Ga direct naar de inhoud Ga direct naar de filters Ga direct naar de footer

BAC 2023-13622

Advies van de Bezwaarschriftenadviescommissie hersteloperatie toeslagen

Aan: Belastingdienst/Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen (hierna: UHT)

Betreft: het bezwaarschrift van belanghebbende

Primair besluit: 19 mei 2023 met kenmerk UHT-DCH

Hoorzitting: 9 september 2025

Overdracht advies aan UHT: 18 september 2025

Samenvatting

De Bezwaarschriftenadviescommissie (hierna: de Commissie) adviseert UHT om het bezwaar ongegrond te verklaren en het verzoek om een proceskostenvergoeding af te wijzen.

Onderwerp van advies

Het door gemachtigde namens belanghebbende ingediende bezwaarschrift is gericht tegen de door UHT genomen definitieve beschikking herbeoordeling kinderopvangtoeslag van 19 mei 2023 met kenmerk UHT-DCH.

Aan belanghebbende is met toepassing van de Wet hersteloperatie toeslagen (hierna: Wht) compensatie toegekend voor een bedrag van € 30.000 voor het jaar 2009 en geen compensatie toegekend voor de jaren 2006 tot en met 2008 en 2010 tot en met 2016.

Procesverloop

  • Belanghebbende heeft op 28 mei 2021 verzocht om een herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag (hierna: KOT) over de jaren 2007 tot en met 2016.
  • De Commissie van Wijzen (hierna: CvW) heeft haar beoordeling van het verzoek van belanghebbende op 30 maart 2023 aan UHT toegestuurd. De CvW heeft geadviseerd dat gedurende de jaren 2007 en 2008 en 2010 tot en met 2016 geen sprake is geweest van institutionele vooringenomenheid of bijzondere omstandigheden.
  • UHT heeft bij vooraankondiging aan belanghebbende een compensatie toegekend voor een bedrag van € 30.000 op grond van de Catshuisregeling.
  • UHT heeft met de bestreden beschikking van 19 mei 2023 met kenmerk UHT-DCH aan belanghebbende geen compensatie toegekend voor de jaren 2006 tot en met 2008 en 2010 tot en met 2016. Over 2009 bedraagt het compensatiebedrag € 25.265. Aangezien belanghebbende al is gecompenseerd met een bedrag van € 30.000, zal geen nabetaling volgen.
  • Gemachtigde heeft bij brief van 29 juni 2023 tegen dit besluit een bezwaarschrift ingediend.
  • UHT heeft op 24 april 2025 schriftelijk gereageerd op het bezwaarschrift.
  • Op 9 september 2025 heeft een hoorzitting plaatsgevonden. Van de hoorzitting is een verslag gemaakt, dat achter het advies is gevoegd.
  • Dit advies wordt uitgebracht door de voorzitter, eerste commissielid, tweede commissielid.

Ontvankelijkheid en algemene opmerkingen

Niet in geschil is dat het bezwaarschrift ontvankelijk is.

Overwegingen ten aanzien van de bezwaren en het bestreden besluit

De Commissie staat voor de vraag of UHT de toegekende compensatie voor het toeslagjaar 2009 op de juiste wijze heeft berekend, en of zij terecht en op goede gronden is gekomen tot haar beslissing om het verzoek van belanghebbende om compensatie of tegemoetkoming voor de jaren 2010 tot en met 2014 af te wijzen.

De Commissie zal de jaren 2007, 2008, 2015 en 2016 hier verder niet behandelen omdat belanghebbende met betrekking tot deze jaren geen specifieke bezwaargronden naar voren heeft gebracht.

Toeslagjaar 2009

De Commissie stelt vast dat UHT de verschillende componenten van de compensatieberekening opnieuw zorgvuldig heeft onderzocht en dat de genoemde bedragen correct zijn vastgesteld. Hoewel de rentevergoeding voor gemiste KOT (component o) onjuist is berekend, zal deze in bezwaar niet in het nadeel van belanghebbende worden aangepast. De Commissie kan zich hierin vinden.

