BAC 2023-13760
Publicatiedatum 27-01-2026
Advies van de Bezwaarschriftenadviescommissie hersteloperatie toeslagen
Aan: Belastingdienst/Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen (hierna: UHT)
Betreft: het bezwaarschrift van belanghebbende
Primair besluit: 26 april 2023 met kenmerk UHT-DCHA
Hoorzitting: 8 april 2025 om 10:00 uur
Overdracht advies aan UHT: 14 mei 2025
Samenvatting
De Bezwaarschriftenadviescommissie (hierna: de Commissie) adviseert UHT om het bezwaar ongegrond te verklaren en het verzoek om een proceskostenvergoeding af te wijzen.
Onderwerp van advies
Het door gemachtigde namens belanghebbende ingediende bezwaarschrift is gericht tegen de door UHT genomen definitieve beschikking beoordeling kinderopvangtoeslag (hierna: KOT).
In de beschikking van 26 april 2023 met kenmerk UHT-DCHA (hierna: de bestreden beschikking) is aan belanghebbende met toepassing van de Wet hersteloperatie toeslagen (hierna: Wht) geen compensatie toegekend voor de jaren 2009 tot en met 2011.
Procesverloop
- Belanghebbende heeft op 9 augustus 2021 verzocht om een herbeoordeling van de KOT over de jaren 2008 tot en met 2011. In overleg met de persoonlijk zaaks behandelaar is de herbeoordeling aangepast naar de jaren 2009 tot en met 2011.
- UHT heeft bij beschikking van 1 juni 2022 aan belanghebbende medegedeeld dat zij niet in aanmerking komt voor een betaling van € 30.000.
- De Commissie van Wijzen (hierna: CvW) heeft haar beoordeling van het verzoek van belanghebbende op 12 april 2023 aan UHT toegestuurd. De CvW heeft geadviseerd dat gedurende de betrokken jaren geen sprake is geweest van institutionele vooringenomenheid of bijzondere omstandigheden.
- UHT heeft met de bestreden beschikking aan belanghebbende medegedeeld dat zij voor de jaren 2009 tot en met 2011 geen recht heeft op compensatie.
- Gemachtigde heeft bij brief van 23 mei 2023 tegen de bestreden beschikking een bezwaarschrift ingediend.
- UHT heeft op 9 augustus 2024 schriftelijk op het bezwaarschrift gereageerd.
- UHT heeft op 20 maart 2025 aanvullende informatie aan het bezwaardossier toegevoegd (producties 24 tot en met 27).
- Op 8 april 2025 heeft een hoorzitting plaatsgevonden. Van de hoorzitting is een verslag gemaakt, dat achter het advies is gevoegd.
- UHT heeft op 10 april 2025 een aanvullende beschouwing, voorzien van bijlagen, naar de Commissie gestuurd.
- Op 4 en 5 mei 2025 heeft gemachtigde op de beschouwing van UHT gereageerd, onder verwijzing naar diverse bijlagen.
- Dit advies wordt uitgebracht door de voorzitter, eerste commissielid, tweede commissielid.
Ontvankelijkheid en algemene opmerkingen
Niet in geschil is dat het bezwaarschrift ontvankelijk is.
Overwegingen ten aanzien van de bezwaren en het bestreden besluit
De Commissie zal allereerst ingaan op het verzoek van gemachtigde om de onderliggende stukken waarop het bestreden besluit is gebaseerd, en op het zorgvuldigheidsbeginsel.
De Commissie stelt vast dat de gemachtigde met de schriftelijke beschouwing en de op de zaak betrekking hebbende stukken op 20 februari 2025 zijn toegezonden. Op 20 maart 2025 heeft UHT nog een aantal stukken aan de op de zaak betrekking hebbende stukken toegevoegd. Op 8 april 2025 heeft UHT nog een aanvullende beschouwing, voorzien van de producties 28 tot en met 32, naar de Commissie gestuurd. De Commissie heeft geen aanknopingspunten gevonden om aan te nemen dat hier niet is voldaan aan de in artikel 7:4, lid 2, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) neergelegde verplichting om alle op de zaak betrekking hebbende stukken ter inzage te leggen. Deze bezwaargrond treft dan ook geen doel.
Belanghebbende voert aan dat de bestreden beschikking niet deugdelijk en daarmee in strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel tot stand is gekomen.
De Commissie kan UHT volgen in het ingenomen standpunt ten aanzien van de motivering van het besluit en de zorgvuldigheid van het hieraan ten grondslag liggende onderzoek. Door middel van de (aanvullende) beschouwingen en de bijhorende producties is de bestreden beschikking voldoende onderbouwd en op zorgvuldige wijze tot stand gekomen. Deze bezwaargrond treft geen doel.
