Ga direct naar de inhoud Ga direct naar de filters Ga direct naar de footer

BAC 2023-13726

Advies van de Bezwaarschriftenadviescommissie hersteloperatie toeslagen

Aan: Belastingdienst/Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen (hierna: UHT)

Betreft: het bezwaarschrift van belanghebbende

Primair besluit: 21 augustus 2024 (UHT-DCHA)

Hoorzitting: 3 februari 2025 om 13:15 uur

Overdracht advies aan UHT: 31 juli 2025

Samenvatting

De Bezwaarschriftenadviescommissie (hierna: de Commissie) adviseert UHT om het bezwaar gedeeltelijk gegrond te verklaren, voor het toeslagjaar 2009 een tegemoetkoming conform artikel 2.6 Wht toe te kennen en om een proceskostenvergoeding toe te kennen.

Onderwerp van advies

De door gemachtigde ingediende bezwaarschriften zijn gericht tegen de door UHT genomen definitieve beschikking compensatie kinderopvangtoeslag.

Aan belanghebbende is met toepassing van de Wet hersteloperatie toeslagen (hierna: Wht) geen compensatie toegekend voor de jaren 2005 tot en met 2012.

Procesverloop

  • Belanghebbende heeft op 6 januari 2021 verzocht om een herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag (hierna: KOT) over de jaren 2005 tot en met 2012.
  • UHT heeft bij beschikking van 26 mei 2022 en bij de herziene beschikking van 2 september 2022 aan belanghebbende meegedeeld dat zij niet in aanmerking komt voor een betaling van € 30.000,-.
  • De Commissie van Wijzen (hierna: CvW) heeft haar beoordeling van het verzoek van belanghebbende dat betrekking had op de jaren 2006 tot en met 2012, op 6 juni 2023 aan UHT toegestuurd. De CvW heeft in haar advies vermeld dat gedurende de jaren 2006 tot en met 2012 geen sprake is geweest van institutionele vooringenomenheid of bijzondere omstandigheden.
  • UHT heeft bij de beschikking van 22 juni 2023, met kenmerk UHT-DCHA, aan belanghebbende meegedeeld dat zij geen recht heeft op compensatie voor de jaren 2006 tot en met 2012.
  • Gemachtigde heeft bij brief van 10 juli 2023 tegen deze beschikking een bezwaarschrift ingediend.
  • De CvW heeft haar beoordeling van het verzoek van belanghebbende dat betrekking heeft op het jaar 2005, op 7 september 2023 aan UHT toegestuurd. De CvW heeft ook in dit advies vermeld dat gedurende het jaar 2005 geen sprake is geweest van institutionele vooringenomenheid of bijzondere omstandigheden.
  • UHT heeft bij de nieuwe beschikking van 21 augustus 2024, met kenmerk UHT-DCHOA, aan belanghebbende meegedeeld dat zij geen recht heeft op compensatie voor de jaren 2005 tot en met 2012.
  • Gemachtigde heeft bij brief van 20 augustus 2024 ook tegen deze beschikking een bezwaarschrift ingediend.
  • UHT heeft op 23 oktober 2024 schriftelijk gereageerd op de bezwaarschriften.
  • Op 3 februari 2025 heeft een hoorzitting plaatsgevonden. Van de hoorzitting is een verslag gemaakt, dat achter het advies is gevoegd.
  • UHT heeft, daartoe door de Commissie ter zitting verzocht, op 27 maart 2025 een nadere schriftelijke reactie ingediend gedateerd 12 maart 2025. Gemachtigde heeft op 6 mei 2025 daarop gereageerd. Vervolgens heeft UHT, daartoe door de Commissie verzocht, op 22 mei 2025 nog een nadere schriftelijke reactie ingediend. Gemachtigde heeft op 23 juni 2025 daarop gereageerd.
  • Dit advies wordt uitgebracht door de voorzitter, eerste commissielid, tweede commissielid.

Ontvankelijkheid en algemene opmerkingen

Niet in geschil is dat de bezwaarschriften ontvankelijk zijn.

Overwegingen ten aanzien van de bezwaren en het bestreden besluit

De Commissie ziet zich gesteld voor de vraag of UHT terecht en op goede gronden is gekomen tot haar beslissing om het verzoek van belanghebbende om compensatie of tegemoetkoming af te wijzen.

Motiverings- en zorgvuldigheidsbeginsel

Met de door UHT in bezwaar ingediende beschouwing en de overgelegde stukken - waaronder een uitgebreide uitleg met behulp van de overzichten van het Landelijke Incasso Centrum (LIC) - is in ieder geval thans geen sprake van strijd met de door belanghebbende genoemde algemene beginselen van behoorlijk bestuur. De vraag of die strijd er wel was ten tijde van de bestreden beschikkingen behoeft in dit geval geen beantwoording. Datgene wat nader is toegelicht en uiteengezet over de voorbereiding en motivering van de bestreden beschikking(en) leidt immers niet tot het herroepen daarvan.

Onvolledig dossier

Belanghebbende stelt dat zij onvoldoende gegevens/stukken heeft ontvangen om de juistheid van de berekeningen van genoemde bedragen te kunnen nagaan. Zij heeft verzocht om de stukken die ten grondslag liggen aan de beschikking aan haar te doen toekomen.

Voor zover belanghebbende stelt dat zonder het volledige ouderdossier niet kan worden beoordeeld of alle relevante stukken zijn overgelegd, volgt de Commissie dit standpunt van belanghebbende niet. De beschouwing en de daaraan ten grondslag gelegde stukken zijn aan belanghebbende toegezonden. De Commissie vindt dat UHT hiermee heeft voldaan aan de in artikel 7:4 lid 2 Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) neergelegde verplichting om alle op de zaak betrekking hebbende stukken ter inzage te leggen.

