Ga direct naar de inhoud Ga direct naar de filters Ga direct naar de footer

BAC 2023-13739

Advies van de Bezwaarschriftenadviescommissie hersteloperatie toeslagen

Aan: Belastingdienst/Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen (hierna: UHT)

Betreft: het bezwaarschrift van belanghebbende

Primair besluit: 7 juni 2023 (UHT-DCHA)

Hoorzitting: 4 juni 2025

Overdracht advies aan UHT: 1 juli 2025

Samenvatting

De Bezwaarschriftenadviescommissie (hierna: de Commissie) adviseert UHT om het bezwaar ongegrond te verklaren.

Onderwerp van advies

Het door gemachtigde namens belanghebbende ingediende bezwaarschrift is gericht tegen de door UHT genomen definitieve beschikking compensatie kinderopvangtoeslag.

Aan belanghebbende is met toepassing van de Wet hersteloperatie toeslagen (hierna: Wht) geen compensatie toegekend voor de jaren 2010 tot en met 2019.

Procesverloop

  • Belanghebbende heeft op 12 januari 2021 verzocht om een herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag (hierna: KOT) over de jaren 2012 tot en met 2015. In overleg met belanghebbende heeft UHT de jaren 2010 tot en met 2019 herbeoordeeld.
  • UHT heeft bij beschikking van 16 december 2022 met kenmerk UHT-CHR GU aan belanghebbende meegedeeld dat hij niet in aanmerking komt voor een betaling van € 30.000,- ingevolge de Catshuisregeling. Bij beschikking van 25 april 2024 met kenmerk UHT-BOB is het bezwaar van belanghebbende hiertegen niet-ontvankelijk verklaard.
  • De Commissie van Wijzen (hierna: CvW) heeft haar beoordeling van het verzoek van belanghebbende om herbeoordeling op 24 mei 2023 aan UHT toegestuurd. De CvW heeft geadviseerd dat de compensatieregeling van artikel 2.1, eerste lid, Wht niet van toepassing is gedurende de betrokken jaren.
  • UHT heeft bij bestreden beschikking aan belanghebbende meegedeeld dat hij geen recht heeft op compensatie voor de jaren 2010 tot en met 2019.
  • Gemachtigde heeft bij brief van 17 juli 2023, ingekomen op dezelfde dag, tegen deze beschikking een bezwaarschrift ingediend.
  • UHT heeft op 13 februari 2025 schriftelijk gereageerd op het bezwaarschrift.
  • De Commissie heeft op 11 en 24 april 2025 gemachtigde verzocht om nadere gronden aan te voeren.
  • Gemachtigde heeft op 15 mei 2025 hierop gereageerd.
  • De Commissie heeft dit bericht op 19 mei 2025 doorgestuurd aan UHT met het verzoek om een reactie daarop. Dit verzoek is op 26 mei 2025 herhaald.
  • UHT heeft bij aanvullende beschouwing van 27 mei 2025 gereageerd.
  • Gemachtigde heeft op 3 juni 2025 nadere stukken toegestuurd.
  • Op 4 juni 2025 heeft een hoorzitting plaatsgevonden. Van de hoorzitting is een verslag gemaakt, dat achter dit advies is gevoegd.
  • Gemachtigde heeft, daartoe door de Commissie ter zitting in de gelegenheid gesteld, op 10 juni 2025 nadere stukken ingediend. UHT heeft daarop op 16 juni 2025 gereageerd.
  • Dit advies wordt uitgebracht door de voorzitter, eerste commissielid, tweede commissielid.

Ontvankelijkheid en algemene opmerkingen

Niet in geschil is dat het bezwaarschrift ontvankelijk is.

Overwegingen ten aanzien van de bezwaren en het bestreden besluit

De Commissie ziet zich gesteld voor de vraag of UHT terecht en op goede gronden is gekomen tot haar beslissing om het verzoek van belanghebbende om compensatie of tegemoetkoming af te wijzen.

Persoonlijk dossier

Belanghebbende stelt dat UHT handelt in strijd met het beginsel van equality of arms. In zijn ogen wordt hij in zijn procesbelang geschaad, omdat hij niet de beschikking krijgt over zijn persoonlijk dossier en een volledig bezwaardossier en daardoor niet over de voor het voeren van bezwaar benodigde documenten beschikt.

