de overige producties het bestreden besluit voldoende is onderbouwd en in zoverre zorgvuldig tot stand is gekomen. De Commissie adviseert het bezwaar op dit punt ongegrond te verklaren.

Persoonlijke dossier/bezwaardossier

Gemachtigde stelt dat het volledige persoonlijke dossier van belanghebbende nog altijd niet is toegezonden en dat op grond van de informatie uit het onderliggende dossier geen volledig beeld gevormd kan worden.

De Commissie overweegt dat de schriftelijke reactie/beschouwing vergezeld is gegaan met stukken die een rol hebben gespeeld bij de totstandkoming van de bestreden beschikkingen. Deze, op de zaak betrekking hebbende, stukken zijn op 9 september 2024 en 11 februari 2025 aan de gemachtigde van belanghebbende toegezonden. De Commissie heeft geen aanknopingspunten gevonden om aan te nemen dat hier niet is voldaan aan de in artikel 7:4 lid 2 Algemene wet bestuursrecht neergelegde verplichting om alle op de zaak betrekking hebbende stukken ter inzage te leggen. De Commissie tekent hierbij nog aan dat de stukken behorende tot het zogenoemde ‘persoonlijke dossier’ niet per definitie samenvallen met de op de zaak betrekking hebbende stukken, als hiervoor bedoeld. De Commissie adviseert UHT daarom om de in dit kader opgeworpen bezwaren ongegrond te verklaren.

Afgewezen toeslagjaren

Belanghebbende stelt dat hij in toeslagjaar 2014 KOT heeft aangevraagd en kinderopvang heeft afgenomen. De Commissie overweegt dat ingevolge artikel 2.1, lid 1, Wht compensatie wordt toegekend aan de aanvrager van de KOT. UHT heeft in de systemen van de Belastingdienst geen aanvraag KOT voor het jaar 2014 en de overige in het geding zijnde jaren kunnen terugvinden. Belanghebbende heeft zijn stellingname ook niet met gegevens een feitelijke onderbouwing kunnen geven. Gegeven deze omstandigheid houdt de Commissie het er dan ook voor dat belanghebbende in deze jaren geen ‘aanvrager’ is geweest in de zin van artikel 2.1, lid 1, Wht. Belanghebbende komt voor de jaren 2005 tot en met 2019 dan ook niet in aanmerking voor compensatie. De omstandigheid dat er mogelijk feitelijk wel opvang zou zijn afgenomen, maakt dat, gelet op de hier relevante tekst van de wet, niet anders. Naar het oordeel van de Commissie heeft UHT zich aldus terecht op het standpunt gesteld dat geen sprake is van institutioneel vooringenomen handelen of van te strikte toepassing van het wettelijk systeem die te hard heeft uitgepakt voor belanghebbende. De Commissie adviseert UHT derhalve om de bezwaren van belanghebbende op dit punt ongegrond te verklaren.

Ouderverhaal

Belanghebbende stelt dat er geen oudergesprek heeft plaatsgevonden. De Commissie overweegt dat, hoewel dit niet de aangewezen gang van zaken is, belanghebbende in het kader van de bezwaarprocedure de gelegenheid heeft gekregen om zijn bezwaren toe te lichten en te onderbouwen. Omdat verder niet is aangegeven welk nadeel belanghebbende door het nalaten van het oudergesprek heeft gehad, laat de Commissie dit bezwaar verder buiten beschouwing.

Proceskostenvergoeding

Nu de Commissie niet adviseert het primaire besluit te herroepen, is er geen aanleiding een vergoeding van de proceskosten toe te kennen.

Conclusie

Samengevat adviseert de Commissie om het bezwaarschrift gericht tegen de beschikking van 15 juni 2023 met kenmerk UHT-DCHA ongegrond te verklaren en geen proceskostenvergoeding toe te kennen.

Secretaris

Fungerend voorzitter