Ga direct naar de inhoud Ga direct naar de filters Ga direct naar de footer

BAC 2023-13572

Advies van de Bezwaarschriftenadviescommissie hersteloperatie toeslagen

Aan: Belastingdienst/Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen (hierna: UHT)

Betreft: het bezwaarschrift van belanghebbende

Primair besluit: 6 juni 2023 (UHT-DCHA en UHT-O OGS B)

Hoorzitting: 28 mei 2025

Overdracht advies aan UHT: 26 juni 2025

Samenvatting

De Bezwaarschriftenadviescommissie (hierna: de Commissie) adviseert UHT om het bezwaar ongegrond te verklaren.

Onderwerp van advies

Het door gemachtigde namens belanghebbende ingediende bezwaarschrift is gericht tegen de door UHT genomen definitieve beschikkingen compensatie kinderopvangtoeslag.

Aan belanghebbende is met toepassing van de Wet hersteloperatie toeslagen (hierna: Wht) een O/GS-tegemoetkoming toegekend voor een bedrag van €3.177,- voor het jaar 2017 en geen compensatie op grond van vooringenomen handelen of hardheid toegekend voor de jaren 2015 tot en met 2019.

Procesverloop

  • Belanghebbende heeft op 19 januari 2021 verzocht om een herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag (hierna: KOT). UHT heeft de jaren 2015 tot en met 2019 betrokken in de herbeoordeling.
  • UHT heeft bij beschikking van 1 april 2021 aan belanghebbende medegedeeld dat zij in aanmerking komt voor een betaling van € 30.000,-.
  • De Commissie van Wijzen (hierna: CvW) heeft haar beoordeling van het verzoek van belanghebbende op 5 april 2023 aan UHT toegestuurd. De CvW heeft geadviseerd dat gedurende de jaren 2015 tot en met 2019 geen sprake is geweest van institutionele vooringenomenheid of bijzondere omstandigheden.
  • UHT heeft bij de bestreden beschikking met kenmerk UHT-DCHA aan belanghebbende geen compensatie toegekend voor de jaren 2015 tot en met 2019.
  • UHT heeft bij de bestreden beschikking met kenmerk UHT-O OGS B aan belanghebbende een O/GS-tegemoetkoming toegekend voor het jaar 2017.
  • Gemachtigde heeft bij brief van 31 mei 2013 tegen deze beschikkingen een bezwaarschrift ingediend.
  • Gemachtigde heeft bij brieven van 28 februari 2024 en 5 mei 2025 het bezwaarschrift aangevuld.
  • UHT heeft op 6 februari 2025 en op 13 mei 2025 schriftelijk gereageerd op het bezwaarschrift.
  • Op 28 mei 2025 heeft een hoorzitting plaatsgevonden. Van de hoorzitting is een verslag gemaakt, dat achter het advies is gevoegd.
  • Dit advies wordt uitgebracht door de voorzitter, eerste commissielid, tweede commissielid.

Ontvankelijkheid en algemene opmerkingen

Niet in geschil is dat het bezwaarschrift ontvankelijk is.

Overwegingen ten aanzien van de bezwaren en het bestreden besluit

De Commissie stelt voorop dat zij advies uitbrengt over de juistheid van de bestreden beschikkingen. Dat betekent dat de Commissie in dit advies niet ingaat op wat belanghebbende met name in de hoorzitting heeft verteld over haar reeds lang bestaande problemen ter zake haar bedrijfsvoering met de Belastingdienst voorzover deze niet (mede) betrekking heeft op de KOT-problematiek. Evenmin doet dit advies af aan de Beschikking van 1 april 2021, waarin aan belanghebbende in het kader van de hersteloperatie toeslagen een bedrag van €30.000,- is toegekend.

Niet-herbeoordeelde jaren 2013 en 2014

De jaren 2013 en 2014 zijn niet betrokken in de herbeoordeling. In het bestreden besluit is zodoende niet beslist over compensatie over deze jaren. Belanghebbende voert aan dat dit niet correct is. Zij weet zeker dat haar dochter, geboren op 31 oktober 2013, vanaf een paar maanden na haar geboorte naar de opvang is gegaan.

