Ga direct naar de inhoud Ga direct naar de filters Ga direct naar de footer

BAC 2023-13762

Advies van de Bezwaarschriftenadviescommissie hersteloperatie toeslagen

Aan: Belastingdienst/Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen (hierna: UHT)

Betreft: het bezwaarschrift van belanghebbende

Primair besluit: 21 juni 2023 (UHT-DCH)

Hoorzitting: 18 september 2025

Overdracht advies aan UHT: 28 januari 2026

Samenvatting

De Bezwaarschriftenadviescommissie (hierna: de Commissie) adviseert UHT om het bezwaar gedeeltelijk gegrond te verklaren.

Onderwerp van advies

Het door gemachtigde namens belanghebbende ingediende bezwaarschrift is gericht tegen de door UHT genomen definitieve beschikking compensatie kinderopvangtoeslag van 21 juni 2023 (UHT-DCH).

Aan belanghebbende is met toepassing van de Wet hersteloperatie toeslagen (hierna: Wht) compensatie toegekend voor een bedrag van € 30.000 voor de jaren 2007 en 2008 en geen compensatie toegekend voor de jaren 2009 tot en met 2013.

Procesverloop

  • Belanghebbende heeft op 31 januari 2020 verzocht om een herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag (hierna: KOT) over de jaren 2007 tot en met 2009. In overleg met belanghebbende heeft UHT de herbeoordeling uitgebreid tot de periode 2007 tot en met 2013.
  • UHT heeft bij besluit van 30 mei 2021 aan belanghebbende medegedeeld dat zij in aanmerking komt voor een betaling van € 30.000.
  • De Commissie van Wijzen (hierna: CvW) heeft haar beoordeling van het verzoek van belanghebbende op 18 juli 2022 aan UHT toegestuurd. De CvW heeft geadviseerd dat gedurende de jaren 2009 tot en met 2013 geen sprake is geweest van institutionele vooringenomenheid of bijzondere omstandigheden. Daarnaast heeft de CvW geadviseerd dat voor het toeslagjaar 2007 deels de compensatieregeling en voor het overige deel van dat jaar de hardheidscompensatie van toepassing is. Voor het toeslagjaar 2008 is de compensatieregeling van toepassing.
  • UHT heeft op 8 maart 2023 bij vooraankondiging met kenmerk UHT-VCH aan belanghebbende een compensatie toegekend voor een bedrag van € 30.000.
  • UHT heeft op 21 juni 2023 bij het bestreden besluit met kenmerk UHT-DCH aan belanghebbende een compensatie toegekend voor een bedrag van € 30.000 voor de jaren 2007 en 2008.
  • Gemachtigde heeft bij brief van 18 juli 2023, ingekomen op 18 juli 2023, tegen dit besluit een bezwaarschrift ingediend.
  • UHT heeft op 12 juli 2024 schriftelijk gereageerd op het bezwaarschrift.
  • Gemachtigde heeft bij brief van 9 september 2025 een aanvullend bezwaarschrift ingediend, dat op 15 september 2025 door de Commissie is ontvangen.
  • Op 18 september 2025 heeft een hoorzitting plaatsgevonden. Van de hoorzitting is een verslag gemaakt, dat achter het advies is gevoegd.
  • UHT heeft, daartoe door de Commissie ter zitting verzocht, op 1 oktober 2025 een nadere schriftelijke reactie ingediend. Gemachtigde heeft daar op 5 oktober 2025 op gereageerd.
  • Dit advies wordt uitgebracht door de voorzitter, eerste commissielid en tweede commissielid.

Ontvankelijkheid

Niet in geschil is dat het bezwaarschrift ontvankelijk is.

Overwegingen ten aanzien van de bezwaren en het bestreden besluit

Geen persoonlijk dossier en/of onvolledig bezwaardossier

Belanghebbende voert in bezwaar aan dat zij niet de beschikking heeft alle benodigde informatie om het bestreden besluit te kunnen controleren. Zij heeft namelijk niet de beschikking over haar persoonlijk dossier en/of het volledige bezwaardossier.

