BAC 2023-13649
Publicatiedatum 26-01-2026
Advies van de Bezwaarschriftenadviescommissie hersteloperatie toeslagen
Aan: Belastingdienst/Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen (hierna: UHT)
Betreft: het bezwaarschrift van belanghebbende
Primair besluit: 31 mei 2023 met de kenmerken UHT-DCH en UHT-O OGS B
Hoorzitting: 16 januari 2025
Overdracht advies aan UHT: 20 februari 2025
Samenvatting
De Bezwaarschriftenadviescommissie (hierna: de Commissie) adviseert UHT om het bezwaarschrift ongegrond te verklaren en de bestreden besluiten in stand te laten.
Onderwerp van advies
De door gemachtigde namens belanghebbende ingediende bezwaarschriften zijn gericht tegen de door UHT genomen definitieve beschikkingen compensatie kinderopvangtoeslag.
Aan belanghebbende is met toepassing van de Wet hersteloperatie toeslagen (hierna: Wht) compensatie toegekend voor het jaar 2012 en opzet/grove schuld vastgesteld voor de jaren 2011 en 2013.
Procesverloop
- Belanghebbende heeft op 18 januari 2021 verzocht om een herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag (hierna: KOT) over de jaren 2011 tot en met 2013.
- UHT heeft bij beschikking van 30 april 2021 aan belanghebbende medegedeeld dat zij wel in aanmerking komt voor een betaling van €30.000,-.
- De Commissie van Wijzen (hierna: CvW) heeft haar beoordeling van het verzoek van belanghebbende op 9 maart 2023 aan UHT toegestuurd. De CvW heeft geadviseerd dat gedurende de jaren 2011 en 2013 geen sprake is geweest van institutionele vooringenomenheid of bijzondere omstandigheden. De CvW onderschrijft het oordeel van de UHT dat belanghebbende voor de toeslagjaren 2011 en 2013 een O/GS-tegemoetkoming van toepassing is.
- UHT heeft bij beschikking van 31 mei 2023 met kenmerk UHT-DCH aan belanghebbende medegedeeld dat zij recht heeft op compensatie voor het jaar 2012.
- Bij beschikking van 31 mei 2023 met kenmerk UHT-O OGS B is aan belanghebbende medegedeeld dat opzet/grove schuld is vastgesteld voor de toeslagjaren 2011 en 2013.
- Gemachtigde heeft bij brieven van 3 juli 2023 bezwaar gemaakt tegen deze beschikkingen.
- UHT heeft op 14 juni 2021 schriftelijk gereageerd op de bezwaarschriften.
- Op 16 januari 2025 heeft een hoorzitting plaatsgevonden. Van de hoorzitting is een verslag gemaakt, dat achter het advies is gevoegd.
- Op 16 februari 2025 heeft gemachtigde aanvullende informatie aangeleverd.
- Op 22 januari 2025 heeft UHT een aanvullende schriftelijke beschouwing ingediend.
- Dit advies wordt uitgebracht door de voorzitter, eerste commissielid, tweede commissielid.
Ontvankelijkheid en algemene opmerkingen
Niet in geschil is dat de bezwaarschriften ontvankelijk zijn.
Overwegingen ten aanzien van de bezwaren en het bestreden besluit
Geen persoonlijk dossier en/of onvolledig bezwaardossier
Belanghebbende voert in bezwaar aan dat zij niet de beschikking heeft over de volledige informatie, omdat zij niet de beschikking heeft over haar persoonlijk dossier en/of het volledige bezwaardossier. De Commissie overweegt hierover het volgende.
De Commissie is een onafhankelijke bezwaarschriftenadviescommissie in de zin van artikel 7:13 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb). Voor de procedure bij de Commissie gelden de procedurele waarborgen van de Awb en tegen beslissingen op bezwaar van UHT, zoals volgen op de adviezen van de Commissie, kan een belanghebbende rechtsmiddelen instellen bij de rechter.