De Commissie overweegt als volgt. Uitgangspunt is dat een verzoek om herbeoordeling als hier aan de orde betrekking heeft op alle jaren vóór 2020 waarin de aanvrager van compensatie KOT heeft aangevraagd, althans waarin de Belastingdienst/Toeslagen (hierna: B/T) een beschikking daarover heeft gegeven, tenzij de aanvrager het verzoek heeft beperkt. In het geval van belanghebbende is gebleken dat er vóór het jaar 2015 geen KOT-aanvragen bekend zijn bij B/T (productie 54). Evenmin zijn door B/T gegeven beschikkingen bekend geworden over jaren voorafgaand aan 2015. Uit het informatie- en beoordelingsformulier volgt dat belanghebbende tijdens de integrale beoordeling in de gelegenheid is gesteld om stukken in te brengen die aanleiding zouden kunnen geven om de jaren 2013 en 2014 alsnog in de herbeoordeling te betrekken. Op de hoorzitting heeft gemachtigde aangegeven dat belanghebbende dergelijke stukken niet heeft kunnen terugvinden.

In dat licht kan niet worden geconcludeerd dat UHT heeft nagelaten om de jaren 2013 en 2014 in de herbeoordeling te betrekken en dat om die reden de bestreden beschikking moet worden herroepen. Nu het oorspronkelijke verzoek en de bestreden beschikking de omvang van de onderhavige bezwaarprocedure bepalen, ziet de Commissie geen aanleiding om deze toeslagjaren (alsnog) in haar advisering te betrekken. Het bezwaar is op dit onderdeel ongegrond.

Afwijzing compensatie voor de jaren 2015, 2017 en 2018 (UHT-DCHA)

Toeslagjaar 2015

Belanghebbende stelt dat zij in aanmerking komt voor compensatie voor toeslagjaar 2015. Zij voert aan dat het feit dat haar reeds voorafgaand aan een toekenning van een voorschot om informatie is gevraagd, getuigt van vooringenomen handelen.

De Commissie overweegt dat het instellen van een (extra) controle of het opvragen van gegevens op zichzelf onvoldoende is om te concluderen dat de B/T vooringenomen heeft gehandeld. Daarvoor is meer nodig. Op basis van de gegevens die belanghebbende naar aanleiding van het verzoek om informatie heeft aangeleverd is navolgbaar dat B/T de KOT niet conform aanvraag per 1 september 2015, maar per 1 oktober 2015 heeft toegekend. Ook daarin ziet de Commissie geen aanknopingspunt voor vooringenomen handelen. Zij adviseert UHT daarom om het bezwaar op dit onderdeel ongegrond te verklaren.

Toeslagjaar 2017

Belanghebbende voert aan dat zij over het hele jaar 2017 opvang heeft afgenomen. Zij bestrijdt de in het dossier aanwezige informatie over de opvangperiode en de periode dat zij een re-integratietraject volgde. De Commissie begrijpt daaruit dat belanghebbende stelt dat B/T bij de neerwaartse beschikking van 4 mei 2018 ten onrechte is uitgegaan van onjuiste dan wel onvolledige informatie, en daarmee vooringenomen jegens belanghebbende heeft gehandeld.

De Commissie heeft geen aanknopingspunt gevonden om te adviseren dat bij de terugvordering van de KOT over toeslagjaar 2017 sprake was van vooringenomen handelen door B/T. Uit een notitie van 12 april 2018 (productie 49) volgt dat B/T de beschikking van 4 mei 2019 heeft gebaseerd op de ingestuurde jaaropgave van de kinderopvanginstelling over het jaar 2017 en brieven van de gemeente waaruit volgde dat belanghebbende in de periode 1 januari tot en met 31 maart en de periode 16 november tot en met 31 december opvang afnam en gedurende die perioden een re-integratietraject volgde (productie 34). De KOI-viewer van 2017 toont eveneens een onderbreking van de opvang in 2017, namelijk tussen 30 maart en 28 november 2017 (productie 60). De Commissie ziet geen aanknopingspunten op basis waarvan B/T destijds had moeten twijfelen aan de juistheid en volledigheid van deze gegevens.

Zodoende is de Commissie van oordeel dat sprake is geweest van een reguliere correctie van de KOT. Zij adviseert UHT om het bezwaar op dit onderdeel ongegrond te verklaren.

Toeslagjaar 2018

Belanghebbende voert aan dat zij recht heeft op compensatie over toeslagjaar 2018, nu UHT bij het bestreden besluit heeft geconstateerd dat sprake is geweest van vooringenomen handelen bij de beschikking van 22 januari 2018, waarin B/T het aantal opvanguren per maand van 187 naar 115 heeft gewijzigd.