Belanghebbende stelt dat zonder het volledige persoonlijke dossier en/of het volledige bezwaardossier niet kan worden beoordeeld of alle relevante stukken er zijn. De Commissie volgt dit standpunt van belanghebbende niet. De schriftelijke reactie/beschouwing en de stukken die daaraan ten grondslag liggen, zijn aan belanghebbende toegezonden. De Commissie vindt dat UHT met het toezenden van deze stukken heeft voldaan aan haar verplichting op grond van artikel 7:4 lid 2 Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) om alle op de zaak betrekking hebbende stukken ter inzage te leggen. Dat kan anders zijn als de belanghebbende een duidelijk aanknopingspunt geeft voor een reden waarom het persoonlijk dossier of aanvullende stukken moeten worden afgewacht. Dat is hier niet gebeurd. De enkele mogelijkheid dat - bij onbekendheid van de stukken in dat dossier - nog relevante informatie ontbreekt, is niet voldoende. De Commissie adviseert UHT daarom om dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.

Artikel 19 Awir

Belanghebbende stelt dat de Belastingdienst/Toeslagen (hierna: B/T) op grond van artikel 19 van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen (Awir) destijds binnen een termijn van negen maanden definitief had moeten beslissen over de aan belanghebbende toekomende KOT, maar dat B/T dit niet heeft gedaan.

De Commissie is van oordeel dat dit bezwaar – wat daar verder ook van zij - buiten het bereik van deze (bezwaar)procedure valt en laat het daarom verder onbesproken.

Registratie KOI

Belanghebbende heeft aangevoerd dat gebreken in de registratie van een kinderopvanginstelling (hierna: KOI) belanghebbende niet behoren te worden tegengeworpen.

Met UHT stelt de Commissie vast dat in het geval van belanghebbende niet is gebleken van gebreken in de registratie van de KOI waarvan belanghebbende gebruik heeft gemaakt. De Commissie adviseert UHT daarom dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.

Beslissen op bezwaar

Belanghebbende heeft aangevoerd dat het niet beslissen op bezwaren die in de herbeoordeelde jaren door belanghebbende zijn gemaakt, vooringenomen handelen oplevert.

De Commissie stelt vast dat een dergelijke situatie zich in het geval van belanghebbende niet heeft voorgedaan en adviseert daarom dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.

Informatie uit de KOI-viewer

Belanghebbende stelt dat B/T voor het vaststellen van de KOT niet blindelings op de KOI-viewer mag vertrouwen, omdat kinderopvanginstellingen niet verplicht zijn om de gegevens in de KOI-viewer in te vullen.

De Commissie gaat uit van de stelregel dat B/T en UHT mogen uitgaan van de informatie vanuit de KOI-viewer, tenzij er contra-indicaties zijn die het tegendeel aannemelijk maken. Belanghebbende heeft geen informatie naar voren gebracht waaruit blijkt dat de informatie uit de KOI-viewer niet juist is. Deze bezwaargrond treft geen doel.

FSV-lijst

De Commissie stelt vast dat uit het bezwaardossier blijkt dat belanghebbende niet voorkomt op de FSV-lijst. Het FSV-systeem is een systeem dat niet meer wordt gebruikt en daarom uitsluitend kan worden geraadpleegd door medewerkers met een speciale bevoegdheid. UHT heeft niet voldoende bevoegdheden om de door belanghebbende gewenste gedetailleerde informatie te verstrekken. De Commissie adviseert UHT wel om aan belanghebbende alsnog een schermafdruk van de haar ter beschikking staande informatie te verstrekken tezamen met de beslissing op bezwaar.

O/GS

UHT heeft in de schriftelijke beschouwing, onder verwijzing naar een aanvullende productie, toegelicht dat geen sprake is geweest van een O/GS-kwalificatie en gesteld dat er in het dossier ook geen stuk is aangetroffen waarin een verzoek van belanghebbende tot het treffen van een betalingsregeling is neergelegd. Ook uit andere omstandigheden is deze stelling niet aannemelijk geworden. De Commissie acht het bezwaar op dit punt ongegrond.