Op grond van artikel 7:4 lid 2 Awb en artikel 5.2 leden 3 en 4 van de Wht heeft een belanghebbende voorafgaand aan de hoorzitting bij de Commissie recht op afschriften van de op de zaak betrekking hebbende stukken. Het verweerschrift van UHT met de bijbehorende producties is op 13 augustus en 9 oktober 2024 naar gemachtigde gestuurd. Hierdoor hebben gemachtigde en belanghebbende kennis kunnen nemen van de stukken die ten grondslag liggen aan de bestreden besluiten. Dat belanghebbende de noodzaak voelt om haar persoonlijk dossier in handen te krijgen, begrijpt de Commissie en zij adviseert UHT daarom zich zoveel mogelijk in te spannen om het persoonlijk dossier aan belanghebbende te verstrekken. Tegelijkertijd is de Commissie van oordeel dat het niet hebben van het persoonlijk dossier belanghebbende niet in de weg staat om op basis van het bezwaardossier inzicht te krijgen in hoe het compensatiebedrag tot stand is gekomen. Uit de stellingname van belanghebbende en UHT volgt niet dat in het aan de Commissie en belanghebbende beschikbaar gestelde bezwaardossier nog specifieke stukken zouden ontbreken die van enig belang zouden kunnen zijn geweest bij de door UHT genomen besluiten. Naar het oordeel van de Commissie is daarmee in voldoende mate invulling gegeven aan de procedurele waarborgen van de Awb. Het bezwaar is op dit punt dan ook ongegrond.
Belanghebbende vindt het opmerkelijk dat voor sommige jaren vooringenomen handelen wordt aangenomen, en voor andere jaren weer niet. Een selectie in jaren op basis van neerwaartse correcties of nihilstellingen doet geen recht aan de situatie van gedupeerde ouders. De Commissie wijst in dit verband op de wetsgeschiedenis van de Wht. In de Memorie van Toelichting wordt dit punt expliciet besproken: “Bij integrale beoordeling wordt vastgesteld wat er is misgegaan met de kinderopvangtoeslag bij een gedupeerde ouder en wordt per berekeningsjaar het herstelbedrag vastgesteld dat op grond van een herstelmaatregel als bedoeld in artikel 2.7 van dit wetsvoorstel wordt toegekend.” (Tweede Kamer, vergaderjaar 2021–2022, 36 151, nr. 3, p. 19).
De Commissie leidt hieruit af dat het kennelijk niet de bedoeling van de wetgever is geweest om een vaststelling van gedupeerd zijn van een toeslagouder automatisch door te trekken naar andere jaren. Volgens de Commissie zal daarom per jaar opnieuw moeten worden vastgesteld of sprake is geweest van vooringenomen handelen dan wel hardheid en of de werkwijze van UHT begrijpelijk en daarmee in overeenstemming is. De enkele – niet nader met feiten of omstandigheden onderbouwde – stelling dat van vooringenomenheid sprake moet zijn geweest in andere toeslagjaren als eenmaal sprake is geweest van vooringenomen handelen door B/T of bijzondere omstandigheden acht de Commissie daarom in zijn algemeenheid onjuist. Dit deel van het bezwaar acht de Commissie daarom ongegrond.
Belanghebbende voert aan dat ten onrechte geen compensatie is toegekend voor de jaren 2011 en 2013.
