Ga direct naar de inhoud Ga direct naar de filters Ga direct naar de footer

BAC 2023-13713

Advies van de Bezwaarschriftenadviescommissie hersteloperatie toeslagen

Aan: Belastingdienst/Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen (hierna: UHT)

Betreft: het bezwaarschrift van belanghebbende

Primair besluit: 12 juni 2023 (UHT-DCH)

Hoorzitting: n.v.t.

Overdracht advies aan UHT: 30 juli 2025

Samenvatting

De Bezwaarschriftenadviescommissie (hierna: de Commissie) adviseert UHT om het bezwaar ongegrond te verklaren.

Onderwerp van advies

Het door gemachtigde namens belanghebbende ingediende bezwaarschrift is gericht tegen de door UHT genomen definitieve beschikking compensatie kinderopvangtoeslag.

Aan belanghebbende is met toepassing van de Wet hersteloperatie toeslagen (hierna: Wht) compensatie toegekend voor een bedrag van € 21.063,-, aangevuld tot € 30.000,-, voor de jaren 2011, 2012 en 2013 en geen compensatie toegekend voor de jaren 2009, 2010 en 2014.

Procesverloop

  • Belanghebbende heeft op 14 januari 2021 verzocht om een herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag (hierna: KOT). De jaren 2009 tot en met 2014 zijn herbeoordeeld.
  • De Commissie van Wijzen (hierna: CvW) heeft haar beoordeling van het verzoek van belanghebbende op 30 maart 2023 aan UHT toegestuurd. De CvW heeft geadviseerd dat gedurende de jaren 2009, 2010 en 2014 geen sprake is geweest van institutionele vooringenomenheid of bijzondere omstandigheden. Daarnaast heeft de CvW geadviseerd dat bij de compensatie voor de toeslagjaren 2012 en 2013 moet worden uitgegaan van de werkelijke opvangkosten.
  • UHT heeft bij de bestreden beschikking aan belanghebbende voor de jaren 2011, 2012 en 2013 een compensatie toegekend voor een bedrag van € 21.063, ingevolge de Catshuisregeling aangevuld tot € 30.000,- en aan belanghebbende geen compensatie toegekend voor de jaren 2009, 2010 en 2014.
  • Gemachtigde heeft bij brief van 12 juli 2023, ingekomen op 14 juli 2023, tegen deze beschikking een bezwaarschrift ingediend.
  • Gemachtigde heeft het bezwaarschrift bij brief van 23 mei 2024 aangevuld.
  • UHT heeft bij beschouwing zonder dagtekening schriftelijk op het bezwaarschrift gereageerd.
  • Op 24 mei 2023 en 18 juni 2025 heeft gemachtigde verzocht om de bezwaarprocedure op stukken af te doen. De Commissie ziet daarom op grond van artikel 7:3 onder c van de Algemene wet bestuursrecht af van het horen van belanghebbende en adviseert op basis van de aan haar bekende stukken.
  • Gemachtigde heeft bij brief van 11 juli 2025 het bezwaarschrift nogmaals aangevuld.
  • UHT heeft op 21 juli 2025 een nadere schriftelijke reactie gegeven.
  • Dit advies wordt uitgebracht door de voorzitter, eerste commissielid, tweede commissielid.

Ontvankelijkheid en algemene opmerkingen

Niet in geschil is dat het bezwaarschrift ontvankelijk is.

Overwegingen ten aanzien van de bezwaren en het bestreden besluit

De Commissie ziet zich gesteld voor de vraag of UHT de toegekende compensatie voor de jaren 2011, 2012 en 2013 op de juiste wijze heeft berekend en terecht en op goede gronden is gekomen tot haar beslissing om het verzoek van belanghebbende om compensatie of tegemoetkoming voor de jaren 2009, 2010 en 2014 af te wijzen.

Equality of arms en op de zaak betrekking hebbende stukken

Belanghebbende heeft aangevoerd dat geen sprake is van ‘equality of arms’, zoals opgenomen in artikel 6 van het EVRM, omdat zij niet de beschikking heeft over haar volledige dossier.

De Commissie is een onafhankelijke bezwaarschriftenadviescommissie in de zin van artikel 7:13 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb). Voor de procedure bij de Commissie gelden de processuele waarborgen van de Awb. Op grond van artikel 7:4 lid 2 Awb heeft belanghebbende voorafgaand aan de hoorzitting bij de Commissie recht op afschriften van de op de zaak betrekking hebbende stukken. Deze stukken heeft belanghebbende in de vorm van een bezwaardossier op 15 mei 2025 ontvangen, waarna zij de gelegenheid gekregen en benut heeft om haar standpunt schriftelijk nader toe te lichten. De Commissie adviseert het bezwaar op dit punt ongegrond te verklaren.

