BAC 2023-13614
Publicatiedatum 06-08-2026
Advies van de Bezwaarschriftenadviescommissie hersteloperatie toeslagen
Aan: Belastingdienst/Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen (hierna: UHT)
Betreft: het bezwaarschrift van belanghebbende
Primair besluit: 8 juni 2023 met kenmerk UHT-DCH
Hoorzitting: 12 februari 2026 om 10:00 uur
Overdracht advies aan UHT: 7 juni 2026
Samenvatting
De Bezwaarschriftenadviescommissie (hierna: de Commissie) adviseert UHT om het bezwaar ongegrond te verklaren.
Onderwerp van advies
Het door gemachtigde namens belanghebbende ingediende bezwaarschrift is gericht tegen de door UHT genomen definitieve beschikking compensatie kinderopvangtoeslag van 8 juni 2023 met kenmerk UHT-DCH.
Aan belanghebbende is met toepassing van de Wet hersteloperatie toeslagen (hierna: Wht) compensatie toegekend voor een bedrag van € 46.623 voor de toeslagjaren 2008, 2009, 2010, 2013 en 2014.
Procesverloop
- Belanghebbende heeft op 6 april 2021 verzocht om een herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag (hierna: KOT) over de toeslagjaren 2008, 2009, 2010, 2011, 2012, 2013, 2014, 2015, 2016, 2017, 2018 en 2019.
- De Commissie van Wijzen (hierna: CvW) heeft haar beoordeling van het verzoek van belanghebbende op 11 november 2022 aan UHT toegestuurd. CvW heeft geadviseerd dat de compensatieregeling niet van toepassing is voor de toeslagjaren 2012 en 2015 tot en met 2019 .
- In haar vooraankondiging van 21 februari 2023 met kenmerk UHT-VCH heeft UHT aan belanghebbende medegedeeld dat zij over de jaren 2008, 2009, 2010, 2013 en 2014 recht heeft op compensatie ter hoogte van, voorlopig, € 46.155 en over de jaren 2011, 2012 en 2015 t/m 2019 geen recht heeft op compensatie.
- Op 31 maart 2023 heeft gemachtigde namens belanghebbende een zienswijze ingediend.
- Bij beschikking van 8 juni 2023 met kenmerk UHT-DCH heeft UHT definitief aan belanghebbende compensatie toegekend voor een bedrag van € 46.623 over de toeslagjaren 2008 tot en met 2010, 2013 en 2014 en geen compensatie over de jaren 2011, 2012, en 2015 t/m 2019.
- Gemachtigde heeft bij brief van 25 juni 2023 tegen de beschikking van 8 juni 2023 met kenmerk UHT-DCH bezwaar gemaakt.
- Gemachtigde heeft bij brief van 4 oktober 2024 het bezwaarschrift aangevuld.
- Gemachtigde heeft bij brief van 9 februari 2026 het bezwaarschrift nogmaals aangevuld.
- UHT heeft op 27 februari 2025 schriftelijk gereageerd op het bezwaarschrift.
- UHT heeft op 11 februari 2026 schriftelijk gereageerd op de aanvullende gronden.
- Op 12 februari 2026 heeft een hoorzitting plaatsgevonden. Van de hoorzitting is een verslag gemaakt, dat achter het advies is gevoegd.
- Dit advies wordt uitgebracht door de voorzitter en twee commissieleden.
Ontvankelijkheid
Niet in geschil is dat het bezwaarschrift ontvankelijk is.
Overwegingen ten aanzien van de bezwaren en het bestreden besluit
Zienswijze
Belanghebbende stelt dat UHT niet op de ingediende zienswijze heeft gereageerd. De Commissie stelt vast dat in de in het bezwaardossier opgenomen ‘Bijlage antwoord op vragen zienswijze’ door UHT op de zienswijze van de belang-hebbende inhoudelijk is geantwoord.
Dossier
Belanghebbende voert in bezwaar aan dat zij niet de beschikking heeft over de volledige informatie, omdat zij niet de beschikking heeft over haar persoonlijk dossier en/of het volledige bezwaardossier. De Commissie overweegt hierover het volgende.
