BAC 2023-13761
Publicatiedatum 02-04-2026
Advies van de Bezwaarschriftenadviescommissie hersteloperatie toeslagen
Aan: Belastingdienst/Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen (hierna: UHT)
Betreft: het bezwaarschrift van belanghebbende
Primair besluit: 23 juni 2023 met kenmerk UHT-DCH en 21 juli 2023 met kenmerk UHT-O OGS B
Hoorzitting: n.v.t.
Overdracht advies aan UHT: 4 maart 2026
Samenvatting
De Bezwaarschriftenadviescommissie (hierna: de Commissie) adviseert UHT om het bezwaar gedeeltelijk gegrond te verklaren en het verzoek om een proceskostenvergoeding toe te wijzen.
Onderwerp van advies
Het door de gemachtigde namens belanghebbende ingediende bezwaarschrift is gericht tegen de volgende beschikkingen:
- Definitieve beschikking herbeoordeling kinderopvangtoeslag van 23 juni 2023 met kenmerk UHT-DCH;
- Definitieve beschikking tegemoetkoming opzet/grove schuld (hierna: O/GS) van 21 juli 2023 met kenmerk UHT-O OGS B.
Aan belanghebbende is met toepassing van de Wet hersteloperatie toeslagen (hierna: Wht) een compensatie toegekend van € 67.888 voor de jaren 2008 tot en met 2011. Voor de jaren 2005 tot en met 2007 en 2012 tot en met 2019 is geen compensatie toegekend. Belanghebbende heeft over het toeslagjaar 2014 recht op een O/GS-tegemoetkoming van € 35.
Procesverloop
- Belanghebbende heeft op 27 november 2020 verzocht om een herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag (hierna: KOT) over de jaren 2012, 2014, 2015, 2016 en 2019. In overleg met de persoonlijk zaaksbehandelaar is dat aangepast naar de jaren 2005 tot en met 2020.
- De Commissie van Wijzen (hierna: CvW) heeft haar beoordeling van het verzoek van belanghebbende op 5 januari 2023 aan UHT toegestuurd. De CvW heeft geadviseerd dat gedurende de jaren 2005 tot en met 2007 en 2012 tot en met 2019 geen sprake is geweest van institutionele vooringenomenheid of bijzondere omstandigheden. Over de jaren 2008 tot en met 2011 is de compensatieregeling wel van toepassing en voor jaar 2014 heeft belanghebbende recht op een O/GS-tegemoetkoming.
- UHT heeft bij vooraankondiging aan belanghebbende een compensatie toegekend voor een bedrag van € 66.530.
- UHT heeft met de beschikking van 23 juni 2023 met kenmerk UHT-DCH (hierna: de eerste bestreden beschikking) aan belanghebbende een compensatie toegekend voor de jaren 2008 tot en met 2011 voor een bedrag van € 67.888. Belanghebbende wordt niet gecompenseerd voor de jaren 2005 tot en met 2007 en 2012 tot en met 2018.
- Gemachtigde heeft bij brief van 18 juli 2023 tegen de eerste bestreden beschikking een bezwaarschrift ingediend.
- UHT heeft met de beschikking van 21 juli 2023 met kenmerk UHT-O OGS B aan belanghebbende een O/GS-tegemoetkoming toegekend voor een bedrag van
€ 35. - UHT heeft op 10 juni 2024 schriftelijk gereageerd op het bezwaarschrift.
- Op 19 november 2025 heeft de gemachtigde de Commissie verzocht de zaak op de stukken af te doen. De Commissie ziet daarom, op grond van artikel 7:3, onder c, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb), af van het horen van belanghebbende.
- Op 2 januari 2026 heeft gemachtigde een aanvullend bezwaarschrift ingebracht.
- Dit advies wordt uitgebracht door de voorzitter en twee commissieleden.
Ontvankelijkheid
Niet in geschil is dat het bezwaarschrift ontvankelijk is.