De Commissie zal naar aanleiding van de bezwaargronden, en hetgeen op de hoorzitting nog naar voren is gebracht, ingaan op de volgende items van het bezwaar:
- Toeslagjaar 2009;
- Toeslagjaren 2010 en 2011;
- Niet herbeoordeelde toeslagjaren;
- Niet naar CWS indien geen gedupeerde.
Toeslagjaar 2009
Belanghebbende stelt over 2009 kinderopvang bij een geregistreerde kinderopvanginstelling te hebben afgenomen. De kinderopvanginstelling is in 2009 failliet gegaan, zodat belanghebbende geen relevante bewijsstukken kan inbrengen. Het ontbreken van deze informatie mag niet ten nadele van belanghebbende uitpakken.
Belanghebbende meent dan ook recht te hebben op een vergoeding. In reactie daarop heeft UHT benadrukt dat belanghebbende op 8 juni 2010 KOT heeft aangevraagd vanaf 1 januari 2009. Het is alleen mogelijk om KOT aan te vragen vanaf 1 april 2010. Over het jaar 2009 heeft belanghebbende geen beschikking gekregen, zodat er geen sprake kan zijn van vooringenomenheid. Belanghebbende staat daarom ook geen beroep open op de hardheidsregeling.
De Commissie is van oordeel dat niet wordt toegekomen aan de vraag of B/T jegens belanghebbende vooringenomen heeft gehandeld. Op 20 maart 2025 heeft UHT informatie naar de Commissie gestuurd waaruit blijkt dat belanghebbende op 8 juni 2010 KOT heeft willen aanvragen vanaf 1 januari 2009. Uit de onderliggende stukken begrijpt de Commissie dat B/T de aanvraag vanwege de beperkt terugwerkende kracht vanaf
1 januari 2010 in behandeling heeft genomen. In artikel 1.3, tweede lid, aanhef en onder b van de Wet kinderopvang is namelijk bepaald dat ouders met terugwerkende kracht van maximaal drie maanden KOT kunnen aanvragen. In de systemen van B/T zijn geen beschikkingen die zien op 2009 terug te vinden. Overigens heeft B/T uit de KOI-viewer geen informatie kunnen traceren waaruit blijkt dat belanghebbende over 2009 geregistreerde kinderopvang heeft afgenomen.
De Commissie meent verder dat belanghebbende geen beroep op de hardheidsregeling kan doen omdat er geen KOT wordt teruggevorderd. Deze bezwaargrond treft geen doel.
Belanghebbende voert aan dat zij over de jaren 2010 en 2011 heeft gewerkt en een inburgeringscursus heeft gevolgd. Over deze jaren heeft zij kinderopvang afgenomen. Het is belanghebbende onduidelijk hoe UHT aan de informatie is gekomen dat zij een bijstandsuitkering van de gemeente Schiedam ontving. In reactie daarop heeft UHT aangevoerd dat belanghebbende over de jaren 2010 en 2011 geen informatie heeft ingebracht waaruit blijkt dat er kinderopvang bij een geregistreerde kinderopvanginstelling is afgenomen. In de KOI-viewer blijkt niet dat belanghebbende over de jaren 2010 en 2011 kinderopvang heeft afgenomen.
Naar aanleiding van de gemaakte afspraken op de hoorzitting van 8 april 2025 heeft UHT op 10 april 2025 in de aanvullende beschouwing samengevat, het volgende naar voren gebracht: belanghebbende ontving vanaf 20 augustus 2008 een bijstandsuitkering van de gemeente Schiedam. Daarbij is verwezen naar informatie uit het Aanslag Belastingen Systeem (hierna: ABS) en Fiscale Loon Gegevens (hierna: FLG) van 2011 van de Belastingdienst. UHT heeft geen informatie waaruit blijkt dat belanghebbende over de jaren 2010 en 2011 heeft gewerkt en/of als doelgroeper is aangemerkt.