De Commissie overweegt dat niet aannemelijk is geworden dat bij de toekenning, aanpassing of terugvordering van de KOT voor de toeslagjaren 2011 en 2013 sprake is geweest van institutioneel vooringenomen handelen door de B/T dan wel hardheid van het stelsel. De terugvordering KOT over de toeslagjaren 2011 en 2013 was gelegen in een te hoog voorschot, dat op basis van reguliere wijzigingen opnieuw is berekend. Zo is de definitieve berekening KOT over het toeslagjaar 2011 vastgesteld conform een wijziging in het toetsingsinkomen en de door belanghebbende zelf verstrekte gegevens, waaronder de bij het antwoordformulier van 24 augustus 2012 overgelegde jaaropgave van de kinderopvanginstelling. Wat betreft de definitieve berekening KOT over het toeslagjaar 2013 blijkt dat belanghebbende via het digitale burgerportaal op 22 januari 2013 de KOT per 1 september 2012 zelf heeft stopgezet. Deze bijstellingen zijn conform de wet uitgevoerd. Dergelijke bijstellingen geven in beginsel ook geen aanspraak op een zogenoemde hardheidstegemoetkoming. De Commissie heeft geen aanknopingspunten gevonden om hier ten aanzien van belanghebbende anders te oordelen. De Commissie adviseert UHT daarom om dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.
Volgens belanghebbende had zij tot 28 augustus 2014 geen toeslagpartner, terwijl vanaf 2013 het inkomen van de toeslagpartner toch is meegenomen in de KOT-berekeningen. Dit duidt volgens haar op een foutieve berekening en UHT dient deze fouten van B/T te herstellen. Voorts heeft belanghebbende tijdens de hoorzitting gevraagd waarom geen automatische voortzetting van de KOT heeft plaatsgevonden. Tot slot heeft belanghebbende na de hoorzitting een aanvullende productie toegestuurd, waarin volgens haar te lezen is dat het lopend bezwaar van belanghebbende over het jaar 2012 niet behandeld moet worden.
De Commissie overweegt allereerst dat de Wht is bedoeld voor herstel van vooringenomen handelen, hardheid of een onterechte O/GS-kwalificatie en niet ziet op de herziening van definitieve KOT beschikkingen. Belanghebbende verzoekt onder meer om een aanpassing van de hoogte van de KOT over het toeslagjaar 2012 zoals deze indertijd definitief is vastgesteld. Een beoordeling daarvan valt buiten de reikwijdte van de Wht.
De Commissie adviseert UHT daarom om dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.
Wat betreft de vraag waarom geen automatische voortzetting van de KOT heeft plaatsgevonden, heeft UHT verklaard dat belanghebbende al volledig gecompenseerd is voor dit jaar en het om die reden niet nodig is om verder onderzoek te doen naar de automatische continuering. De Commissie sluit zich hierbij aan en adviseert om dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.
Tot slot blijkt uit de door belanghebbende aangeleverde aanvullende productie dat er inderdaad op 5 november 2014 een notitie is gemaakt dat het bezwaar van belanghebbende over het jaar 2012 niet behandeld moet worden. Echter, zoals ook te lezen is in de aanvullende beschouwing van UHT en productie 27 uit het bezwaardossier, had belanghebbende het bezwaar te laat ingediend. Haar bezwaar werd dan ook niet inhoudelijk behandeld. Voorts is belanghebbende, zoals hierboven al uiteengezet, volledig gecompenseerd voor dit jaar. De Commissie adviseert UHT daarom om dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.
Vergoeding voor juridische kosten (component m)
In bezwaar stelt belanghebbende dat haar zonder geldige reden geen compensatie is geboden voor vergoeding voor juridische hulp en verzoekt hier alsnog om. De Commissie is uit de beschikbare stukken gebleken dat er geen (bezwaar)procedures zijn gevoerd tegen beschikkingen tot (voorlopige) vaststelling van de KOT over de desbetreffende toeslagjaren. Op grond van artikel 2.2 onderdeel f Wht kan een forfaitaire vergoeding voor juridische kosten slechts toegekend worden voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand. Nu niet gebleken is dat hiervan sprake is geweest, ziet de Commissie geen reden UHT te adviseren gevolg te geven aan het verzoek van belanghebbende.