De Commissie is een onafhankelijke bezwaarschriftenadviescommissie in de zin van artikel 7:13 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb). Voor de procedure bij de Commissie gelden de procedurele waarborgen van de Awb en tegen beslissingen op bezwaar van UHT, zoals volgen op de adviezen van de Commissie, kan een belanghebbende rechtsmiddelen instellen bij de rechter.
Op grond van artikel 7:4 lid 2 Awb en artikel 5.2 leden 3 en 4 Wht heeft een belanghebbende voorafgaand aan de hoorzitting bij de Commissie recht op afschriften van de op de zaak betrekking hebbende stukken. Het verweerschrift van UHT met de bijbehorende producties is op 2 september 2024 en 10 februari 2026 naar gemachtigde gestuurd. Hierdoor hebben gemachtigde en belang-hebbende kennis kunnen nemen van de stukken die ten grondslag liggen aan het bestreden besluit. De Commissie is van oordeel dat het niet hebben van het persoonlijk dossier belanghebbende niet in de weg staat om op basis van het bezwaardossier inzicht te krijgen in hoe het compensatiebedrag tot stand is gekomen. Uit de stellingname van belanghebbende en UHT volgt niet dat in het bezwaardossier nog specifieke stukken zouden ontbreken die van enig belang zouden kunnen zijn geweest bij het door UHT genomen besluit. Naar het oordeel van de Commissie is daarmee in voldoende mate invulling gegeven aan de procedurele waarborgen van de Awb. .
Toeslagjaar 2011
De Commissie constateert dat uit de voorhanden zijnde gegevens niet is gebleken van neerwaartse correcties in de KOT over het toeslagjaar 2011. Het is dus niet aannemelijk dat belanghebbende over dit toeslagjaar schade heeft geleden ten gevolge van het handelen van de Belastingdienst/Toeslagen (hierna: B/T), die op grond van de Wht tot compensatie kan leiden. Voorts blijkt dat de opvangkosten op een hoger niveau lagen dan het aan de kinderopvanginstelling (hierna: KOI) betaalde. Op grond van de ‘KOT naar KOI-regeling’ is dan geen sprake van een bijzondere omstandigheid die aanleiding geeft tot compensatie op grond van hardheid. De Commissie adviseert het bezwaar op dit onderdeel ongegrond te verklaren.
Toeslagjaar 2012
De Commissie heeft geen aanknopingspunten kunnen vinden om te adviseren dat B/T bij de toekenning, aanpassing of terugvordering van de KOT voor toeslagjaar 2012 institutioneel vooringenomen heeft gehandeld of dat het stelsel te hard heeft uitgewerkt.
Ten aanzien van het toeslagjaar 2012 hebben er twee neerwaartse correcties plaatsgevonden. De eerste neerwaartse correctie was het gevolg van een wijziging in het aantal opvanguren van 143 uur naar 121 uur. De tweede neerwaartse correctie was het gevolg van een wijziging in het aantal opvanguren van 121 uur naar 75 uur. Dit heeft B/T gedaan naar aanleiding van gegevens die B/T heeft doorgekregen van de KOI. De bijstelling is in overeenstemming met de wet uitgevoerd. Voorts blijkt dat de opvangkosten op een hoger niveau lagen dan het aan de KOI betaalde. Op grond van de ‘KOT naar KOI-regeling’ is dan geen sprake van een bijzondere omstandigheid die aanleiding geeft tot compensatie op grond van hardheid. De Commissie adviseert het bezwaar op dit onderdeel ongegrond te verklaren.
Toeslagjaar 2015
De Commissie heeft geen aanknopingspunten kunnen vinden om te adviseren dat B/T bij de toekenning, aanpassing of terugvordering van de KOT voor toeslagjaar 2015 institutioneel vooringenomen heeft gehandeld of dat het stelsel te hard heeft uitgewerkt.
Ten aanzien van het toeslagjaar 2015 hebben er twee neerwaartse correcties plaatsgevonden. De eerste neerwaartse correctie was het gevolg van een wijziging in het aantal opvanguren van 71 uur naar 47 uur. De tweede neerwaartse correctie was het gevolg van een stopzetting van de KOT door B/T. B/T heeft de KOT stopgezet omdat belanghebbende niet had aangetoond dat zij voldeed aan de voorwaarden voor KOT. De bijstelling is in overeenstemming met de wet uitgevoerd. Voorts blijkt dat de opvangkosten op een hoger niveau lagen dan het aan de KOI betaalde. Op grond van de ‘KOT naar KOI-regeling’ is dan geen sprake van een bijzondere omstandigheid die aanleiding geeft tot compensatie op grond van hardheid. De Commissie adviseert het bezwaar op dit onderdeel ongegrond te verklaren.