Overwegingen ten aanzien van de bezwaren en het bestreden besluit
De Commissie zal eerst ingaan op de volgende (algemene) bezwaargronden van belanghebbende:
- gevolgen van de termijnoverschrijding door UHT;
- geen persoonlijk dossier en/of onvolledig bezwaardossier;
- het motiverings- en zorgvuldigheidsbeginsel;
- het niet tijdig definitief beslissen conform artikel 19 van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen (hierna: Awir);
- registratie van de kinderopvanginstelling;
- beslissen op bezwaar;
- gebruik van informatie uit de KOI-viewer;
- opname op de FSV-lijst;
- O/GS-kwalificatie;
- code HOTHOR;
- discriminatie;
- beoordeling per jaar;
- hoogte van de KOT;
- uitleg (motivering) verrekeningen door UHT onvoldoende;
- vergoeding van aanvullende schade naar de Commissie Werkelijke Schade (hierna: CWS).
Gevolgen van de termijnoverschrijding door UHT
De belanghebbende verzoekt de Commissie advies uit te brengen over de aan UHT op te leggen gevolgen van het overschrijden van de voor UHT geldende (beslis)termijnen. De Commissie gaat aan dit verzoek voorbij, omdat beoordeling van de door UHT gehanteerde termijnen van beslissen buiten het kader van de bevoegdheden van de Commissie valt. Uit artikel 3 van het Instellingsregeling Bezwaarschriftenadviescommissie hersteloperatie toeslagen volgt dat de Commissie een adviserende taak heeft die beperkt is tot bezwaren tegen beschikkingen die zijn genomen op grond van de Wht. Klachten of geschillen die uitsluitend zien op de overschrijding van de termijn voor het nemen van een beslissing op bezwaar vallen buiten deze taak. Deze bezwaargrond treft dan ook geen doel.
Geen persoonlijk dossier en/of onvolledig bezwaardossier
Belanghebbende voert in bezwaar aan dat zij niet de beschikking heeft over alle benodigde informatie om de bestreden beschikkingen te kunnen controleren.
Zij heeft namelijk niet de beschikking over haar persoonlijk dossier en/of het volledige bezwaardossier. Belanghebbende stelt dat zonder het volledige persoonlijke dossier en/of het volledige bezwaardossier niet kan worden beoordeeld of alle relevante stukken er zijn.
De Commissie volgt dit standpunt van belanghebbende niet. De schriftelijke beschouwing en de stukken die daaraan ten grondslag liggen, zijn aan belanghebbende op 9 oktober 2025 toegezonden.
De Commissie is van oordeel dat UHT met het toezenden van deze stukken heeft voldaan aan haar verplichting op grond van artikel 7:4 lid 2 Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) om alle op de zaak betrekking hebbende stukken ter inzage te leggen. Dat kan anders zijn als de belanghebbende specificeert vanwege welke ontbrekende informatie het persoonlijk dossier of aanvullende stukken moeten worden afgewacht. Dat is hier niet gebeurd. De enkele mogelijkheid dat – bij onbekendheid van de stukken in dat dossier - nog relevante informatie ontbreekt, is niet voldoende. Gelet op het vorenstaande treft deze bezwaargrond geen doel.
Het motiverings- en zorgvuldigheidsbeginsel
Belanghebbende stelt dat de bestreden beschikkingen onvoldoende inzichtelijk zijn gemotiveerd en op onzorgvuldige wijze tot stand zijn gekomen. Volgens belanghebbende heeft UHT voorafgaand aan de bestreden beschikkingen haar zienswijze niet aan Belastingdienst/Toeslagen (hierna: B/T) kenbaar kunnen maken en dat is in strijd met de Wht.
De Commissie kan UHT volgen in het ingenomen standpunt ten aanzien van zowel de motivering van de twee bestreden beschikkingen als de zorgvuldigheid van het daaraan ten grondslag liggende onderzoek. De Commissie is van oordeel dat UHT de beschikkingen op uitvoerige en overtuigende wijze heeft gemotiveerd.
Met de beschouwing van 10 juni 2024 heeft UHT een uitgebreide toelichting gegeven, onder meer aan de hand van de LIC- en SAS-overzichten en overige relevante stukken. Daarbij heeft UHT rekening gehouden met het persoonlijk verhaal van belanghebbende en het oordeel van de CvW, voordat de bestreden beschikkingen werden genomen. Deze documenten maken tevens deel uit van de op de zaak betrekking hebbende stukken.
