Ga direct naar de inhoud Ga direct naar de filters Ga direct naar de footer

BAC 2023-13746

Advies van de Bezwaarschriftenadviescommissie hersteloperatie toeslagen

Aan: Belastingdienst/Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen (hierna: UHT)

Betreft: het bezwaarschrift van belanghebbende

Primaire besluiten: 16 mei 2023 (UHT-DCH, UHT-O OGS B)

Hoorzitting: 8 mei 2025

Overdracht advies aan UHT: 31 juli 2025

Samenvatting

De Bezwaarschriftenadviescommissie (hierna: de Commissie) adviseert UHT om de bezwaren ongegrond te verklaren, de bestreden besluiten in stand te laten en het verzoek tot toekenning van een vergoeding voor de kosten van rechtsbijstand, af te wijzen.

Onderwerp van advies

De door gemachtigde namens belanghebbende ingediende bezwaarschriften zijn gericht tegen de door UHT genomen definitieve beschikkingen compensatie kinderopvangtoeslag.

Aan belanghebbende is met toepassing van de Wet hersteloperatie toeslagen (hierna: Wht) € 20.758 compensatie toegekend voor de toeslagjaren 2011 en 2019 alsmede een tegemoetkoming opzet/grove schuld van € 930 voor het toeslagjaar 2015.

Procesverloop

  • Belanghebbende heeft op 28 april 2021 verzocht om herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag (hierna: KOT) over de jaren 2010 tot en met 2015. In overleg met belanghebbende zijn ook de jaren 2017, 2018 en 2019 herbeoordeeld.
  • UHT heeft bij beschikking van 3 juli 2021 aan belanghebbende medegedeeld dat zij in aanmerking komt voor betaling van € 30.000 op grond van de Catshuisregeling.
  • De Commissie van Wijzen (hierna: CvW) heeft haar beoordeling van het verzoek van belanghebbende op 21 februari 2023 aan UHT toegestuurd. CvW heeft geadviseerd dat met betrekking tot de jaren 2010, 2012 t/m 2015, 2017 en 2018 geen sprake is geweest van institutionele vooringenomenheid of bijzondere omstandigheden.
  • UHT heeft bij de bestreden beschikking met kenmerk UHT-DCH aan belanghebbende medegedeeld dat zij recht heeft op een compensatie van €20.758 voor de jaren 2011 en 2019 en geen recht heeft op compensatie over de jaren 2010, 2012,2013, 2014, 2017 en 2018, UHT heeft bij bestreden beschikking met kenmerk UHT-O OGS B aan belanghebbende medegedeeld dat zij recht heeft op een tegemoetkoming opzet/grove schuld (hierna: O/GS) van €930 voor het jaar 2015. Omdat belanghebbende al een bedrag van € 30.000 had ontvangen, heeft geen nabetaling plaatsgevonden.
  • Gemachtigde heeft op 30 mei 2023 tegen de beschikkingen met kenmerk UHT DCH en UHT-O OGS B afzonderlijke bezwaarschriften ingediend.
  • UHT heeft op 18 oktober 2024 schriftelijk gereageerd op de bezwaren.
  • Op 8 mei 2025 heeft een hoorzitting plaatsgevonden. Van de hoorzitting is een verslag gemaakt, dat achter het advies is gevoegd.
  • UHT heeft, daartoe door de Commissie ter zitting verzocht, op 9 mei 2025 - ingekomen op 25 mei 2025 - een nadere schriftelijke reactie ingediend.
  • Gemachtigde heeft daar op 27 mei 2025 op gereageerd.
  • Dit advies wordt uitgebracht door de voorzitter, eerste commissielid, tweede commissielid.

Ontvankelijkheid en algemene opmerkingen

Niet in geschil is dat de bezwaren ontvankelijk zijn.

Overwegingen ten aanzien van de bezwaren en het bestreden besluit

De Commissie ziet zich gesteld voor de vraag of UHT terecht en op goede gronden is gekomen tot haar beslissing om het verzoek van belanghebbende om compensatie of tegemoetkoming af te wijzen.

Berekening bedrag aan definitieve compensatie

Belanghebbende stelt dat de compensatie over het jaar 2011 foutief is berekend en te laag is vastgesteld en dat zij ook over de jaren waarover geen compensatie is toegekend recht heeft op compensatie. Daaromtrent wordt het volgende overwogen.