De compensatieberekening over de jaren 2011, 2012 en 2013

UHT heeft in de bijlage bij haar beschouwing toegelicht dat (in het voordeel van belanghebbende) onjuiste bedragen zijn opgenomen onder de componenten b (‘uw KOT na het onderzoek’), c (‘bedrag dat u eerder moest terugbetalen of niet hebt gekregen’), f (‘verschil met laatst vastgestelde beschikking KOT’) en o (‘rentevergoeding over gemiste KOT’).

De Commissie neemt met instemming kennis van het voornemen van UHT om de gehanteerde bedragen in stand te houden, nu een correctie daarvan in het nadeel van belanghebbende zou zijn. Belanghebbende mag er door het instellen van bezwaar namelijk niet slechter voor komen te staan dan het geval was in het bestreden besluit (verbod van reformatio in peius).

Verder overweegt de Commissie dat voor zover sprake is van onzorgvuldige voorbereiding of van gebreken in de motivering van de compensatieberekening, die gebreken in de beslissing op bezwaar door UHT kunnen worden hersteld aan de hand van wat daarover in haar beschouwing en de bijlage is opgemerkt.

De afwijzing van compensatie over toeslagjaar 2009

Belanghebbende betoogt dat zij voor toeslagjaar 2009 in aanmerking komt voor compensatie op grond van hardheid van het stelsel. Zij voert aan dat sprake was van bijzondere omstandigheden, omdat het gezin in financiële problemen is geraakt en daardoor tandartsbezoeken moest overslaan, geen woning kon kopen en omdat belanghebbende door het loonbeslag geen vaste baan kon krijgen. Dit heeft voor stress en spanningen gezorgd binnen de gezinssituatie.

De Commissie heeft geen aanknopingspunten kunnen vinden om te adviseren dat B/T bij de toekenning, aanpassing of terugvordering van de KOT voor het toeslagjaar 2009 institutioneel vooringenomen heeft gehandeld of dat het stelsel te hard heeft uitgewerkt.

De KOT is bij voorschotbeschikking van 20 april 2011 op nihil gesteld nadat belanghebbende een antwoordformulier had aangeleverd met de (aangekruiste) verklaring dat zij géén kinderopvang had afgenomen in 2009. De Commissie overweegt dat B/T mocht uitgaan van de juistheid en compleetheid van het door belanghebbende ingezonden antwoordformulier. Dit geldt temeer omdat in het geval van belanghebbende niet is gebleken dat zij destijds andersluidende verklaringen heeft gedaan of dat B/T overduidelijk andere informatie voorhanden had. Zo is in de KOI-viewer geen informatie opgenomen over afgenomen opvang in 2009 (productie 1209017). Dat belanghebbende destijds in de bezwaarprocedure tegen de nihilbeschikking heeft aangetoond dat zij wel degelijk opvang heeft afgenomen in het jaar 2009, kan niet tot een ander oordeel leiden over het handelen van B/T voorafgaand aan die bezwaarprocedure. Na het bezwaar is de KOT 2009 definitief beschikt op basis van de door belanghebbende aangeleverde gegevens.

De Commissie volgt UHT daarom in haar standpunt dat voor het jaar 2009 sprake was reguliere bijstellingen van de KOT. Deze bijstellingen geven in beginsel ook geen aanspraak op een hardheidscompensatie. De door belanghebbende aangevoerde omstandigheden geven in het kader van toeslagjaar 2009 geen aanknopingspunt voor een ander oordeel. Er was ook geen onterechte kwalificatie O/GS, zodat er ook geen aanspraak is op een daarop gebaseerde vergoeding.

De afwijzing van compensatie over toeslagjaar 2010

De nihilbeschikking van 14 januari 2014 wegens non-respons

Belanghebbende stelt dat B/T de beginselen van behoorlijk bestuur heeft geschonden door de KOT voor 2010 stop te zetten zonder een voorafgaande beoordeling die dit rechtvaardigt. Zij betoogt dat het onzorgvuldig is om slechts na een tweetal brieven tot een nihilstelling te komen. B/T heeft ten onrechte nagelaten om nader onderzoek te doen.

UHT heeft zich op het standpunt gesteld dat B/T niet vooringenomen gehandeld heeft door de KOT bij besluit van 14 januari 2014 op nihil te stellen. De twee vraagbrieven die hieraan vooraf gingen hebben belanghebbende voldoende gelegenheid voor een reactie gegeven nu er een redelijk reactietermijn van 14 dagen is geboden, de tweede brief pas na ruim vijf maanden is verzonden en in de tweede brief niet om andere of nieuwe informatie werd gevraagd ten opzichte van de eerste brief. B/T mocht er vanuit gaan dat brieven die verzonden zijn naar het woonadres van belanghebbende zoals dat volgt uit de BRP, daar ook zijn aangekomen. De enkele verklaring van belanghebbende dat zij geen brieven ontvangen heeft, kan niet aan B/T worden tegengeworpen, aldus UHT.