Toeslagjaren 2010 tot en met 2014

Belanghebbende is voor de toeslagjaren 2010 tot en met 2014 niet gecompenseerd. In deze periode kreeg zij te maken met terugvorderingen die volgens haar onterecht waren, omdat er geen wijzigingen in opvanguren of meldingen van stopzetting door haar zijn doorgegeven. Hierdoor zou de hoogte van de KOT in deze jaren niet deugdelijk zijn onderbouwd. Voor het jaar 2010 zou de stopzetting per 13 februari die door belanghebbende zou zijn gedaan, niet zichtbaar zijn op de tijdlijn in het ouderdossier op pagina 27. De beschikking van 18 februari 2010 waarin de stopzetting wordt medegedeeld aan belanghebbende staat wel genoemd in de tijdlijn op voornoemde pagina. In 2011 is een stopzetting geregistreerd die niet door belanghebbende zelf zou zijn doorgegeven. Zij stelt dat zij in 2011 het gehele jaar gebruik heeft gemaakt van kinderopvang omdat zij fulltime werkte, waardoor er geen aanleiding was om de KOT stop te zetten. In 2013 is de toeslag verlaagd op basis van gegevens uit de KOI-viewer, zonder dat belanghebbende de mogelijkheid heeft gehad om deze informatie op juistheid te controleren.

UHT stelt dat de KOT voor 2010 en 2011 door belanghebbende zelf telefonisch is stopgezet, respectievelijk op 3 februari 2010 en 24 maart 2011. Beide stopzettingen gingen in per 1 januari van het betreffende jaar. Voor het jaar 2013 is de verlaging van de toeslag volgens UHT niet gebaseerd op de KOI-viewer, maar op een door belanghebbende zelf doorgegeven wijziging van het aantal opvanguren: van 59 naar 6 uur per maand. Belanghebbende kan geen beroep doen op de hardheidsregeling en komt evenmin in aanmerking voor de tegemoetkoming op grond van Opzet/Grove Schuld (hierna: O/GS).

De Commissie heeft geen aanknopingspunten gevonden om te adviseren dat de Belastingdienst/Toeslagen (hierna: B/T) bij de toekenning, aanpassing of terugvordering van de KOT voor de toeslagjaren 2010 tot en met 2014 institutioneel vooringenomen heeft gehandeld, of dat het stelsel in deze jaren te hard heeft uitgewerkt. De Commissie merkt over deze jaren het volgende op:

  • Toeslagjaar 2010: De KOT is driemaal neerwaarts bijgesteld. Dit was het gevolg van een aanpassing van het aantal opvanguren van 230 naar 96, een wijziging van de einddatum naar 30 december 2010, en het indienen van de jaaropgave over 2010.
  • Toeslagjaar 2011: De KOT is eenmaal neerwaarts bijgesteld naar aanleiding van een telefonische melding op 24 maart 2011 van belanghebbende, waarin zij verzocht om de KOT met ingang van 1 januari 2011 stop te zetten. Op 23 augustus 2011 heeft zij vervolgens opnieuw KOT aangevraagd met ingang van 1 september 2011.
  • Toeslagjaar 2012: De KOT is tweemaal neerwaarts bijgesteld, als gevolg van een stopzetting door belanghebbende per 1 oktober 2012 en het indienen van de jaaropgave over 2012.
  • Toeslagjaar 2013: De KOT is eenmaal neerwaarts bijgesteld vanwege een verlaging van het aantal opvanguren van 64 naar 6 uur per maand.
  • Toeslagjaar 2014: De KOT is driemaal neerwaarts bijgesteld, vanwege een hoger toetsingsinkomen, een wijziging daarvan, en een verlaging van het aantal opvanguren van 41 naar 6 uur per maand. Deze laatste verlaging hield verband met het verhoogde toetsingsinkomen.

De hiervoor genoemde bijstellingen van het voorschot KOT zijn het gevolg van reguliere wijzigingen en zijn uitgevoerd in overeenstemming met de geldende wet- en regelgeving. Zulke bijstellingen geven in beginsel geen aanleiding tot toekenning van een zogenoemde hardheidstegemoetkoming.