Gemachtigde heeft op 4 en 5 mei 2025 op de aanvullende beschouwing van UHT gereageerd en samengevat gesteld dat de KOT zonder tenminste twee keer te rappelleren voor 2010 door B/T op nihil is gesteld. Belanghebbende heeft gebruik gemaakt van kinderopvang bij een geregistreerde kinderopvanginstelling. De kinderopvanginstelling is inmiddels failliet, zodat cruciale informatie niet meer is te verkrijgen. Belanghebbende heeft van deze kinderopvanginstelling geen informatie meer. In 2010 heeft belanghebbende bij een zorginstelling gewerkt en een aantal e-mails meegestuurd waaruit blijkt dat zij heeft gewerkt. Over de periode 29 juli tot en met 5 augustus 2010 kreeg belanghebbende nog toestemming om met vakantie te gaan. B/T heeft dan ook de KOT voor toeslagjaar 2010 ten onrechte stopgezet.
De Commissie merkt op dat het ontbreken van uitvraagbrieven in de systemen van B/T onder omstandigheden een aanwijzing voor vooringenomenheid kan opleveren. In dit geval volgt dat voorafgaand aan de nihilstelling van de KOT voor de jaren 2010 en 2011 belanghebbende niet schriftelijk in de gelegenheid is gesteld om informatie aan te leveren. UHT heeft dat in de bestreden beschikking aangemerkt als vooringenomen handelen door B/T en in deze bezwaarprocedure staat dat niet meer ter discussie. De Commissie gaat dan ook verder uit van vooringenomen handelen door B/T voor zowel 2010 als 2011.
Ingevolge artikel 2.1, lid 1, van de Wht komt voor een compensatie in aanmerking de ouder van wie aannemelijk is dat de vaststelling van zijn aanspraak op KOT in enig jaar onderdeel is geweest van bijzondere hardheid of van een institutioneel vooringenomen handelwijze van de B/T. Toekenning van compensatie blijft, ingevolge artikel 2.1, lid 2, van de Wht, achterwege als sprake is van ernstige onregelmatigheden die aan de ouder toerekenbaar zijn. Dit laatste is onder meer het geval in situaties waarin een belanghebbende evident geen recht had op KOT. De Commissie stelt met UHT vast dat daarvan sprake is geweest over de jaren 2010 en 2011, nu belanghebbende over deze jaren geen gebruik heeft gemaakt van geregistreerde kinderopvang. Belanghebbende heeft slechts gesteld dat gebruik is gemaakt van geregistreerde kinderopvang zonder deze stelling verder te onderbouwen met schriftelijke documenten. In aansluiting daarop meent de Commissie dat op de twee stopbrieven van respectievelijk 26 oktober 2011 en 25 januari 2013, waarin is opgenomen dat ondanks herhaalde verzoeken om informatie over de daadwerkelijk gemaakte opvangkosten in 2010 en 2011, geen reactie is ontvangen. Vervolgens zijn de vier nihilbeschikkingen van respectievelijk 16 februari 2012, 25 februari 2012, 16 mei 2013 en 4 juni 2013 naar belanghebbende gestuurd. Het is de Commissie niet gebleken dat belanghebbende tegen deze definitieve beschikkingen, waarvan de ontvangst niet wordt betwist, bezwaar heeft willen maken. Belanghebbende had in bezwaar informatie over de opvang kunnen verstrekken zoals: de jaaropgaven, opvangcontracten en facturen van de kinderopvanginstelling.
De Commissie kan UHT dan ook volgen in het standpunt dat belanghebbende over de jaren 2010 en 2011 geen gekwalificeerde kinderopvang heeft afgenomen. Bovendien wordt het standpunt van UHT ondersteund doordat uit de informatie van de KOI-viewer niet is gebleken van geregistreerde kinderopvang.
Bij de persoonlijk zaaksbehandelaar heeft belanghebbende aangegeven (zie ouderverhaal onder het kopje “aanvulling ouder per email op 30 januari 2023”) dat KOT is aangevraagd voor genoten kinderopvang te Capelle aan de IJssel, welke na een tijdje failliet is gegaan. De Commissie heeft op internet kunnen vaststellen dat kinderopvanginstelling bestaat uit een aantal kindcentra die diverse locaties heeft in de regio Rotterdam. Dat deze kinderopvanginstelling failliet is verklaard heeft de Commissie niet kunnen vaststellen. Op het aanvraagformulier KOT van 8 juni 2010 geeft belanghebbende aan dat gebruik is gemaakt van kinderopvanginstelling [naam] te Vlaardingen vanaf 1 januari 2009, en niet van de kinderopvanginstelling. De Commissie heeft van deze kinderopvanginstelling geen LRK-registratie kunnen vinden.