De Commissie overweegt dat het ontbreken van een vooraankondiging of de mogelijkheid om vooraf een zienswijze in te dienen bij het nemen van een primaire beschikking niet zonder meer leidt tot onrechtmatigheid van dat besluit. Doorslaggevend is of dit eventuele gebrek in de bezwaarprocedure alsnog volledig is hersteld. Daarbij dient de belanghebbende daadwerkelijk en in voldoende mate in de gelegenheid te zijn gesteld om haar standpunt naar voren te brengen en haar belangen toe te lichten.
In dit geval stelt de Commissie vast dat belanghebbende met de indiening van de bezwaarschriften van 18 juli 2023 en 2 januari 2026 uitvoerig de gelegenheid heeft gehad om haar argumenten naar voren te brengen. Daarnaast is belanghebbende de mogelijkheid geboden om te worden gehoord, waarvan zij uitdrukkelijk heeft afgezien. Gelet hierop is de Commissie van oordeel dat belanghebbende voldoende in de gelegenheid is gesteld haar standpunt kenbaar te maken en dat het ontbreken van een vooraankondiging of zienswijze voorafgaand aan de primaire beschikking in de bezwaarprocedure afdoende is hersteld.
De bezwaargrond treft gelet op het voorgaande geen doel.
Het niet tijdig definitief beslissen conform artikel 19 van de Awir
Belanghebbende stelt dat B/T op grond van artikel 19 van de Awir destijds binnen een termijn van negen maanden definitief had moeten beslissen over de aan belanghebbende toekomende KOT, maar dat B/T dit niet heeft gedaan.
De Commissie is van oordeel dat dit bezwaar – wat daar verder ook van zij - buiten het bereik van deze (bezwaar)procedure valt en laat het daarom verder onbesproken.
Registratie van de kinderopvanginstelling
Belanghebbende kan niet worden tegengeworpen dat gebruik is gemaakt van een niet-geregistreerde kinderopvanginstelling (LRK-registratie); een dergelijk verwijt kan wel aan B/T worden gemaakt.
Voor KOT is op grond van artikel 1.5, tweede lid, van de Wet kinderopvang vereist dat gebruik wordt gemaakt van een kinderopvanginstelling die geregistreerd is in het LRK-register. In het algemeen mag van een aanvrager worden verwacht dat zij bij aanvang van de opvang nagaat of de kinderopvanginstelling beschikt over een geldige LRK-registratie.
De Commissie heeft echter niet kunnen vaststellen dat belanghebbende dit verwijt wordt gemaakt. Gelet hierop treft deze bezwaargrond geen doel.
Beslissen op bezwaar
Belanghebbende heeft aangevoerd dat het niet beslissen op bezwaren die in de herbeoordeelde jaren door belanghebbende zijn gemaakt, vooringenomen handelen oplevert.
De Commissie stelt vast dat een dergelijke situatie zich in het geval van belanghebbende niet heeft voorgedaan, zodat deze bezwaargrond geen doel treft.
Gebruik van informatie uit de KOI-viewer
Belanghebbende stelt dat B/T voor het vaststellen van de KOT niet blindelings op de KOI-viewer mag vertrouwen, omdat kinderopvanginstellingen niet verplicht zijn om de gegevens in de KOI-viewer in te vullen.
De Commissie gaat uit van de stelregel dat B/T en UHT mogen uitgaan van de informatie vanuit de KOI-viewer, tenzij er contra-indicaties zijn die het tegendeel aannemelijk maken. Belanghebbende heeft geen informatie naar voren gebracht waaruit blijkt dat B/T aan de informatie uit de KOI-viewer had behoren te twijfelen. Deze bezwaargrond treft geen doel.
Opname op de FSV-lijst
Belanghebbende stelt dat zij op de FSV-lijst is opgenomen en dat UHT geen volledige inzage heeft gegeven waarom zij op de lijst is opgenomen. Verzocht wordt om alle FSV-gegevens.
Het is de Commissie gebleken dat op pagina 23 van het informatie- en beoordelingsformulier melding wordt gemaakt dat belanghebbende op de FSV-lijst vermeld stond. De vermelding zou geen invloed hebben gehad op de beoordeling, aldus UHT. Het is de Commissie bekend dat normaliter verwezen wordt naar de FSV-Sanctie check. Dit document is niet in de onderliggende stukken opgenomen. De Commissie acht het dan ook begrijpelijk dat belanghebbende hierover een nadere toelichting wenst en adviseert UHT om belanghebbende voor zover daarover informatie beschikbaar is te informeren over de reden van opname op de FSV-lijst.