De Commissie heeft geen bijzondere omstandigheden aangetroffen die aanleiding geven om in het geval van belanghebbende hiervan af te wijken. Ook is er geen sprake geweest van een onterechte kwalificatie als O/GS, zodat belanghebbende geen aanspraak maakt op een daarop gebaseerde vergoeding.

De Commissie adviseert UHT dan ook om dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.

Stopzettingen van de KOT

Belanghebbende voert aan dat de stopzetting van de KOT per 13 februari 2010 niet is opgenomen in de tijdlijn en ook niet door haarzelf is gedaan. Daarnaast stelt zij dat de stopzetting in 2011 evenmin door haar is doorgegeven. UHT stelt daarentegen dat belanghebbende de stopzettingen in zowel 2010 als 2011 wél zelf aan B/T heeft gemeld.

De Commissie merkt op dat uit de tijdlijn van het informatie- en beoordelingsformulier van UHT blijkt dat op 3 februari 2010, op basis van een belnotitie, de KOT met terugwerkende kracht per 1 januari 2010 is stopgezet. Uit deze belnotitie blijkt dat de melding afkomstig was van belanghebbende zelf. De Commissie weegt hierbij mee dat de telefonische melding is opgevolgd door de beschikking van 18 februari 2010, waarin de KOT voor toeslagjaar 2010 op nihil werd gesteld. Hoewel belanghebbende bezwaar maakte tegen deze beschikking, richtte het bezwaar zich uitsluitend tegen de openstaande vordering van € 2.246. Zij verzocht om uitstel van betaling tot 1 april 2010. In die bezwaarprocedure heeft zij niet gesteld dat de stopzetting van de KOT per 1 januari 2010 onterecht was toegepast, noch aannemelijk gemaakt dat de melding niet van haar afkomstig was.

Daarnaast blijkt uit de onderliggende stukken dat belanghebbende op 11 januari 2011 aan B/T heeft doorgegeven dat de KOT per 31 december 2010 moest worden stopgezet. Dit leidde tot een aanpassing van het voorschot over toeslagjaar 2010. Op 24 maart 2011 heeft belanghebbende opnieuw telefonisch aan B/T gemeld dat de KOT per 1 januari 2011 moest worden stopgezet. De Commissie neemt daarbij in overweging dat belanghebbende tegen de beschikkingen van 14 en 24 juni 2011, waarin deze stopzetting werd verwerkt, geen bezwaar heeft gemaakt. De enkele stelling dat zij deze meldingen niet heeft gedaan, is in deze bezwaarprocedure niet aannemelijk geworden.

Gelet op het bovenstaande treffen deze bezwaargronden geen doel.

Verlaging van de KOT in toeslagjaar 2013

Belanghebbende stelt dat zij de hoogte van de KOT voor toeslagjaar 2013 niet heeft kunnen toetsen op juistheid en voert aan dat de verlaging ervan is gebaseerd op gegevens uit de KOI-viewer. UHT benadrukt daarentegen dat de verlaging het gevolg is van een door belanghebbende zelf doorgegeven wijziging in het aantal opvanguren per maand, van 64 naar 6.

De Commissie maakt uit de onderliggende stukken op dat het voorschot KOT met de beschikking van 21 september 2013 is vastgesteld op € 1.314, op basis van 59 uur per maand buitenschoolse opvang bij [naam], in samenwerking met [naam]. Op 25 september 2013 heeft belanghebbende aan B/T doorgegeven dat de buitenschoolse opvang vanaf 1 november 2013 werd aangepast naar 6 uur per maand. Als gevolg daarvan is het voorschot KOT verlaagd naar € 820.

De Commissie ziet in de stukken geen aanwijzing dat de verlaging van de KOT is gebaseerd op gegevens uit de KOI-viewer. Deze bezwaargrond treft dan ook geen doel.

Proceskostenvergoeding

Nu de Commissie niet adviseert het primaire besluit te herroepen, is er geen aanleiding een vergoeding van de proceskosten toe te kennen.

Conclusie

Samengevat adviseert de Commissie om het bezwaar ongegrond te verklaren en het verzoek om een proceskostenvergoeding af te wijzen.

Secretaris

Fungerend voorzitter