Ga direct naar de inhoud Ga direct naar de filters Ga direct naar de footer

BAC 2023-13573

Advies van de Bezwaarschriftenadviescommissie hersteloperatie toeslagen

Aan: Belastingdienst/Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen (hierna: UHT)

Betreft: het bezwaarschrift van belanghebbende

Primair besluit: 19 april 2023 (UHT-DCHA)

Hoorzitting: 18 juni 2025

Overdracht advies aan UHT: 24 september 2025

Samenvatting

De Bezwaarschriftenadviescommissie (hierna: de Commissie) adviseert UHT om het bezwaar ongegrond te verklaren.

Onderwerp van advies

Het door gemachtigde namens belanghebbende ingediende bezwaarschrift is gericht tegen de door UHT genomen definitieve beschikking beoordeling kinderopvangtoeslag.

Aan belanghebbende is met toepassing van de Wet hersteloperatie toeslagen (hierna: Wht) geen compensatie toegekend voor de jaren 2005 tot en met 2019.

Procesverloop

  • Belanghebbende heeft op 22 september 2021 verzocht om een herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag (hierna: KOT).
  • UHT heeft bij beschikking van 11 mei 2022 aan belanghebbende medegedeeld dat zij niet in aanmerking komt voor een betaling van €30.000,-.
  • De Commissie van Wijzen (hierna: CvW) heeft haar beoordeling van het verzoek van belanghebbende op 4 april 2023 aan UHT toegestuurd. De CvW heeft geadviseerd dat voor alle jaren waarop de Wht van toepassing is geen aanleiding bestaat voor toepassing van een herstelregeling.
  • UHT heeft bij bestreden beschikking aan belanghebbende medegedeeld dat zij geen recht heeft op compensatie voor de jaren 2005 tot en met 2019.
  • Gemachtigde heeft bij brief van 31 mei 2023, ingekomen op dezelfde datum, tegen deze beschikking een bezwaarschrift ingediend.
  • Gemachtigde heeft bij brief van 27 juni 2023 het bezwaarschrift aangevuld.
  • UHT heeft op 26 augustus 2024 schriftelijk gereageerd op het bezwaarschrift.
  • Op 18 juni 2025 heeft een hoorzitting plaatsgevonden. Van de hoorzitting is een verslag gemaakt, dat achter het advies is gevoegd.
  • Gemachtigde heeft op 25 juni 2025 een aanvullend bezwaarschrift en aanvullende stukken ingediend. UHT heeft daar op 24 juli 2025 op gereageerd.
  • De Commissie heeft op 29 juli 2025 aanvullende vragen gesteld aan UHT. UHT heeft daar op 21 augustus 2025 op gereageerd.
  • De Commissie heeft partijen op 25 augustus 2025 bericht dat zij over zal gaan tot adviseren.
  • Dit advies wordt uitgebracht door de voorzitter, eerste commissielid, tweede commissielid.

Ontvankelijkheid en algemene opmerkingen

Niet in geschil is dat het bezwaarschrift ontvankelijk is.

Overwegingen ten aanzien van de bezwaren en het bestreden besluit

De Commissie ziet zich gesteld voor de vraag of UHT terecht en op goede gronden is gekomen tot haar beslissing om het verzoek van belanghebbende om compensatie of tegemoetkoming af te wijzen.

Kinderopvangtoeslag niet aangevraagd

Op grond van artikel 2.1 lid 1 van de Wht kan aan een aanvrager van KOT compensatie worden toegekend als die aanvrager schade heeft geleden doordat de Belastingdienst/Toeslagen (B/T) institutioneel vooringenomen heeft gehandeld of als de hardheid van de toepassing van de wetten en regels heeft geleid tot onbillijkheden van overwegende aard.