O/GS-kwalificatie
UHT heeft in de beschouwing van 10 juni 2024 toegelicht dat belanghebbende over de toeslagjaren 2010, 2011 en 2014 een O/GS-kwalificatie had. UHT heeft daarbij verwezen naar pagina 225 van de onderliggende stukken. Belanghebbende komt alleen in aanmerking voor een O/GS-tegemoetkoming voor toeslagjaar 2014 omdat de meest ruimhartigste herstelregeling van toepassing is en daardoor de jaren 2010 en 2011 buiten beschouwing blijven.
De Commissie is van oordeel dat UHT hiermee voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat belanghebbende over de jaren 2005 tot en met 2009, 2012, 2013 en 2015 tot en met 2020 niet aan de voorwaarden voor een O/GS-kwalificatie heeft voldaan.
Code HOTHOR
Belanghebbende heeft voorts aangevoerd dat sprake is geweest van vooringenomenheid vanwege een HOTHOR-registratie. De Commissie volgt dit standpunt niet.
HOTHOR staat voor: hoge toeslag/hoog risico. Het kan zo zijn dat uit de stukken blijkt dat B/T aan een aanvraag het kenmerk ‘HOTHOR’ heeft toegevoegd.
Dit kenmerk werd geautomatiseerd toegevoegd in situaties waarin sprake was van een laag inkomen en dus recht op een relatief hoog bedrag aan toeslagen.
Dit kenmerk had tot gevolg dat een extra handmatige controle plaatsvond.
Het doel van deze extra controles was gelegen in het voorkomen dat ouders met hoge terugvorderingen zouden worden geconfronteerd. Een uitvraag of controle als gevolg van het door B/T gegeven kenmerk HOTHOR maakt wel dat goed moet worden onderzocht of sprake is geweest van institutionele vooringenomenheid, maar houdt dat niet per sé in. Daarvoor is nodig dat er meer aanwijzingen zijn in de stukken. Dergelijke aanwijzingen zijn onvoldoende aannemelijk geworden. Het is de Commissie gebleken dat belanghebbende in toeslagjaar 2007 te maken heeft gehad met de melding HOTHOR. Deze melding heeft er niet toe geleid dat er een correctie van de KOT is toegepast als gevolg van vooringenomenheid.
De Commissie merkt op dat de KOT wel is bijgesteld van € 9.156 naar € 5.976 ten gevolge van minder afgenomen opvanguren.
De bezwaargrond treft gelet op het voorgaande geen doel.
Discriminatie
De Commissie overweegt dat voor toekenning van compensatie wegens discriminatie, vooringenomenheid of onbillijke hardheid concreet moet worden aangetoond dat het bestuursorgaan onzorgvuldig heeft gehandeld of in strijd met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur is opgetreden. Daarbij dient aannemelijk te worden gemaakt dat dit handelen daadwerkelijk tot schade heeft geleid. Het enkele bestaan van een risicoprofiel, een intern signaal of een intensievere controle vormt op zichzelf onvoldoende grond voor compensatie. Vereist is dat sprake is van een rechtstreeks verband tussen het handelen van het bestuursorgaan en een nadelige beslissing of situatie voor belanghebbende.
In het onderhavige geval heeft belanghebbende weliswaar gesteld dat zij is gediscrimineerd, maar deze stelling is op geen enkele wijze onderbouwd met concrete feiten, omstandigheden of stukken. De Commissie merkt daarbij op dat van degene die zich op deze gronden beroept mag worden verwacht dat dit standpunt deugdelijk wordt gemotiveerd.
De bezwaargrond treft geen doel.
Beoordeling per jaar
Belanghebbende vindt het opmerkelijk dat voor sommige jaren vooringenomen handelen wordt aangenomen en voor andere jaren niet. Een selectie in jaren op basis van neerwaartse correcties of nihilstellingen doet geen recht aan de situatie van gedupeerde ouders.
De Commissie wijst in dit verband op de wetsgeschiedenis van de Wht.
