BAC 2023-13582
Publicatiedatum 22-07-2026
Advies van de Bezwaarschriftenadviescommissie hersteloperatie toeslagen
Aan: Belastingdienst/Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen (hierna: UHT)
Betreft: het bezwaarschrift van belanghebbende
Primair besluit: 6 juni 2023 (UHT-DCHA)
Hoorzitting: 27 november 2025 om 13:15 uur
Overdracht advies aan UHT: 30 januari 2026
Samenvatting
De Bezwaarschriftenadviescommissie (hierna: de Commissie) adviseert UHT om het bezwaar ongegrond te verklaren, het bestreden besluit in stand te laten en het verzoek tot toekenning van een proceskostenvergoeding af te wijzen.
Onderwerp van advies
Het door belanghebbende ingediende bezwaarschrift is gericht tegen de door UHT genomen definitieve beschikking compensatie kinderopvangtoeslag.
Aan belanghebbende is met toepassing van de Wet hersteloperatie toeslagen (hierna: Wht) geen compensatie toegekend voor de jaren 2011 en 2012.
Procesverloop
- Belanghebbende heeft op 21 januari 2021 verzocht om een herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag (hierna: KOT) over de jaren 2011 en 2012.
- De Commissie van Wijzen (hierna: CvW) heeft op 24 april 2023 aan UHT geadviseerd dat gedurende de betrokken jaren geen sprake is geweest van institutionele vooringenomenheid of bijzondere omstandigheden.
- UHT heeft bij bestreden beschikking aan belanghebbende medegedeeld dat zij geen recht heeft op compensatie voor de jaren 2011 en 2012.
- Belanghebbende heeft bij brief van 19 juni 2023 tegen deze beschikking bezwaar gemaakt.
- [Naam] heeft zich tijdens de bezwaarprocedure gesteld als gemachtigde van belanghebbende. Zij wordt hierna als gemachtigde aangeduid.
- Gemachtigde heeft bij brief van 11 december 2024 het bezwaarschrift aangevuld.
- UHT heeft op 5 maart 2025 schriftelijk gereageerd op het bezwaarschrift.
- Op 27 november 2025 heeft een hoorzitting plaatsgevonden. Van de hoorzitting is een verslag gemaakt, dat achter dit advies is gevoegd.
- Tijdens de hoorzitting is met UHT afgesproken dat er nog een aanvullende beschouwing zou worden ingediend. Ondanks een aantal herinneringen, is UHT deze afspraak niet nagekomen.
- Dit advies wordt uitgebracht door de voorzitter, eerste commissielid en tweede commissielid.
Ontvankelijkheid
Niet in geschil is dat het bezwaar ontvankelijk is.
Overwegingen ten aanzien van de bezwaren en het bestreden besluit
De Commissie ziet zich gesteld voor de vraag of UHT terecht en op goede gronden is gekomen tot haar beslissing om het verzoek van belanghebbende om compensatie of tegemoetkoming af te wijzen.
Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat ten onrechte geen compensatie is toegekend voor de jaren 2011 en 2012.
Zij voert aan dat in de periode van 30 juni 2011 tot 1 september 2011 wel degelijk kinderopvang heeft plaatsgevonden, aangezien zowel zij als haar partner in die tijd werkzaam waren. Daarnaast merkt zij op dat het aantal opgegeven opvanguren voor 2011 niet correct is weergegeven en dat het bedrag dat zij in juni 2011 aan de kinderopvanginstelling heeft moeten voldoen buitensporig hoog is voor de opvang van één kind. Tot slot betoogt belanghebbende dat de KOT voor de toeslagjaren 2011 en 2012 niet door haarzelf is stopgezet.
De Commissie heeft geen aanknopingspunten kunnen vinden om te adviseren dat de Belastingdienst/Toeslagen (hierna: B/T) bij de toekenning, aanpassing of terugvordering van de KOT voor de toeslagjaren 2011 en 2012 institutioneel vooringenomen heeft gehandeld of dat het stelsel te hard heeft uitgewerkt.
Uit het bezwaardossier blijkt dat de definitieve berekening van de KOT over het toeslagjaar 2011 is vastgesteld op basis van de door belanghebbende zelf verstrekte gegevens, waaronder de bij het antwoordformulier van april 2012 overgelegde jaaropgave van de kinderopvanginstelling. Hieruit volgde dat belanghebbende uitsluitend opvang had afgenomen in de periode van september tot en met december 2011.
Op 1 mei 2014 heeft belanghebbende vervolgens bezwaar ingediend en daarbij aanvullende bewijsstukken overgelegd, waaronder bankafschriften. Uit deze bankafschriften bleek dat ook in de maanden maart tot en met juni 2011 kinderopvang was afgenomen. Het bezwaar is daarop gegrond verklaard en de hoogte van de KOT is aangepast. Belanghebbende heeft echter noch bij het antwoordformulier, noch bij het ingediende bezwaar stukken overgelegd waaruit kan worden afgeleid dat in de periode van 30 juni 2011 tot 1 september 2011 eveneens kinderopvang heeft plaatsgevonden.