De Commissie is van opvatting dat UHT onder deze omstandigheden terecht heeft aangenomen dat B/T belanghebbende voldoende in de gelegenheid heeft gesteld om haar recht op KOT aannemelijk te maken, temeer nu uit het dossier niet is gebleken dat er bijzonderheden waren omtrent het woonadres van belanghebbende. Het is daarom niet aannemelijk geworden dat B/T vooringenomen heeft gehandeld jegens belanghebbende. Het bezwaar treft geen doel.

Compensatie of tegemoetkoming wegens weigering persoonlijke betalingsregeling Belanghebbende voert voorts aan dat zij telefonisch heeft verzocht om een persoonlijke betalingsregeling voor de terugvordering van de KOT over 2010. Zij heeft toen te horen gekregen dat dit niet mogelijk was omdat het terugvorderingsbedrag te hoog was.

Vanwege de ernstige gevolgen die het weigeren van een persoonlijke betaling heeft gehad, stelt belanghebbende in aanmerking te komen ofwel voor een hardheidscompensatie ofwel voor een O/GS-tegemoetkoming.

De Commissie overweegt dat in het geval van belanghebbende geen sprake was van O/GS-kwalificatie over de terugvordering van de KOT over 2010 (productie 1300001). Gelet op de omvang van de maandelijkse terugbetaling die blijkens het LIC-overzicht over 2010 heeft plaatsgevonden, van (slechts) € 23 en later € 20 per maand (productie 2700009), en bij gebrek aan gegevens die de stelling van belanghebbende onderbouwen, acht de Commissie niet aannemelijk geworden dat belanghebbende om een persoonlijke betalingsregeling heeft verzocht en dat dit verzoek is afgewezen. De Commissie ziet daarom geen aanknopingspunt om UHT te adviseren aan belanghebbende compensatie op grond van hardheid of een (O/GS-)tegemoetkoming toe te kennen. Het bezwaar treft geen doel.

De afwijzing van compensatie over toeslagjaar 2014

Belanghebbende betoogt dat zij voor toeslagjaar 2014 in aanmerking komt voor compensatie op grond van hardheid van het stelsel. Zij voert aan dat sprake was van bijzondere omstandigheden, omdat het gezin vanwege de financiële problemen tandartsbezoeken moest overslaan, geen woning kon kopen en omdat belanghebbende door het loonbeslag geen vaste baan kon krijgen. Dit heeft voor stress en spanningen gezorgd binnen de gezinssituatie.

UHT heeft zich op het standpunt gesteld dat belanghebbende de KOT voor het jaar 2014 zelf heeft stopgezet en dat zij daarom niet in aanmerking komt voor compensatie.

De Commissie heeft geen aanknopingspunten kunnen vinden om te adviseren dat B/T bij de toekenning, aanpassing of terugvordering van de KOT voor het toeslagjaar 2014 institutioneel vooringenomen heeft gehandeld of dat het stelsel te hard heeft uitgewerkt.

De Commissie acht voldoende aannemelijk dat het op nihil stellen van de KOT voor het jaar 2014 het directe gevolg is geweest van de stopmelding van 28 november 2013, die door belanghebbende digitaal is doorgegeven (productie 270007). Dat sluit aan bij de verklaring van belanghebbende dat zij in 2013 of 2014 alle toeslagen had stopgezet na in het inschakelen van een budgetcoach. Hiermee was sprake van een reguliere aanpassing van de KOT, die in overeenstemming met de wet is uitgevoerd. Een dergelijke bijstelling geeft in beginsel ook geen aanspraak op een zogenoemde hardheidscompensatie. De door belanghebbende aangevoerde omstandigheden geven in het kader van toeslagjaar 2014 geen aanleiding voor een ander oordeel. Er was ook geen onterechte kwalificatie O/GS, zodat er ook geen aanspraak is op een daarop gebaseerde vergoeding.

Verzoek om aanvullende schadevergoeding

Voor zover belanghebbende stelt (meer) schade te hebben geleden als gevolg van het vooringenomen handelen door B/T ten aanzien van de jaren 2011 tot en met 2013, kan zij een verzoek om aanvullende schadevergoeding indienen bij de Commissie Werkelijke Schade.

Proceskostenvergoeding

Nu de Commissie het bezwaar ongegrond acht en om die reden niet adviseert het primaire besluit te herroepen, is er geen aanleiding een vergoeding van de proceskosten toe te kennen.

Conclusie

Samengevat adviseert de Commissie om het bezwaar ongegrond te verklaren.

Secretaris

Fungerend voorzitter