In de Memorie van Toelichting wordt dit punt expliciet besproken: “Bij integrale beoordeling wordt vastgesteld wat er is misgegaan met de kinderopvangtoeslag bij een gedupeerde ouder en wordt per berekeningsjaar het herstelbedrag vastgesteld dat op grond van een herstelmaatregel als bedoeld in artikel 2.7 van dit wetsvoorstel wordt toegekend.” (Tweede Kamer, vergaderjaar 2021–2022, 36 151, nr. 3, p. 19). De Commissie leidt hieruit af dat het kennelijk niet de bedoeling van de wetgever is geweest om een vaststelling van gedupeerd zijn van een toeslagouder automatisch door te trekken naar andere jaren. Volgens de Commissie zal daarom per jaar opnieuw moeten worden vastgesteld of sprake is geweest van vooringenomen handelen dan wel hardheid en of de werkwijze van UHT begrijpelijk en daarmee in overeenstemming is. De enkele – niet nader met feiten of omstandigheden onderbouwde – stelling dat van vooringenomenheid sprake moet zijn geweest in andere toeslagjaren als eenmaal sprake is geweest van vooringenomen handelen door B/T of bijzondere omstandigheden acht de Commissie daarom in zijn algemeenheid onjuist. Gelet op deze overweging treft deze bezwaargrond geen doel.
Hoogte van de KOT
De Commissie overweegt verder dat de Wht is bedoeld voor herstel van (de gevolgen van) vooringenomen handelen, hardheid of een onterechte O/GS-kwalificatie en geen betrekking heeft op de herziening van definitieve KOT-beschikkingen. Een beoordeling daarvan valt dus buiten de reikwijdte van de Wht. Deze bezwaargrond treft geen doel.
Uitleg (motivering) verrekeningen door UHT onvoldoende
Belanghebbende voert ook aan dat zij onvoldoende inzicht heeft gekregen in de wijze waarop de terugvorderingen van de KOT en de daarop volgende verrekeningen hebben plaatsgevonden.
De Commissie overweegt dat UHT bij de vaststelling van betalingen en verrekeningen in beginsel mag uitgaan van de in de systemen opgenomen LIC-overzichten, mits deze voldoende inzichtelijk en navolgbaar zijn gemaakt. Dergelijke overzichten worden aangemerkt als een betrouwbare weergave van de financiële afwikkeling van toeslagen. Van belanghebbende mag worden verwacht dat zij, indien zij de juistheid van deze overzichten betwist, dit onderbouwt met concrete en verifieerbare gegevens waaruit blijkt dat de weergegeven betalingen of verrekeningen onjuist zijn. Een algemene betwisting, zonder aanwijzing van specifieke fouten of onderliggende bewijsstukken, is daarvoor onvoldoende.
Nu in bezwaar geen concrete aanknopingspunten zijn aangedragen die de juistheid van de LIC-overzichten in twijfel trekken, ziet de Commissie geen aanleiding om aan de juistheid van deze overzichten te twijfelen en mocht UHT bij de beoordeling daarvan uitgaan. Op grond van het voorgaande treft deze bezwaargrond geen doel.
Voor aanvullende schade naar CWS
Deze bezwaarschriftprocedure heeft alleen betrekking op de toekenning van de standaardvergoedingen (de zogeheten forfaitaire bedragen) en niet op de vergoeding van de werkelijke schade. Hiervoor is onder meer de procedure bij de Commissie Werkelijke Schade bestemd.
De Commissie ziet zich voorts gesteld voor de vraag of UHT de toegekende compensatie voor de jaren 2008 tot en met 2011 op de juiste wijze heeft berekend en terecht en op goede gronden is gekomen tot haar beslissing om het verzoek van belanghebbende om compensatie of tegemoetkoming voor de jaren 2005 tot en met 2007 en 2012 tot en met 2019 af te wijzen.
De Commissie stelt vast dat belanghebbende tegen de toegekende compensatie over de toeslagjaren 2008 en 2009 geen bezwaren naar voren heeft gebracht zodat de Commissie zich zal richten op de toeslagjaren 2010 en 2011.
Toeslagjaren 2010 en 2011
Belanghebbende voert aan dat in de compensatieberekening voor de toeslagjaren 2010 en 2011 de in mindering gebrachte bedragen onjuist zijn berekend (component g). Voor het toeslagjaar 2011 zijn de rente en kosten eveneens onjuist vastgesteld (component i).
Rente en kosten (component i)
Betaalde rente en kosten hebben betrekking op aanmaningen, dwangbevelen en invorderingsrente, zoals vastgelegd in artikel 2.3, vijfde lid, van de Wht.