Wat betreft de opvanguren blijkt dat de B/T destijds het aantal uren heeft overgenomen uit de door belanghebbende overgelegde jaaropgaven van zowel [naam gastouderbureau] als [naam gastouderbureau]. Dit wordt bevestigd in het SAS-overzicht, waarin staat dat het aantal opvanguren in de periode april tot en met juni in totaal 423 bedroeg (423 uur / 3 maanden is gemiddeld 142 opvanguren per maand) en in de periode september tot en met december 449 (449 uur / 4 maanden = gemiddeld 113 opvanguren per maand, afgerond). De hoogte van de KOT is derhalve berekend op basis van de juiste gegevens.
Belanghebbende heeft verwezen naar de informatie uit de “Tijdlijn lasten kinderopvang 2011”, waaruit volgens haar blijkt dat de kinderopvang onafgebroken heeft doorgelopen van maart tot en met september 2011. De Commissie merkt op dat dit overzicht — anders dan de KOI-viewer — geen informatie geeft over de periode(n) tussen maart en september 2001 waarin daadwerkelijk opvang is genoten. Zoals ook wordt toegelicht in de “Uitleg over de verschillende onderdelen” op bladzijde 7 van het bezwaardossier, geeft de tijdlijn de aangevraagde en toegekende KOT in die periode weer. Dit betekent dat hieruit niet kan worden afgeleid dat de opvang onafgebroken heeft plaatsgevonden van maart tot en met september 2011. Zoals reeds hiervoor is overwogen, blijkt uit de door belanghebbende zelf overgelegde stukken dat de opvang daadwerkelijk heeft plaatsgevonden in de periode van april tot en met juni en van september tot en met december 2011.
Belanghebbende stelt dat zij noch in 2011 (per 7 november 2011) noch in 2012 (per 1 september 2012) de KOT heeft stopgezet.
Wat betreft de stopzetting in 2011, die volgens het zich in het dossier bevindende XML-bestand is gedaan door iemand met “leverancierscode” WBKV, heeft belanghebbende verzocht die code toe te lichten. UHT is de ter gelegenheid van de hoorzitting gemaakte afspraak dat zij die toelichting zou geven niet nagekomen. De Commissie betreurt dat en verzoekt UHT in de Beslissing op bezwaar de gevraagde toelichting alsnog te geven. Voor de behandeling van het bezwaar is niet van belang wie de KOT per 7 november 2011 heeft stopgezet omdat die stopzetting kort nadien ongedaan is gemaakt.
Belanghebbende heeft, zoals reeds is overwogen, van 1 september tot en met 31 december 2011 onafgebroken KOT ontvangen.
Voor 2012 blijkt uit de melding van 23 juli 2012 (pagina 307 van het bezwaardossier) dat de stopzetting per 1 september 2012 is doorgevoerd door de toeslagpartner van belanghebbende. Een stopzetting door de toeslagpartner was destijds toegestaan en werd door B/T aangemerkt als een wijziging namens het gezamenlijke huishouden.
Daarbij merkt de Commissie op dat uit de door belanghebbende overgelegde jaaropgave blijkt dat in 2012 kinderopvang heeft plaatsgevonden tot en met juni. In de periode daarna is geen opvang afgenomen. De stopzetting per 1 september 2012 sluit daarmee aan bij de feitelijke situatie en is voor de beoordeling van het recht op KOT over 2012 niet doorslaggevend.
Tot slot merkt de Commissie op dat zij zich niet kan uitlaten over de hoogte van de door de kinderopvanginstelling gehanteerde tarieven, aangezien dit buiten de verantwoordelijkheid van de UHT valt. De vraag of een door belanghebbende betaald bedrag als “buitensporig” hoog moet worden aangemerkt, valt derhalve buiten de reikwijdte van dit advies.
De terugvorderingen KOT over de toeslagjaren 2011 en 2012 waren gebaseerd op de vaststelling dat er te hoge voorschotten waren toegekend. Die voorschotten zijn ten gevolge van reguliere wijzigingen opnieuw berekend en bijgesteld Deze bijstellingen zijn in overeenstemming met de wet uitgevoerd. Dergelijke bijstellingen geven in beginsel ook geen aanspraak op een zogenoemde hardheidstegemoetkoming. De Commissie heeft geen aanknopingspunten gevonden om hierover in het geval van belanghebbende anders te oordelen. Er was ook geen onterechte kwalificatie O/GS, zodat er ook geen aanspraak is op een daarop gebaseerde tegemoetkoming. De Commissie adviseert UHT daarom om dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.
Belanghebbende heeft verzocht om een proceskostenveroordeling toe te kennen conform het Besluit proceskosten bestuursrecht. Aangezien het bezwaar naar het oordeel van de Commissie ongegrond is en de bestreden beslissing in stand kan blijven, adviseert de Commissie om belanghebbende geen proceskosten toe te kennen.
Conclusie
Samengevat adviseert de Commissie om het bezwaar ongegrond te verklaren, het bestreden besluit in stand te laten en het verzoek tot toekenning van een proceskostenvergoeding af te wijzen.
[handtekening]
Secretaris
[handtekening]
Fungerend voorzitter