De Commissie constateert dat uit de op de zaak betrekking hebbende stukken, waaronder de systemen van B/T, niet blijkt dat belanghebbende KOT heeft aangevraagd bij B/T. Er zijn geen aanvragen gevonden, noch relevante (telefoon)notities of andere documenten die wijzen op een aanvraag. Belanghebbende heeft daar onvoldoende tegenovergesteld. De Commissie wijst in dit kader op de uitspraak van rechtbank Rotterdam van 25 september 2024, ECLI:NL:RBROT:2024:9426. Uit die uitspraak volgt dat de “bewijslast” voor het recht op compensatie bij de aanvrager van de compensatie ligt. De enkele stelling dat KOT is aangevraagd is onvoldoende; belanghebbende moet aannemelijk maken dat KOT is aangevraagd.

Aannemelijk maken betekent dat belanghebbende aan de hand van verklaringen en stukken aannemelijk moet maken dat zijn of haar stellingen juist zijn. Dit betekent niet dat van belanghebbende wordt gevergd alle ingenomen stellingen te bewijzen met objectief verifieerbare bewijsstukken, maar wel dat de stellingen van belanghebbende worden ondersteund door of passen bij de overige beschikbare informatie. De Commissie stelt vast dat belanghebbende daarvoor onvoldoende heeft aangevoerd en daarom niet aannemelijk heeft gemaakt dat er aanvragen voor KOT zijn gedaan. Verder volgt uit de op de zaak betrekking hebbende stukken niet dat belanghebbende ooit KOT heeft aangevraagd, aan belanghebbende ooit KOT is toekend of dat KOT van belanghebbende is teruggevorderd of is verrekend met andere toeslagen. Belanghebbende heeft daarom geen recht op toepassing van een herstelmaatregel als bedoeld in de Wht.

Toeslagpartnerschap en vermeende identiteitsfraude

Uit de aanwezige stukken kan worden afgeleid dat belanghebbende gedurende toeslagjaren 2013, 2014, 2015 de toeslagpartner was van [naam]. Belanghebbende heeft verklaard dat deze persoon haar onbekend is. [Naam] was aanvrager van KOT voor diens eigen kind, zo volgt uit de nadere toelichting van UHT op dit punt. Het is onduidelijk gebleven of deze persoon de rechtmatige toeslagpartner was van belanghebbende. Maar dat is verder in deze procedure niet van belang omdat belanghebbende zelf niet de aanvrager was van KOT.

Het dossier bevat verder een KOI-viewer van 2019 met gegevens die doorgegeven zijn door kinderopvanginstelling BSO over de opvang van het achtste kind van belanghebbende (productie 41). In dit stuk wordt het BSN van belanghebbende vermeld met daarachter [naam]. Belanghebbende heeft verklaard dat mevrouw de partner was van haar ex-partner en dat zij nooit haar BSN met mevrouw heeft gedeeld.

Het is voor de Commissie niet duidelijk geworden op welke manier het BSN van belanghebbende door de kinderopvanginstelling in verband is gebracht met de partner van haar ex-partner. Zoals hierboven uiteengezet is niet aannemelijk geworden dat B/T voor enig toeslagjaar een KOT-aanvraag van of namens belanghebbende heeft ontvangen en daarop heeft beslist, dus ook niet voor toeslagjaar 2019. Indien en voor zover belanghebbende op enige wijze benadeeld is door een fraudeleuze handeling van de partner van haar ex-partner, kan dit daarom niet tot compensatie op grond van de Wht leiden.

De Commissie begrijpt dat het onbevredigend is voor belanghebbende dat over bovengenoemde kwesties onduidelijkheid is blijven bestaan. Gelet op het kader van de Wht geven deze kwesties echter geen aanknopingspunt om in dit bezwaar tot een andere uitkomst te adviseren.

Proceskostenvergoeding

Het bezwaar is naar opvatting van de Commissie ongegrond. Er is geen aanleiding voor herroeping van de bij bezwaar bestreden beschikking. De Commissie ziet, gelet op het bepaalde in artikel 7:15 lid 2 Awb, geen aanleiding om UHT te adviseren een proceskostenvergoeding toe te kennen.

Conclusie

Samengevat adviseert de Commissie om het bezwaar ongegrond te verklaren.

Secretaris

Fungerend voorzitter