Toeslagjaar 2016
De Commissie heeft geen aanknopingspunten kunnen vinden om te adviseren dat de B/T bij de toekenning, aanpassing of terugvordering van de KOT voor toeslagjaar 2016 institutioneel vooringenomen heeft gehandeld of dat het stelsel te hard heeft uitgewerkt.
Ten aanzien van het toeslagjaar 2016 hebben er vier neerwaartse correcties plaatsgevonden. De eerste neerwaartse correctie was het gevolg van een wijziging in het toetsingsinkomen van € 23.000 naar € 53.584. B/T heeft het inkomen van de huiseigenaresse meegerekend omdat zij volgens B/T op dat moment een toeslagpartner was. De huiseigenaresse stond op hetzelfde adres als belanghebbende ingeschreven. De tweede neerwaartse correctie was het gevolg van een wijziging van het aantal opvanguren van 47 uur naar 33 uur. De derde neerwaartse correctie was het gevolg van een wijziging van de periode waarover belanghebbende een gezamenlijk toetsingsinkomen had van € 53.584. De periode is gewijzigd van 1 januari 2016 tot en met 29 februari 2016 naar 1 januari 2016 tot en met 31 mei 2016. De vierde neerwaartse correctie was het gevolg van een verhoging van het gezamenlijk toetsingsinkomen van € 23.000 naar € 70.305.
De verhoging is door B/T doorgevoerd omdat belanghebbende vanaf 1 juni 2016 een andere toeslagpartner had.
De bijstellingen zijn in overeenstemming met de wet uitgevoerd. Voorts blijkt dat de opvangkosten op een hoger niveau lagen dan het aan de KOI betaalde.
Op grond van de ‘KOT naar KOI-regeling’ is dan geen sprake van een bijzondere omstandigheid die aanleiding geeft tot compensatie op grond van hardheid. B/T heeft gezien de omstandigheden van het geval het inkomen van de huis-eigenaresse mogen meenemen, zie ECLI:NL:RBDHA:2015:594. De Commissie adviseert het bezwaar op dit onderdeel ongegrond te verklaren.
Toeslagjaar 2017
Ten aanzien van toeslagjaar 2017 hebben er twee neerwaartse correcties plaatsgevonden. De eerste neerwaartse correctie was het gevolg van een wijziging in het toetsingsinkomen van € 38.625 naar € 56.695. B/T heeft in dit toeslagjaar het inkomen van de toeslagpartner meegerekend. De tweede neerwaartse correctie was het gevolg van een wijziging van het toetsingsinkomen. B/T heeft op 6 april 2022 de KOT gewijzigd van € 1.902 naar € 1.708. Deze laatste wijziging dateert van na 23 oktober 2019 en vloeit niet voort uit een onrechtmatig handelen of nalaten van vóór deze datum. Dee laatste wijziging is daarom in de visie van de Commissie terecht door UHT in de beoordeling niet meer meegenomen.
De bijstellingen zijn in overeenstemming met de wet uitgevoerd. Dergelijke bijstellingen geven in beginsel ook geen aanspraak op een zogenoemde hardheidstegemoetkoming.
B/T heeft terecht het inkomen van de toeslagpartner meegenomen, zie ECLI:NL:RBDHA:2015:594. Er is daarom geen sprake van een bijzondere omstandigheid voor hardheid. De Commissie heeft geen aanknopingspunten gevonden om hierover in het geval van belanghebbende anders te oordelen.
De Commissie adviseert het bezwaar op dit onderdeel ongegrond te verklaren.
Toeslagjaar 2018
Ten aanzien van toeslagjaar 2018 hebben er twee neerwaartse correcties plaatsgevonden. De eerste neerwaartse correctie was het gevolg van de stopzetting van de KOT per 1 februari 2018. De tweede neerwaartse correctie is het gevolg van een stijging van het gezamenlijke toetsingsinkomen. De KOT is op
6 april 2022 gewijzigd van € 908 naar € 882. Deze laatste wijziging dateert van na 23 oktober 2019 en is daarom terecht in de beoordeling niet meegenomen.