UHT heeft geen compensatie toegekend, omdat belanghebbende op 17 februari 2018 zelf ook heeft doorgegeven dat het aantal opvanguren 115 was. Daarmee was volgens UHT sprake van een terechte verlaging van de KOT.

UHT heeft zich in haar beschouwing op het nadere standpunt gesteld dat geen sprake is geweest van een vooringenomen handeling over het jaar 2018 en dat belanghebbende om die reden niet in aanmerking komt voor compensatie over dat jaar. De beschikking van 22 januari 2018 kwam volgens UHT namelijk niet voort uit een ambtshalve verlaging van het aantal opvanguren, maar uit een verlaging door belanghebbende zelf, gedaan op 22 november 2017 (productie 48).

De Commissie is van opvatting dat het standpunt van UHT zoals toegelicht in de beschouwing navolgbaar is: de beschikking van 22 januari 2018 betrof een reguliere correctie nu deze het gevolg was van een door belanghebbende doorgegeven wijziging. Daarbij was geen sprake van vooringenomen handelen door B/T. De Commissie adviseert UHT daarom om de motivering voor de afwijzing van compensatie over het jaar 2018 conform haar beschouwing te verbeteren in de beslissing op bezwaar.

O/GS-tegemoetkoming (UHT-O OGS B)

Aan belanghebbende is een O/GS-tegemoetkoming toegekend over toeslagjaar 2017. Belanghebbende heeft aangevoerd dat aan haar is toegezegd dat zij ook een O/GS-tegemoetkoming zou krijgen over de toeslagjaren 2018 en 2019, nu over die jaren in de bijlage van de beschikking van UHT-DCHA het volgende staat: ‘Er is sprake van een O/GS-kwalificatie over dit toeslagjaar. Er is niet gebleken dat deze terecht was. Daarom is er recht op de O/GS-tegemoetkoming.’ Zij doet in dit kader een beroep op het vertrouwensbeginsel.

In bezwaar heeft UHT zich op het standpunt gesteld dat sprake is van een administratieve fout, omdat uit de systemen volgt dat enkel sprake was van een O/GS-kwalificatie over 2017. Belanghebbende komt om die reden ook enkel een O/GS-tegemoetkoming toe over het jaar 2017, aldus UHT.

De Commissie overweegt dat een O/GS-tegemoetkoming op grond van artikel 2.6 van de Wht in beginsel alleen wordt toegekend wanneer is gebleken van een O/GS-kwalificatie. In het geval van belanghebbende volgt uit de overzichten van producties 47 en 57 dat alleen ten aanzien van de terugvordering over toeslagjaar 2017 sprake was van een O/GS-kwalificatie. Gelet op de LIC-overzichten, en bij gebrek aan andersluidende gegevens, is niet aannemelijk geworden dat belanghebbende ten aanzien van de jaren 2017 en 2018 om een persoonlijke betalingsregeling heeft verzocht en dat dit verzoek door B/T is afgewezen.

De Commissie meent daarom dat sprake is van een kennelijke fout in zowel het informatie- en beoordelingsformulier als in de tekst in de bijlage van de beschikking UHT-DCHA. De tekst van de beschikking zelf bevat deze kennelijke fout niet, nu daarin enkel wordt aangekondigd: ‘u ontvangt over het jaar 2017 apart nog een definitieve beschikking over de tegemoetkoming opzet/grove schuld.’ Die aankondiging komt overeen met de beschikking met kenmerk UHT-O OGS B, waarin alleen voor toeslagjaar 2017 een O/GS-tegemoetkoming is toegekend. De Commissie is daarom van mening dat het beroep op het vertrouwensbeginsel niet slaagt.

De Commissie ziet gelet op het voorgaande geen aanleiding UHT te adviseren om een O/GS-tegemoetkoming toe te kennen voor de jaren 2018 en 2019. Het bezwaar treft geen doel.

Proceskostenvergoeding

Nu de Commissie niet adviseert het primaire besluit te herroepen, is er geen aanleiding een vergoeding van de proceskosten toe te kennen.

Conclusie

Samengevat adviseert de Commissie om het bezwaar ongegrond te verklaren.

Secretaris

Fungerend voorzitter