Discriminatie

De Commissie overweegt dat de onderhavige bezwaarschriftprocedure alleen betrekking heeft op de toekenning van genoemde forfaitaire (standaard) vergoedingen en niet op de vergoeding van de werkelijke schade. Hiervoor is (onder meer) de procedure bij de Commissie Werkelijke Schade (CWS) bestemd. Gebleken is dat belanghebbende zich al tot CWS heeft gewend. Hier kan belanghebbende ook haar betoog inbrengen dat zij is gediscrimineerd. Individuele omstandigheden worden, anders dan in deze procedure, bij CWS wel meegewogen.

Beoordeling per jaar

Belanghebbende vindt het opmerkelijk dat voor sommige jaren vooringenomen handelen wordt aangenomen en voor andere jaren weer niet. Een selectie in jaren op basis van neerwaartse correcties of nihilstellingen doet geen recht aan de situatie van gedupeerde ouders. De Commissie wijst in dit verband op de wetsgeschiedenis van de Wht. In de Memorie van Toelichting wordt dit punt expliciet besproken: “Bij integrale beoordeling wordt vastgesteld wat er is misgegaan met de kinderopvangtoeslag bij een gedupeerde ouder en wordt per berekeningsjaar het herstelbedrag vastgesteld dat op grond van een herstelmaatregel als bedoeld in artikel 2.7 van dit wetsvoorstel wordt toegekend.” (Tweede Kamer, vergaderjaar 2021–2022, 36 151, nr. 3, p. 19).

De Commissie leidt hieruit af dat het kennelijk niet de bedoeling van de wetgever is geweest om een vaststelling van gedupeerd zijn van een toeslagouder automatisch door te trekken naar andere jaren. Volgens de Commissie zal daarom per jaar opnieuw moeten worden vastgesteld of sprake is geweest van vooringenomen handelen dan wel hardheid en of de werkwijze van UHT begrijpelijk en daarmee in overeenstemming is. De enkele – niet nader met feiten of omstandigheden onderbouwde – stelling dat van vooringenomenheid sprake moet zijn geweest in andere toeslagjaren als eenmaal sprake is geweest van vooringenomen handelen door B/T of bijzondere omstandigheden acht de Commissie daarom in zijn algemeenheid onjuist. Dit deel van het bezwaar acht de Commissie daarom ongegrond.

Hoogte van de KOT

De Commissie overweegt verder dat de Wht is bedoeld voor herstel van (de gevolgen van) vooringenomen handelen, hardheid of een onterechte O/GS-kwalificatie en geen betrekking heeft op de herziening van definitieve KOT-beschikkingen. Een beoordeling daarvan valt dus buiten de reikwijdte van de Wht. De Commissie adviseert UHT daarom om dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.

Forfaitaire bedragen materiële en immateriële schade

Met betrekking tot de hoogte van de toegekende bedragen voor materiële en immateriële schade merkt de Commissie het volgende op. De Commissie overweegt dat de wetgever de keuze heeft gemaakt om in het kader van de integrale beoordeling te werken met een systeem van vaste (“forfaitaire”) vergoedingen. De Commissie heeft in de stellingen van belanghebbende geen aanleiding gevonden om te oordelen dat in dit geval het in de Wht neergelegde compensatiestelsel buiten toepassing zou moeten blijven. De Commissie verwijst hierbij naar de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 1 maart 2023, ECLI:NL:RVS:2023:772 en ECLI:NL:RVS:2023:852. Van belang hierbij is dat de Wht ook voorziet in vergoeding van de werkelijke (im)materiële schade via de procedure bij de Commissie Werkelijke Schade en dat in alle fases van toekenning is voorzien in rechtsbescherming.

Het toeslagjaar 2009

UHT heeft vastgesteld dat B/T op 13 februari 2009 een voorschotbeschikking heeft afgegeven waarbij de KOT is vastgesteld op € 3.364. Op 24 maart 2009 is de KOT van belanghebbende stopgezet per 1 mei 2009. UHT stelt dat belanghebbende deze stopzetting aan B/T heeft doorgegeven. Belanghebbende stelt dat zij de KOT niet per 1 mei 2009 heeft stopgezet. UHT heeft, volgens belanghebbende, in deze bezwaarprocedure niet aangetoond dat zij de KOT heeft stopgezet. Zij meent vooringenomen te zijn behandeld door B/T. Belanghebbende stelt dat compensatie op grond van vooringenomenheid daarom op zijn plaats is.