De bijstellingen zijn in overeenstemming met de wet uitgevoerd. Voorts blijkt dat de opvangkosten op een hoger niveau lagen dan het aan de KOI betaalde.
Op grond van de ‘KOT naar KOI-regeling’ is dan geen sprake van een bijzondere omstandigheid die aanleiding geeft tot compensatie op grond van hardheid.
De Commissie adviseert het bezwaar op dit onderdeel ongegrond te verklaren.
Toeslagjaar 2019
Ten aanzien van toeslagjaar 2019 hebben er twee neerwaartse correcties plaatsgevonden. De eerste neerwaartse correctie was het gevolg van stijging van het toetsingsinkomen. De tweede neerwaartse correctie is het gevolg van de stopzetting van de KOT door B/T. De KOT is op 3 mei 2021 gewijzigd van € 1.722 naar € 482. Deze laatste wijziging dateert van na 23 oktober 2019 en is daarom terecht in de beoordeling niet meegenomen.
De bijstellingen zijn in overeenstemming met de wet uitgevoerd. Dergelijke bijstellingen geven in beginsel ook geen aanspraak op een zogenoemde hardheidstegemoetkoming. De Commissie heeft geen aanknopingspunten gevonden om hierover in het geval van belanghebbende anders te oordelen.
De Commissie adviseert het bezwaar op dit onderdeel ongegrond te verklaren
Uitvraag in 2015
Belanghebbende stelt dat er een opeenstapeling van fouten heeft plaatsgevonden. Ook stelt belanghebbende dat in het toeslagjaar 2015 een uitvraag is gedaan over het inkomen van de toeslagpartner. In de overige toeslagen is er door B/T geen navraag gedaan. Volgens belanghebbende is zij hierdoor in de schulden geraakt omdat de overige toeslagen werden verrekend.
De Commissie onderschrijft het standpunt van UHT dat B/T niet vooringenomen heeft gehandeld. Toen het voor B/T eenmaal vaststond wie de toeslagpartner was, heeft B/T terecht het inkomen van de toeslagpartner in de berekening van de KOT meegenomen. Voor wat betreft de schulden die belanghebbende door toedoen van B/T stelt te hebben, stelt de Commissie dat belanghebbende een verzoek om aanvullende compensatie voor werkelijke schade kan indienen. Deze bezwaar-schriftprocedure heeft alleen betrekking op de toekenning van de standaard vergoedingen. Het bezwaar is op dit punt ongegrond.
Verrekeningen
Belanghebbende voert aan dat zij over de herbeoordeelde toeslagjaren in aanmerking komt voor een compensatie van de schade die zij heeft geleden als gevolg van de verrekeningen van de terugvorderingen met de nadien toegekende toeslagen (waaronder de toegekende KOT). De Commissie overweegt dat deze verrekeningen onderdeel zijn van de uitvoering die aan de KOT is gegeven.
De nu voorliggende procedure heeft alleen betrekking op de toekenning van de standaard vergoedingen en niet op de vergoeding van de werkelijke schade.
Als belanghebbende van mening is dat haar aanvullende compensatie voor de werkelijke schade als gevolg van de verrekeningen toekomt, kan zij een verzoek daartoe indienen. Gelet hierop adviseert de Commissie dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.
FSV-lijst
Belanghebbende stelt dat zij geen toelichting heeft gekregen op het feit dat zij in 2015 op een FSV-lijst stond. De Commissie is van oordeel dat belanghebbende wel een toelichting heeft gekregen over de plaatsing op de FSV-lijst. In de ‘bijlage met antwoord op vragen zienwijze’ is dit door UHT toegelicht.