Verzoek om betalingsregeling

Belanghebbende stelt dat zij destijds herhaaldelijk heeft verzocht om een persoonlijke betalingsregeling, maar dat dit werd geweigerd. Belanghebbende stelt dat zij destijds een klacht heeft ingediend over het niet kunnen treffen van een persoonlijke betalingsregeling (productie 71 van het bezwaardossier). Het is voor belanghebbende onduidelijk wat destijds is gebeurd met de klacht. UHT stelt dat geen sprake is geweest van een kwalificatie opzet/grove schuld (hierna: O/GS). UHT stelt in haar aanvullende beschouwing van 22 mei 2025 tevens dat de klachtbrief betrekking heeft op het niet teruggebeld worden door de Belastingdienst/Toeslagen (B/T) en dat uit de systemen en de stukken niets blijkt van een verzoek om een persoonlijke betalingsregeling.

De Commissie stelt vast dat belanghebbende, zoals zij heeft toegelicht in de aanvullende reactie van haar gemachtigde, haar best heeft gedaan om de bedragen van de terugvorderingen binnen haar mogelijkheden af te betalen. Dit blijkt tevens uit de LIC-overzichten, maar dan alleen voor het toeslagjaar 2009. Belanghebbende heeft destijds een klacht ingediend waarin zij schrijft dat zij meermalen telefonisch contact heeft gehad met de B/T over de samengestelde betalingsregeling. In haar klachtbrief schrijft zij concreet dat op 15 november, 28 november en 9 december 2011 telefonisch contact heeft plaatsgevonden tussen haar en de B/T. Deze telefoongesprekken noch de data van deze telefoongesprekken worden door UHT betwist. Daarnaast heeft de gemachtigde van belanghebbende tijdens de zitting aangevoerd dat de klacht destijds door de B/T zou zijn behandeld, maar dat het formulier waarop de uitkomst van de klachtbehandeling vermeld had moeten worden, leeg is gebleven (zie pagina 303 van het bezwaardossier). Het is onduidelijk gebleven wat er destijds met de klacht is gebeurd. Ondanks herhaalde verzoeken heeft UHT, zoals de gemachtigde in haar aanvullende reacties heeft gesteld, geen duidelijkheid verschaft over de afhandeling van de klacht.

Onder deze omstandigheden acht de Commissie het in voldoende mate aannemelijk dat belanghebbende, zoals haar gemachtigde heeft verklaard op de hoorzitting, meermalen met de B/T heeft gebeld over haar terugbetalingsmoeilijkheden en heeft verzocht om een persoonlijke betalingsregeling. Dit acht de Commissie temeer aannemelijk nu belanghebbende, zoals uit het dossier blijkt, destijds hierover een klacht heeft ingediend. Daaruit blijkt dat zij al op de drie zojuist genoemde data hierover heeft gebeld met de B/T. Dat van de telefoongesprekken over een gevraagde betalingsregeling geen telefoonnotities beschikbaar zijn bij UHT, maakt dit niet anders. UHT heeft de stelling dat deze telefoongesprekken werkelijk zijn gevoerd, op zichzelf niet betwist. De Commissie meent dat aan belanghebbende op dit punt, en gegeven de bijzonderheden in dit geval, het voordeel van de twijfel toekomt zonder dat zij specifiek bewijs heeft geleverd van een dergelijk verzoek om een persoonlijke betalingsregeling. Vaststaat dat er geen O/GS-kwalificatie is geweest. Desondanks adviseert de Commissie UHT om in dit geval, met toepassing van de hardheidsclausule in artikel 9.1 lid 1 Wht, een tegemoetkoming als bedoeld in artikel 2.6 Wht aan belanghebbende toe te kennen voor de toeslagjaren waarin de Commissie het verhaal van belanghebbende kan volgen.

De Commissie overweegt hierbij dat de situatie waarin belanghebbende verkeerde, feitelijk gelijk is aan de situatie waarop artikel 2.6 Wht ziet. In beide gevallen heeft de B/T immers geen persoonlijke betalingsregeling toegekend, met grote gevolgen voor belanghebbende. Dat het O/GS-label ontbreekt, mag naar het oordeel van de Commissie in dit geval niet doorslaggevend zijn om een tegemoetkoming te weigeren. Concluderend is de Commissie van oordeel dat UHT aan belanghebbende alsnog een tegemoetkoming conform artikel 2.6 Wht voor het toeslagjaar 2009 moet toekennen.

Proceskostenvergoeding

Nu het primaire besluit naar de mening van de Commissie dient te worden herroepen, adviseert de Commissie tot toewijzing van het verzoek om vergoeding van de kosten van rechtsbijstand in deze bezwaarprocedure. Op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht heeft belanghebbende recht op een forfaitaire vergoeding op basis van twee procespunten (bezwaarschrift en verschijnen hoorzitting) met een wegingsfactor 2. Net als in eerdere zaken adviseert de Commissie daarbij de hoogste vergoeding per procespunt toe te kennen.

Conclusie

Samengevat adviseert de Commissie om het bezwaar gedeeltelijk gegrond te verklaren en om:

  • voor het toeslagjaar 2009 een tegemoetkoming met toepassing van artikel 2.6 van de Wht toe te kennen;
  • een vergoeding van de proceskosten voor de onderhavige bezwaarprocedure toe te kennen van twee procespunten met wegingsfactor twee voor het hoogste tarief.

Secretaris

Fungerend voorzitter