De Commissie volgt dit standpunt van belanghebbende niet. De schriftelijke beschouwing en de onderliggende stukken zijn toegezonden, waaronder het Informatie- en beoordelingsformulier, inclusief de tijdlijn.

De Commissie vindt dat met het toezenden van deze stukken is voldaan aan de in artikel 7:4 lid 2 Algemene wet bestuursrecht neergelegde verplichting om alle op de zaak betrekking hebbende stukken ter inzage te leggen. Dat kan anders zijn als de belanghebbende een duidelijk aanknopingspunt geeft waarom het persoonlijk dossier moet worden afgewacht. Dat is hier niet gebeurd. De enkele opmerking dat bij onbekendheid van de stukken in dat dossier het mogelijk is dat er nog relevante informatie ontbreekt, is niet voldoende. Nu de op de zaak betrekking hebbende stukken zijn toegezonden is van een motiveringsgebrek zoals belanghebbende betoogt naar de Commissie meent voorts geen sprake. De Commissie adviseert UHT daarom om dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.

Geen KOT aangevraagd

Belanghebbende betoogt dat zijn verzoek om compensatie ten onrechte is afgewezen omdat sprake is geweest van vooringenomen handelen door de Belastingdienst/Toeslagen (B/T) in de jaren 2010 tot en met 2019. Hij betwist dat hij geen aanvraag KOT zou hebben ingediend.

Ingevolge artikel 2.1, lid 1, Wht wordt alleen compensatie toegekend aan een aanvrager van KOT. De Commissie constateert dat uit alle beschikbare informatie, waaronder de systemen van B/T (TVS en DAS, productie 2700003, 2700004 en 2700005 en SAS, productie 0900001) niet blijkt dat belanghebbende KOT heeft aangevraagd bij B/T; er zijn geen aanvragen gevonden, geen (telefoon)notities of andere KOT-gerelateerde documenten. Belanghebbende heeft daartegenover met de enkele mededeling dat hij wel KOT aanvragen heeft ingediend, onvoldoende gesteld. De Commissie wijst in dit kader op de uitspraak van rechtbank Rotterdam van 25 september 2024, ECLI:NL:RBROT:2024:9426. Hieruit volgt dat de bewijslast voor het recht op compensatie bij de aanvrager van de compensatie ligt. Als aannemelijk is dat de aanvrager recht heeft op compensatie, wordt deze toegekend. Belanghebbende moet dus meer doen dan alleen zeggen dat hij KOT aanvragen heeft ingediend. Aannemelijk maken betekent dat belanghebbende aan de hand van verklaringen en stukken duidelijk moet maken dat zijn stellingen juist zijn. Dit betekent niet dat van belanghebbende wordt gevergd al de ingenomen stellingen te bewijzen met objectief verifieerbare bewijsstukken, maar wel dat de stellingen van belanghebbende worden ondersteund door of passen bij de overige beschikbare informatie. Naar de Commissie meent, heeft belanghebbende daartoe onvoldoende aangevoerd en daarom niet aannemelijk gemaakt dat hij KOT aanvragen heeft ingediend.

Op de hoorzitting heeft gemachtigde gewezen op het Heidi-systeem. Volgens hem is voor herstel van vertrouwen noodzakelijk dat belanghebbende inzage krijgt in alle documenten en systemen, waaronder het Heidi-systeem. Uit dit systeem zou mogelijk kunnen blijken dat belanghebbende wel KOT aanvragen heeft ingediend, maar dat deze onmiddellijk zijn uitgeworpen, wellicht naar een CAF-team. De KOT aanvragen staan daarom niet in de systemen van B/T. Aanvullend heeft gemachtigde betoogd dat de registratie door het Heidi-systeem van de stappen bij een digitale aanvraag onder de ‘op de zaak betrekking hebbende stukken’ valt omdat op grond hiervan kan worden beoordeeld of een aanvraag is ingediend.

De Commissie stelt vast dat niet in geschil is dat UHT niet beschikt over het Heidi-systeem en daarin geen inzage heeft. Daarmee valt dit naar de Commissie meent buiten deze bezwaarprocedure. Om inzage te krijgen in het Heidi-systeem staat voor belanghebbende een verzoek op grond van de Algemene verordening gegevensbescherming (AVG) open.