De Commissie heeft ter zitting opgemerkt dat in de definitieve beschikking van 16 mei 2023 met kenmerk UHT-DCH een lager bedrag aan rentevergoeding over gemiste Kinderopvangtoeslag is opgenomen dan in de vooraankondiging van 21 maart 2023 met kenmerk UHT-VCH. UHT stelt zich op het standpunt dat het voorlopig berekende bedrag mag worden aangepast in de definitieve berekening. Gemachtigde stelt dat belanghebbende erop mocht vertrouwen dat de informatie en bedragen in de vooraankondiging juist zijn en beroept zich op het vertrouwensbeginsel.

De Commissie overweegt dat een bedrag in de vooraankondiging een indicatief karakter heeft en dat dit kan worden aangepast in de definitieve beschikking. Van bijzondere omstandigheden op grond waarvan belanghebbende erop mocht vertrouwen dat het voorlopig berekende bedrag niet neerwaarts zou worden aangepast, is naar het oordeel van de Commissie niet gebleken. De Commissie adviseert het bezwaar op dit onderdeel ongegrond te verklaren.

Toeslagjaar 2011

Belanghebbende stelt dat het bedrag onder component a van de compensatieberekening over het toeslagjaar 2011 verkeerd is. Volgens belanghebbende dient uit te worden gegaan van een bedrag van € 6.294 dan wel van € 4.403. De Commissie overweegt als volgt. De bedragen van € 6.294 en €4.403 berusten op reguliere wijzigingen naar aanleiding van door belanghebbende zelf doorgegeven gegevens, die na de hierna te noemen op nihil-stelling hebben plaatsgevonden. De vooringenomen handeling over het toeslagjaar 2011 is gelegen in het op nihil stellen van de KOT bij beschikking van 3 september 2011. Het bedrag aan toegekende KOT voorafgaand aan deze op-nihilstelling bedroeg € 3.401. Het bedrag onder component a is ten aanzien van het toeslagjaar 2011 daarom correct. De Commissie adviseert het bezwaar op dit onderdeel ongegrond te verklaren.

Toeslagjaar 2012

Belanghebbende betoogt dat zij over het toeslagjaar 2012 geen wijzigingen heeft doorgegeven. Volgens belanghebbende heeft zij over dit toeslagjaar vanaf februari kinderopvang afgenomen. UHT stelt dat B/T destijds een fout heeft gemaakt in de vaststelling van de KOT over het toeslagjaar 2012. De door belanghebbende doorgegeven wijziging van 20 november 2013 is volgens UHT ten onrechte door B/T uitsluitend aangemerkt als een stopzetting per 1 februari 2012 en niet tevens als een voortzetting per 1 februari 2012. De Commissie overweegt als volgt. Uit de voorhanden zijnde gegevens blijkt dat administratieve fouten van B/T ten grondslag liggen aan de verlaging van de KOT over het toeslagjaar 2012 naar een bedrag van € 659.

Belanghebbende heeft vervolgens bezwaar gemaakt tegen de desbetreffende beschikking, waarop B/T het definitieve bedrag aan KOT heeft aangepast naar €7.966. B/T heeft de door haar gemaakte administratieve vergissing hersteld nadat zij door belanghebbende op de fout was gewezen. De Commissie acht het niet aannemelijk dat sprake is geweest van vooringenomen handelen aan de zijde van B/T. De Commissie acht het bezwaar op dit onderdeel ongegrond.

Toeslagjaar 2013

Belanghebbende stelt dat zij over het toeslagjaar 2013 een bedrag van € 4.430 heeft moeten terugbetalen en dat hiervoor geen betalingsregeling kon worden getroffen.

Hiermee is volgens belanghebbende sprake van vooringenomen handelen. Om die reden meent belanghebbende dat zij over dit toeslagjaar in aanmerking komt voor compensatie. UHT stelt zich op het standpunt dat sprake is geweest van reguliere wijzigingen die tot een neerwaartse correctie van de KOT hebben geleid en dat daarom geen sprake is van vooringenomen handelen. Voorts stelt UHT dat de reden dat in het geval van belanghebbende geen sprake is van een toegekende betalingsregeling, is gelegen in het feit dat B/T voor de inning van het teruggevorderde bedrag van € 4.430 gebruik maakte van haar verrekeningsbevoegdheid. In aanvulling daarop vermeldt UHT in haar aanvullende beschouwing d.d. 28 oktober 2024 dat niet is gebleken dat belanghebbende een aanvraag heeft gedaan voor een persoonlijke betalingsregeling voor de terugbetaling van de KOT over het toeslagjaar 2013.