Uit het LIC-overzicht van het toeslagjaar 2011 blijkt dat bij belanghebbende in totaal € 783 aan kosten en rente in rekening is gebracht. De eerdere vaststelling dat het zou gaan om een bedrag van € 706 is dan ook onjuist.
De bezwaargrond treft, gelet op het voorgaande, doel, zodat het bezwaar in zoverre gegrond moet worden verklaard.
Vergoeding voor immateriële schade (component n)
Wat betreft de ingangsdatum van de vergoeding voor immateriële schade overweegt de Commissie dat deze op grond van artikel 2.3, vierde lid, van de Wht dient te worden gesteld op de dagtekening van de eerste beschikking tot het verminderen of niet toekennen van KOT dan wel het beëindigen van de voorschotverlening voor KOT, indien deze beschikking een direct gevolg is van (onder meer) vooringenomen handelen van B/T.
Uit de onderliggende stukken maakt de Commissie op dat UHT heeft gekozen voor de startdatum 28 februari 2010, terwijl op 14 mei 2010 de eerste nihilstelling is afgegeven. Er is dan ook, uitgaande van het wettelijk kader, uitgegaan van een onjuiste startdatum.
De Commissie ziet echter geen aanleiding om deze startdatum ten nadele van belanghebbende aan te passen. Aangezien sprake is van een gedeeltelijke gegrondverklaring van het bezwaar, dient de periode waarover de immateriële schade wordt berekend voorts door te lopen tot de dagtekening van de beslissing op bezwaar.
De aanpassing van de diverse componenten heeft tevens gevolgen voor de aanvullende vergoeding van 1% van het subtotaal.
KOT die niet is terugbetaald of verrekend (component g)
De Commissie is van oordeel dat UHT met de toelichting op de vraag van de gemachtigde, onder verwijzing naar het LIC-overzicht, overtuigend heeft uiteengezet hoe de bedragen van € 5.938 en € 8.524 tot stand zijn gekomen. Dit betreft het bedrag dat in mindering wordt gebracht op het compensatiebedrag en valt onder component g van de compensatieberekening. In het LIC-overzicht worden deze bedragen aangemerkt als niet-ingevorderde bedragen.
De Commissie ziet geen aanleiding om te twijfelen aan de juistheid van deze LIC-overzichten. Belanghebbende heeft in bezwaar evenmin aannemelijk gemaakt dat deze bedragen onjuist zijn. Deze bezwaargrond treft derhalve geen doel.
De Commissie zal thans nader ingaan op de afwijzing van compensatie over de toeslagjaren 2005 tot en met 2007 en 2012 tot en met 2019.
Toeslagjaren 2005 en 2006
De Commissie overweegt dat voor toekenning van compensatie op grond van institutionele vooringenomenheid of toepassing van de hardheidsregeling in beginsel vereist is dat sprake is geweest van een neerwaartse aanpassing van de KOT. Indien in het betreffende toeslagjaar geen neerwaartse bijstelling heeft plaatsgevonden, bestaat in beginsel geen grond voor compensatie. Dit geldt ook wanneer sprake is geweest van een late beschikking.
Slechts in uitzonderlijke, schrijnende gevallen kan aanleiding bestaan om van dit uitgangspunt af te wijken. Daarbij geldt een strenge maatstaf. Van een schrijnend geval is slechts sprake indien actuele en bijzondere omstandigheden aannemelijk zijn die hebben geleid tot ernstige en structurele financiële nood, zware medische problematiek of andere ontwrichtende persoonlijke situaties. Het is aan betrokkene om dergelijke omstandigheden concreet en met objectieve bewijsstukken te onderbouwen. Alleen in dat geval kan aanleiding bestaan om af te wijken van de wettelijke regeling.
De Commissie stelt allereerst vast dat belanghebbende het bestuursorgaan in gebreke had kunnen stellen wegens het niet tijdig beslissen, alvorens beroep in te stellen. In deze bezwaarprocedure is de Commissie niet gebleken dat belanghebbende rechtsmiddelen heeft aangewend om vertraging in de besluitvorming tegen te gaan.
Voorts is de Commissie in de situatie van belanghebbende niet gebleken van zodanige uitzonderlijke en voldoende onderbouwde omstandigheden dat afwijking van het uitgangspunt gerechtvaardigd zou zijn.