Ter ondersteuning van zijn stelling dat hij KOT aanvragen heeft ingediend, heeft belanghebbende op de hoorzitting gewezen op een brief van UHT die hij zou hebben ontvangen al voor zijn verzoek om herbeoordeling; hij zou dus bij B/T bekend zijn geweest in verband met KOT.

Bij brief van 10 juni 2025 heeft gemachtigde 2 brieven toegestuurd. Belanghebbende is nog op zoek naar de eerste brief, waarin hij werd aangemerkt als mogelijk gedupeerde. Belanghebbende kan zich niet voorstellen dat hij als mogelijk gedupeerde kon worden aangemerkt zonder dat ook maar ergens in de systemen een KOT-aanvraag bekend was. Ten aanzien van de door belanghebbende overgelegde brieven stelt de Commissie vast dat deze dateren van 15 december 2020 en 16 december 2022. De brieven zien op de eenmalige tegemoetkoming van € 750,- voor belanghebbende. De brief van 15 december 2020 dateert van vóór het verzoek om herbeoordeling van 12 januari 2021.

Hierin staat:

“Volgens onze gegevens hebt u zich nog niet bij ons gemeld. Toch krijgt u €750. Dat komt omdat u eerder een brief van ons hebt gekregen. Daarin stond dat wij contact met u zouden opnemen over de behandeling van uw dossier. U mocht er daarom vanuit gaan dat een aparte melding niet nodig was. Ook in uw geval is er vertraging in de behandeling. Dat vinden wij erg vervelend. Daarom heeft u ook recht op de tegemoetkoming.”

De Commissie overweegt dat de eenmalige betaling van € 750,- losstaat van mogelijke gedupeerdheid.

Op de vraag waarom de brief van 15 december 2020 al voor het verzoek om herbeoordeling aan belanghebbende is toegestuurd, waarom hij in verband is gebracht met de kinderopvangtoeslagaffaire, leest de Commissie in de aanvullende beschouwing van 16 juni 2025 geen antwoord. De Commissie adviseert UHT hierover in de beschikking op bezwaar alsnog duidelijkheid te verschaffen.

De onduidelijkheid op dit punt doet er echter niet aan af dat niet is komen vast te staan dat over de toeslagjaren 2010 tot en met 2019 KOT is aangevraagd of dat van een neerwaartse correctie sprake is geweest. Daarom komt belanghebbende over deze jaren niet in aanmerking voor compensatie op grond van een herstelmaatregel. De Commissie adviseert UHT daarom om het bezwaar van belanghebbende ongegrond te verklaren.

Hardheid van het stelsel

Bij gebrek aan wetenschap betwist belanghebbende dat B/T over 2010 tot en met 2010 rekening heeft gehouden met zijn beslagvrije voet, terwijl de gegevens hiervoor wel bij B/T voorhanden waren.

De Commissie stelt vast dat er geen terugvorderingen van de KOT hebben plaatsgevonden, zodat reeds daarom deze bezwaargrond niet kan slagen.

Gevolgschade

Belanghebbende stelt (gevolg)schade te hebben geleden door het handelen van B/T. De Commissie merkt hierover op dat voor een aanvullende compensatie voor de werkelijke schade in aanmerking komt de ouder van wie aannemelijk is dat de vaststelling van zijn aanspraak op KOT in enig jaar onderdeel is geweest van bijzondere hardheid of van een institutioneel vooringenomen handelwijze van B/T, de ouder die ten onrechte een kwalificatie opzet/grove schuld heeft gekregen en daardoor een persoonlijke betalingsregeling of buitengerechtelijke schuldregeling is geweigerd of de ouder waaraan ten onrechte een persoonlijke betalingsregeling of buitengerechtelijke schuldregeling is geweigerd en die ingevolge artikel 9.1 Wht een O/GS-tegemoetkoming toekomt. Nu de Commissie van mening is dat UHT terecht en op goede gronden is gekomen tot het besluit om het verzoek om compensatie van belanghebbende af te wijzen, komt belanghebbende ook niet in aanmerking voor aanvullende compensatie.

Proceskostenvergoeding

Nu de Commissie niet adviseert het primaire besluit te herroepen, is er geen aanleiding een vergoeding van de proceskosten toe te kennen.

Conclusie

Samengevat adviseert de Commissie om het bezwaar ongegrond te verklaren.

Secretaris

Fungerend voorzitter