Immateriële schadevergoeding (component n)
Belanghebbende stelt dat de immateriële schadevergoeding onjuist is berekend. UHT heeft in de schriftelijke beschouwing uiteengezet dat de vergoeding voor immateriële schade berekend had moeten worden over het tijdvak 19 februari 2014 (datum stopbrief) tot 31 mei 2023 (datum onderhavige compensatiebeschikking). In de compensatieberekening is uitgegaan van een foute einddatum, 6 juni 2023. Deze fout heeft geen gevolg voor de hoogte van de vergoeding. De berekening is daarmee in het voordeel van belanghebbende. Deze berekening zal door UHT in de beslissing op bezwaar niet aangepast worden. Belanghebbende heeft dit standpunt van UHT niet bestreden. De Commissie acht het bezwaar op dit punt derhalve ongegrond.
FSV-lijst, O/GS en discriminatie
Belanghebbende stelt dat de conclusie dat zij niet op de Fraude Signalering Voorziening (hierna: FSV) lijst heeft gestaan, de berekening van de O/GS-tegemoetkoming en er derhalve geen sprake is geweest van discriminatie, niet wordt onderbouwd met stukken. Voorts stelt belanghebbende dat ten aanzien van de beoordeling van discriminatie een duidelijke +uiteenzetting of toetsing ontbreekt waaruit blijkt op welke gronden de conclusie dat géén sprake is van discriminatie, is gebaseerd.
FSV-lijst
De Commissie stelt vast dat UHT tijdens de hoorzitting heeft aangegeven dat belanghebbende niet voorkomt op de FSV-lijst. Het FSV-systeem is een afgesloten systeem dat niet meer wordt gebruikt en daarom uitsluitend kan worden geraadpleegd door medewerkers met een speciale bevoegdheid. UHT heeft niet voldoende bevoegdheden om de door belanghebbende gewenste gedetailleerde informatie te verstrekken. De Commissie adviseert UHT wel om aan belanghebbende alsnog een schermafdruk waarover UHT wel zegt te beschikken, te verstrekken tezamen met de beslissing op bezwaar.
O/GS
Volgens belanghebbende heeft zij in de jaren 2011 en 2013 een hoger bedrag moeten terugbetalen dan € 1.079 + € 3.180. Daarom dient de tegemoetkoming O/GS hoger te zijn. De Commissie heeft in aanmerking genomen dat UHT zich bij het verweer heeft gebaseerd op een aantal betaal- en verrekenoverzichten die zijn opgebouwd op basis van de betalingen en verrekeningen die feitelijk zijn verricht en derhalve zijn terug te vinden in de beschikkingen die belanghebbende heeft ontvangen en de betalingen die belanghebbende heeft verricht. Deze overzichten geven de Commissie geen aanleiding om de juistheid van de door UHT gehanteerde bedragen in twijfel te trekken.
Belanghebbende heeft verder geen feiten of omstandigheden aangedragen die dit bezwaar onderbouwen en de Commissie niet kunnen overtuigen tot een andersluidend oordeel.
Discriminatie
Van aanwijzingen dat in het geval van belanghebbende sprake is geweest van discriminatie, is de Commissie uit de ter beschikking staande stukken, de tijdens de hoorzitting gebleken feiten en omstandigheden en uit de schriftelijke beschouwing van UHT, onvoldoende gebleken.
Vergoeding voor werkelijke schade
Belanghebbende stelt dat zij meer schade heeft geleden dan het in de definitieve compensatiebeschikking toegekende bedrag. Deze bezwaarschriftprocedure heeft alleen betrekking op de toekenning van de standaard vergoedingen en niet op de vergoeding van de werkelijke schade. Hiervoor is de procedure bij de Commissie Werkelijke Schade bestemd. Belanghebbende kan bij de Commissie Werkelijke een verzoek indienen voor vergoeding van deze schade.
Belanghebbende verzoekt om een proceskostenveroordeling conform het Besluit proceskosten bestuursrecht. Aangezien het bezwaar naar het oordeel van de Commissie ongegrond is, adviseert de Commissie belanghebbende geen proceskosten toe te kennen.
Conclusie
Samengevat adviseert de Commissie om het bezwaar ongegrond te verklaren en het bestreden besluit in stand te laten.
Secretaris
Fungerend voorzitter