Deze bezwaargrond treft geen doel.
Toeslagjaar 2007
De Commissie heeft geen aanknopingspunten gevonden om te adviseren dat B/T bij de toekenning, aanpassing of terugvordering van de KOT voor het toeslagjaar 2007 institutioneel vooringenomen heeft gehandeld of dat het stelsel in dit geval te hard heeft uitgewerkt.
De terugvordering van de KOT over het toeslagjaar 2007 was gebaseerd op de vaststelling dat een te hoog voorschot was toegekend. De Commissie stelt vast dat de KOT bij beschikking van 25 juni 2009 neerwaarts is aangepast van € 9.156 naar € 5.976 als gevolg van minder afgenomen kinderopvang. Het aantal opvanguren is gebaseerd op de jaaropgave van [naam kinderopvanginstelling], die belanghebbende zelf aan B/T heeft verstrekt. Het voorschot is vervolgens op grond van reguliere wijzigingen opnieuw berekend. Deze bijstellingen zijn in overeenstemming met de wettelijke voorschriften uitgevoerd.
Dergelijke bijstellingen geven in beginsel geen aanspraak op een zogenoemde hardheidstegemoetkoming.
De Commissie heeft geen aanknopingspunten gevonden om in het geval van belanghebbende tot een ander oordeel te komen.
De bezwaargrond treft geen doel.
Toeslagjaar 2012
De Commissie overweegt dat voor toekenning van compensatie aannemelijk moet zijn dat in het betreffende toeslagjaar KOT is aangevraagd, toegekend of teruggevorderd. Indien uit de beschikbare stukken geen aanvraag, beschikking of terugvordering blijkt, ontbreekt een grondslag voor compensatie.
De bewijslast rust op belanghebbende. Het is aan haar om aannemelijk te maken dat in het betreffende jaar KOT is aangevraagd of toegekend. In de onderliggende stukken zijn echter geen aanwijzingen aangetroffen voor een aanvraag of beschikking. Daarbij weegt mee dat B/T bij brief van 16 december 2011 heeft medegedeeld dat de KOT niet automatisch wordt verlengd en dat voor een volgend toeslagjaar opnieuw een aanvraag moet worden ingediend. Niet is gebleken dat een dergelijke aanvraag is gedaan.
De Commissie stelt vast dat geen sprake is van een aanvraag, toekenning of terugvordering, zodat geen recht op compensatie bestaat.
De bezwaargrond treft geen doel.
Toeslagjaar 2013
De Commissie overweegt dat de KOT in het toeslagjaar 2013 neerwaarts is bijgesteld van € 956 naar € 928 als gevolg van een verhoging van het toetsingsinkomen van € 11.852 naar € 19.191. De aanpassing houdt derhalve rechtstreeks verband met een wijziging van het inkomensgegeven en vloeit voort uit de systematiek van de wet- en regelgeving, waarbij de hoogte van de toeslag afhankelijk is van het (gezamenlijk) toetsingsinkomen.
De Commissie ziet geen aanwijzingen dat deze bijstelling het gevolg is geweest van institutionele vooringenomenheid. Belanghebbende kan evenmin een beroep doen op de hardheidsregeling, nu de terugvordering minder dan € 1.500 bedraagt.
Deze bezwaargrond treft geen doel.
Toeslagjaar 2014
De Commissie heeft geen aanknopingspunten gevonden om te adviseren dat B/T bij de toekenning, aanpassing of terugvordering van de KOT voor het toeslagjaar 2014 institutioneel vooringenomen heeft gehandeld of dat het stelsel in dit geval te hard heeft uitgewerkt.
De terugvordering van de KOT over het toeslagjaar 2014 was gebaseerd op de vaststelling dat een te hoog voorschot was toegekend. De Commissie stelt vast dat de KOT tweemaal neerwaarts is bijgesteld, te weten als gevolg van een stopzetting per 15 april 2014 en een verhoging van het gezamenlijk toetsingsinkomen van
€ 12.017 naar € 31.160.
Het voorschot is vervolgens op grond van reguliere wijzigingen opnieuw berekend. Deze bijstellingen zijn in overeenstemming met de wettelijke voorschriften uitgevoerd.