Op grond van artikel 1.6, eerste lid, aanhef en onder a en i, onderdelen 1, 2 of 3, van de Wet op de kinderopvang (hierna: Wko) heeft een ouder voor een berekeningsjaar aanspraak op KOT, indien de ouder tegenwoordige arbeid verricht, in de zin van de Wet inkomstenbelasting 2001, of recht heeft op een uitkering en gebruik maakt van een in één van de genoemde onderdelen bedoelde voorziening gericht op arbeidsinschakeling (re-integratietraject). In artikel 3.1 van de Wet op de inkomstenbelasting 2001 is verder opgenomen dat het hierbij gaat om belastbaar inkomen uit werk en woning. Met belastbaar inkomen wordt daarbij mede verstaan belastbare winst uit onderneming oftewel werkzaamheden als zelfstandige.
Uit de onderliggende stukken en ingebrachte stukken van 10 april 2025 maakt de Commissie op dat belanghebbende vanaf 20 augustus 2008 recht heeft gehad op een bijstandsuitkering van de Gemeente Schiedam. Belanghebbende heeft in toeslagjaar 2011 geen belastbaar inkomen uit werk gehad. De ingebrachte e-mails wekken sterk de suggestie dat belanghebbende in toeslagjaar 2010 bij een zorginstelling heeft gewerkt. Daar komt bij dat belanghebbende over de periode 29 juli tot en met 5 augustus 2010 toestemming heeft gekregen om met vakantie te gaan. De Commissie meent dat belanghebbende geen doorslaggevende informatie heeft ingebracht waaruit blijkt dat op grond van een arbeidsovereenkomst werkzaamheden voor deze zorginstelling zijn verricht. De Commissie laat hierbij verder in het midden of belanghebbende aannemelijk heeft gemaakt of zij in 2010 naast een bijstandsuitkering c.q. een WWB-uitkering inkomsten uit werkzaamheden heeft ontvangen. Immers, belanghebbende heeft over 2010 geen geregistreerde kinderopvang afgenomen.
De Commissie maakt verder uit het ouderverhaal op dat belanghebbende over de jaren 2010 en 2011 niet heeft deelgenomen aan een re-integratietraject gericht op arbeidsinschakeling (zogenaamde doelgroeper). In een dergelijke situatie zou belanghebbende aangewezen zijn op kinderopvang en recht hebben op KOT. Ook heeft belanghebbende recht op KOT indien zij verplicht heeft deelgenomen aan een inburgeringscursus. De Commissie merkt op dat belanghebbende bij de persoonlijk zaaksbehandelaar naar voren heeft gebracht dat zij heeft gewerkt bij de zorginstelling als verzorgende in een ouderencomplex. Belanghebbende heeft toen niet gesproken over een bijstandsuitkering van de gemeente Schiedam. De Commissie stelt vast dat belanghebbende slechts heeft gesteld dat zij een inburgeringscursus volgde. Deze stelling heeft zij niet met nadere stukken aannemelijk gemaakt.
Volgens beleid van UHT kan in uitzonderlijke situaties sprake zijn van hardheid. Niet, althans onvoldoende, is gebleken dat belanghebbende in zodanige, voor de toepassing van dit beleid relevante, uitzonderlijke omstandigheden heeft verkeerd. Belanghebbende komt voor de jaren 2010 en 2011 dus niet in aanmerking voor compensatie op grond van de Wht. De Commissie adviseert UHT daarom om dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.
Niet naar CWS indien geen gedupeerde
Voor een aanvullende compensatie voor de werkelijke schade komt in aanmerking de ouder van wie aannemelijk is dat de vaststelling van haar aanspraak op KOT in enig jaar onderdeel is geweest van bijzondere hardheid of van een institutioneel vooringenomen handelwijze van de B/T, de ouder die ten onrechte een kwalificatie opzet/grove schuld heeft gekregen en daardoor een persoonlijke betalingsregeling of buitengerechtelijke schuldregeling is geweigerd, of de ouder waaraan ten onrechte een persoonlijke betalingsregeling of buitengerechtelijke schuldregeling is geweigerd en die ingevolge artikel 9.1 Wht een O/GS-tegemoetkoming toekomt. Nu de Commissie van mening is dat UHT terecht en op goede gronden is gekomen tot het besluit om het verzoek om compensatie van belanghebbende af te wijzen, komt belanghebbende ook niet in aanmerking voor een aanvullende compensatie voor de werkelijke schade.
Nu de Commissie niet adviseert de bestreden beschikking te herroepen, is er geen aanleiding een vergoeding van de proceskosten toe te kennen
Conclusie
Samengevat adviseert de Commissie om het bezwaar ongegrond te verklaren en het verzoek om een proceskostenvergoeding af te wijzen.
Secretaris
Fungerend voorzitter