O/GS
Belanghebbende stelt dat zij geen O/GS beoordeling heeft gehad. De Commissie stelt vast dat UHT de O/GS beoordeling in de definitieve compensatiebeschikking van 8 juni 2023 met het kenmerk UHT-DCH heeft meegenomen. UHT heeft per toeslagjaar toegelicht of sprake is geweest van een (onterechte) O/GS kwalificatie of niet. Uit de beoordeling van UHT is gekomen dat sprake was van een O/GS kwalificatie over de toeslagjaren 2009 en 2010. Over de toeslagjaren 2009 en 2010 volgt echter geen tegemoetkoming omdat belanghebbende al gecompenseerd is op grond van vooringenomenheid. Dit volgt ook uit de artikelen 2.1 lid 5 en artikel 2.6 lid 4 van de Wht. Compensatie, aanvullende compensatie voor de werkelijke schade, een O/GStegemoetkoming en een aanvullende O/G-tegemoetkoming voor de werkelijke schade blijven achterwege voor zover een vergoeding of tegemoet-koming op een ander wijze is uitbetaald. Nu belanghebbende reeds is gecompenseerd op grond van vooringenomenheid, volgt er geen tegemoet-koming. De Commissie adviseert UHT daarom om dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.
Terugvorderingsmoment
Belanghebbende stelt dat in de berekening als eerste terugvorderingsmoment
26 oktober 2010 is gehanteerd en dat zij deze datum niet kan herleiden.
De Commissie overweegt dat UHT is uitgegaan van 26 februari 2010. Dit is de datum van de brief van B/T waarin stond dat belanghebbende de KOT over toeslagjaar 2008 moest terugbetalen. De betreffende brief is in het bezwaardossier opgenomen (productie 1208005). Het bezwaar is op dit punt ongegrond.
Huiseigenaresse als toeslapartner en de jaren 2015 en 2016
In de onderhavige bezwaarprocedure speelt dat in het toeslagjaar 2015 en deels ook in 2016 bij het bepalen van het toetsingsinkomen het inkomen van de huiseigenaresse is meegerekend van de woning waarin belanghebbende verbleef. Uit de stukken blijkt dat de huiseigenaresse op hetzelfde adres stond ingeschreven als belanghebbende. De huiseigenaresse is daarom als toeslagpartner aangemerkt. De Commissie overweegt als volgt.
B/T heeft informatie opgevraagd over de feitelijke situatie en vervolgens gehandeld overeenkomstig de regels die de wetgever voor een dergelijke situatie heeft opgesteld. De Commissie kent betekenis toe aan de omstandigheid dat de eigenaresse van de woning waarin belanghebbende verbleef op het adres van deze woning was ingeschreven, dat er geen gegevens over een huurovereenkomst waren en dat belanghebbende desgevraagd ook aan B/T gegevens over de uitkeringssituatie van de huiseigenaresse heeft aangeleverd.
Voldoende aannemelijk is dat B/T indertijd uit een en ander de conclusie kon en mocht trekken dat de huiseigenaresse viel te beschouwen als toeslagpartner.
De Commissie heeft begrip voor het feit dat het resultaat voor belanghebbende nadelig uitpakte, maar dat laat onverlet dat naar het oordeel van de Commissie B/T niet vooringenomen heeft gehandeld.
De drempel van 1.500 voor hardheid is over 2015 niet gehaald. Over 2016 is de KOT uitbetaald aan de KOI en is er ook verrekend met de bevoorschotting aan de KOI. Voorts blijkt dat de opvangkosten op een hoger niveau lagen dan het aan de KOI betaalde. Op grond van de ‘KOT naar KOI-regeling’ is dan geen sprake van een bijzondere omstandigheid die aanleiding geeft tot compensatie op grond van hardheid. Het bezwaar is op dit punt ongegrond.
Rente en kosten
Belanghebbende stelt dat de rente en kosten in de toeslagjaren 2010 en 2013 niet juist is berekend. De Commissie constateert dat UHT in de aanvullende beschouwing van 11 februari 2026 voldoende heeft toegelicht hoe de rente en kosten zijn opgebouwd. Het bezwaar is op dit punt ongegrond.
Proceskostenvergoeding
Nu de Commissie niet adviseert het primaire besluit te herroepen, is er geen aanleiding een vergoeding van de proceskosten toe te kennen.
Conclusie
Samengevat adviseert de Commissie om het bezwaar ongegrond te verklaren en geen proceskostenvergoeding toe te kennen.
[handtekening]
Secretaris
[handtekening]
Fungerend voorzitter