Dergelijke bijstellingen geven in beginsel geen aanspraak op een zogenoemde hardheidstegemoetkoming.
De Commissie heeft geen aanknopingspunten gevonden om in het geval van belanghebbende tot een ander oordeel te komen.
Deze bezwaargrond treft geen doel.
Toeslagjaren 2015 tot en met 2018
De Commissie overweegt dat voor toekenning van compensatie aannemelijk moet zijn dat in het betreffende toeslagjaar KOT is aangevraagd, toegekend of teruggevorderd. Indien uit de beschikbare stukken geen aanvraag, beschikking of terugvordering blijkt, ontbreekt een grondslag voor compensatie.
De bewijslast rust op belanghebbende. Het is aan haar om aannemelijk te maken dat na 15 april 2014, de datum waarop de KOT is stopgezet, nog aanvragen zijn ingediend of beschikkingen zijn afgegeven voor de betrokken toeslagjaren. Uit de onderliggende stukken blijkt echter dat na deze datum geen nieuwe aanvragen zijn gedaan en geen beschikkingen zijn afgegeven.
De Commissie stelt vast dat na 15 april 2014 geen aanvragen, toekenningen of terugvorderingen hebben plaatsgevonden, zodat geen recht op compensatie bestaat.
Deze bezwaargrond treft geen doel.
Toeslagjaar 2019
Belanghebbende voert aan dat zij de KOT per 1 januari 2019 niet heeft stopgezet.
De Commissie overweegt dat uit de melding “Burger zet toeslag stop” blijkt dat belanghebbende op 7 januari 2019 via elektronische weg een verzoek heeft ingediend om de KOT met ingang van 1 januari 2019 stop te zetten. De melding is geregistreerd met vermelding van het soort kanaal (elektronisch), het brontype (“Namens burger”), het tijdstip van ontvangst en het specifieke toeslagtype (KOT). Dit duidt erop dat het verzoek op formele en correcte wijze door B/T is ontvangen en verwerkt.
De datum van de wilsuiting, 1 januari 2019, wijst erop dat de stopzetting met terugwerkende kracht is aangevraagd. Dit is in de toeslagenpraktijk gebruikelijk en toelaatbaar, mits tijdig gemeld. Het administratieve registratiesysteem van B/T bevestigt dat de melding is geclassificeerd als “Burger zet toeslag stop”, hetgeen betekent dat de beëindiging van de toeslag op initiatief van belanghebbende zelf of haar gemachtigde heeft plaatsgevonden.
Belanghebbende heeft in het kader van het bezwaar niet aannemelijk gemaakt dat deze melding niet van haar afkomstig is of namens haar is gedaan. Daarmee blijft gelden dat de stopzetting van de KOT het gevolg is geweest van een verifieerbare keuze van belanghebbende.
De Commissie concludeert dat deze stopzetting een reguliere administratieve handeling betreft en niet wijst op institutioneel vooringenomen handelen door B/T. Dergelijke bijstellingen geven in beginsel geen aanspraak op een zogenoemde hardheidstegemoetkoming. De Commissie heeft geen aanknopingspunten gevonden om in het geval van belanghebbende tot een ander oordeel te komen.
Deze bezwaargrond treft, gelet op het voorgaande, geen doel.
Proceskostenvergoeding
Nu de bestreden beschikking naar de mening van de Commissie dient te worden herroepen, adviseert de Commissie tot toewijzing van het verzoek om vergoeding van de kosten van rechtsbijstand in deze bezwaarprocedure. Op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht heeft belanghebbende recht op een forfaitaire vergoeding op basis van een procespunt (indienen van een bezwaarschrift) met een wegingsfactor
- Net als in eerdere zaken adviseert de Commissie daarbij de hoogste vergoeding per procespunt toe te kennen.
Conclusie
Samengevat adviseert de Commissie om:
- het bezwaar gedeeltelijk gegrond te verklaren;
- in de compensatieberekening voor toeslagjaar 2011 de rente en kosten vast te stellen op € 783 en voor de einddatum van de vergoeding voor immateriële schade uit te gaan van de datum waarop de beslissing op bezwaar wordt genomen. De aanvullende vergoeding opnieuw te berekenen.
- het verzoek om een proceskostenvergoeding toe te wijzen.
[handtekening]
Secretaris
[handtekening]
Fungerend voorzitter