De Commissie overweegt dat niet aannemelijk is geworden dat bij de toekenning, aanpassing of terugvordering van de KOT over het toeslagjaar 2013 sprake is geweest van institutioneel vooringenomen handelen door de B/T dan wel hardheid van het stelsel. De terugvordering KOT over het toeslagjaar 2013 was gelegen in een te hoog voorschot, dat op basis van reguliere wijzigingen opnieuw is berekend. Deze bijstellingen zijn conform de wet uitgevoerd. Dergelijke bijstellingen geven in beginsel ook geen aanspraak op een zogenoemde hardheidstegemoetkoming. De Commissie heeft geen aanknopingspunten gevonden om hier ten aanzien van belanghebbende anders over te oordelen. Verder is geen sprake geweest van een onterechte kwalificatie O/GS, zodat ook hierop geen aanspraak kan worden gemaakt. De Commissie adviseert UHT daarom om dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.

Toeslagjaar 2015

Belanghebbende stelt dat over het toeslagjaar 2015 sprake is geweest van vooringenomen handelen. Zij heeft tot twee keer toe jaaropgaven moeten overleggen en B/T heeft fouten gemaakt. Belanghebbende heeft een aantal malen aan B/T doorgegeven dat haar gegevens verkeerd waren ingevoerd en dat hieraan door B/T geen gehoor werd gegeven. Uit het dossier blijkt dat er over 2015 een neerwaartse correctie heeft plaatsgevonden (van € 7.438 naar € 708) bij beschikking van 20 juni 2015.

Vermeld wordt dat die verlaging het gevolg is van het feit dat alleen over de periode 1 januari 2015 – 4 februari 2015 KOT is toegekend. In het dossier bevindt zich ook een XML-bestand (bladzijde 355), waaruit blijkt dat belanghebbende op 20 mei 2015 de KOT met ingang van 5 februari 2015 heeft stopgezet.

De Commissie onderschrijft daarom het standpunt van UHT dat de verlaging van de KOT over 2015 een reguliere wijziging betrof die berustte op een mededeling van belanghebbende van 20 mei 2015. De Commissie ziet voorts geen aanknopingspunten die maken dat belanghebbende over het toeslagjaar 2015 aanspraak heeft op compensatie op grond van hardheid. Het bezwaar is op dit onderdeel ongegrond.

Hier zij opgemerkt dat belanghebbende over het toeslagjaar 2015 wel aanspraak heeft op een tegemoetkoming voor een onterechte kwalificatie O/GS. De tegemoetkoming voor een onterechte kwalificatie O/GS betreft op grond van de Wht 30% van het teruggevorderde bedrag. Belanghebbende heeft dus recht op €3.100 x 30% = € 930.

UHT heeft de tegemoetkoming O/GS correct berekend.

Overige herbeoordeelde toeslagjaren (toeslagjaren 2010, 2014, 2017 en 2018) Belanghebbende betoogt, zonder nadere onderbouwing, dat zij ten aanzien van de toeslagjaren 2010, 2014, 2017 en 2018 in aanmerking komt voor een bedrag aan compensatie. De Commissie overweegt dat niet aannemelijk is geworden dat bij de toekenning, aanpassing of terugvordering van de KOT voor de toeslagjaren 2010, 2014, 2017 en 2018 sprake is geweest van institutioneel vooringenomen handelen door de B/T dan wel hardheid van het stelsel. De terugvorderingen in KOT over de voornoemde toeslagjaren waren gelegen in een te hoog voorschot, dat op basis van reguliere wijzigingen en in verband met door belanghebbende zelf doorgegeven gegevens opnieuw is berekend. Deze bijstellingen zijn conform de wet uitgevoerd. Dergelijke bijstellingen geven in beginsel ook geen aanspraak op een zogenoemde hardheidstegemoetkoming.

De Commissie heeft geen aanknopingspunten gevonden om hier ten aanzien van belanghebbende anders over te oordelen. Verder is er ook geen sprake geweest van een onterechte kwalificatie O/GS, zodat ook hierop geen aanspraak kan worden gemaakt. De Commissie adviseert UHT daarom om dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.

Kosten rechtsbijstand

Nu de bezwaren naar het oordeel van de Commissie ongegrond zijn en de bestreden beschikkingen niet behoeven de worden herroepen, adviseert de Commissie het verzoek een vergoeding voor de kosten van rechtsbijstand toe te kennen, af te wijzen.

Conclusie

Samengevat adviseert de Commissie om de bezwaren ongegrond te verklaren, de bestreden besluiten in stand te laten en het verzoek tot toekenning van een vergoeding voor de kosten van rechtsbijstand, af te wijzen.

Secretaris

Fungerend voorzitter