Tussen partijen staat vast dat vanaf 1 mei 2009 geen geregistreerde kinderopvang meer door belanghebbende is afgenomen. Belanghebbende heeft tegen de stopzetting geen bezwaar gemaakt of opnieuw voor het jaar 2009 KOT aangevraagd. UHT heeft geen document ingebracht waaruit kan blijken wie de KOT per 1 mei 2009 heeft stopgezet. Uit het bezwaardossier blijkt wel dat belanghebbende op 13 september 2010 aan B/T heeft bevestigd dat zij tot en met 30 april 2009 kinderopvang heeft afgenomen van [naam].

Op grond van het bezwaardossier kan de Commissie niet vaststellen wie de KOT heeft vastgesteld. Tegen die achtergrond kan niet worden uitgesloten dat belanghebbende vooringenomen is behandeld. Volgens artikel 2.1, lid 1 van de Wht komt voor een compensatie in aanmerking de ouder van wie aannemelijk is dat de vaststelling van zijn aanspraak op KOT in enig jaar onderdeel is geweest van bijzondere hardheid of van een institutioneel vooringenomen handelwijze van de B/T. Toekenning van compensatie blijft, op grond van artikel 2.1 lid 2 van de Wht, achterwege bij ernstige onregelmatigheden die aan de ouder kunnen worden toegerekend. Dit laatste is onder meer het geval in situaties waarin een belanghebbende evident geen recht had op KOT. Dat speelt hier.

Belanghebbende heeft immers bevestigd dat zij vanaf 1 mei 2009 geen kinderopvang meer heeft afgenomen. Volgens het eigen beleid van UHT kan in uitzonderlijke situaties sprake zijn van hardheid. De Commissie stelt vast dat niet, althans onvoldoende, is gebleken dat belanghebbende in zodanige, voor de toepassing van dit beleid relevante, uitzonderlijke omstandigheden heeft verkeerd. Belanghebbende komt voor het jaar 2009 dus niet in aanmerking voor compensatie op grond van de Wht. De Commissie adviseert UHT daarom om dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.

Ambtshalve heroverweging van het bestreden besluit.

In haar schriftelijke beschouwing heeft UHT de compensatieberekening voor de toeslagjaren 2007 en 2008 gecontroleerd en haar bevindingen toegelicht. Daarbij heeft UHT vastgesteld dat zij de toeslagrente (in de compensatieberekening aangeduid als component o) onjuist heeft berekend en te laag heeft vastgesteld. Bij een juiste berekening valt de te vergoeden rente in beide jaren hoger uit dan vermeld in de compensatieberekening die aan het bestreden besluit ten grondslag is gelegd.

Met UHT is de Commissie van oordeel dat de aan belanghebbende toekomende toeslagrente te laag is vastgesteld. Zij heeft met instemming kennisgenomen van het voornemen van UHT om de toeslagrente bij de beslissing op bezwaar bij te stellen. Ook de aan belanghebbende toekomende immateriële schadevergoeding en de aanvullende vergoeding van 1% zullen als gevolg van deze wijziging in het voordeel van belanghebbende worden aangepast bij de beslissing op bezwaar. De Commissie zal UHT daarom adviseren de bezwaren ten aanzien van de compensatieberekening gegrond te verklaren.

Proceskostenvergoeding

Nu het bestreden besluit naar het oordeel van de Commissie dient te worden herroepen, adviseert de Commissie tot toewijzing van het verzoek om vergoeding van de kosten van rechtsbijstand in de bezwaarprocedure met betrekking tot dat besluit. Op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht heeft belanghebbende recht op een forfaitaire vergoeding op basis van twee procespunten (bezwaarschrift en verschijnen hoorzitting) met een wegingsfactor 2. Net als in eerdere zaken adviseert de Commissie daarbij de hoogste vergoeding per procespunt toe te kennen.

Conclusie

Samengevat adviseert de Commissie om het bezwaar gedeeltelijk gegrond te verklaren, de beschikking te herroepen en opnieuw te beslissen met inachtneming van dit advies. Tevens adviseert de Commissie een proceskostenvergoeding toe te kennen.

[handtekening]

Secretaris

[handtekening]

Fungerend voorzitter