BAC 2023-13521
Publicatiedatum 04-02-2026
Advies van de Bezwaarschriftenadviescommissie hersteloperatie toeslagen
Aan: Belastingdienst/Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen (hierna: UHT)
Betreft: het bezwaarschrift van belanghebbende
Primair besluit: 12 juni 2023 (UHT-DCHA)
Hoorzitting: 14 april 2025 om 14:15 uur
Overdracht advies aan UHT: 20 mei 2025
Samenvatting
De Bezwaarschriftenadviescommissie (hierna: de Commissie) adviseert UHT om het bezwaar ongegrond te verklaren.
Onderwerp van advies
Het door gemachtigde namens belanghebbende ingediende bezwaarschrift is gericht tegen de door UHT genomen definitieve beschikking compensatie kinderopvangtoeslag (kenmerk UHT-DCHA).
Aan belanghebbende is met toepassing van de Wet hersteloperatie toeslagen (hierna: Wht) afgezien van de toekenning van compensatie voor de jaren 2017 tot en met 2019.
Procesverloop
- Belanghebbende heeft op 11 januari 2021 verzocht om een herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag (hierna: KOT) over de jaren 2009 tot en met 2019 (met uitzondering van 2015). Het Informatie- en beoordelingsformulier vermeldt dat het aantal jaren in overleg met belanghebbende is beperkt tot de jaren 2017 tot en met 2019, omdat er alleen in deze jaren sprake is geweest van KOT.
- UHT heeft bij beschikking van 1 mei 2021 (kenmerk CAP/UCF/21/093 UHT) aan belanghebbende meegedeeld dat zij niet in aanmerking komt voor een betaling van € 30.000, -.
- De Commissie van Wijzen (hierna: CvW) heeft haar beoordeling van het verzoek van belanghebbende op 4 mei 2023 aan UHT toegestuurd. De CvW heeft in haar advies geoordeeld dat de compensatieregeling van artikel 2.1, eerste lid, van de Wht niet van toepassing is voor de betrokken jaren.
- UHT heeft bij de bestreden beschikking aan belanghebbende meegedeeld dat zij geen recht heeft op compensatie voor de jaren 2017 tot en met 2019.
- Gemachtigde heeft bij brief van 7 juni 2023 tegen deze beschikking een bezwaarschrift ingediend.
- Gemachtigde heeft het bezwaarschrift bij brief van 28 februari 2024 aangevuld.
- UHT heeft op 7 oktober 2024 schriftelijk gereageerd op het bezwaarschrift.
- Op 14 april 2025 heeft een hoorzitting plaatsgevonden. Van de hoorzitting is een verslag gemaakt, dat achter het advies is gevoegd.
- Dit advies wordt uitgebracht door de voorzitter, eerste commissielid, tweede commissielid.
Ontvankelijkheid en algemene opmerkingen
Niet in geschil is dat het bezwaarschrift ontvankelijk is.
Overwegingen ten aanzien van de bezwaren en het bestreden besluit
De Commissie beoordeelt in bezwaar de vraag of UHT terecht en op goede gronden is gekomen tot haar beslissing om het verzoek van belanghebbende om compensatie en/of een tegemoetkoming over de jaren 2017 tot en met 2019 af te wijzen.
Inzage in het dossier en niet beoordeelde jaren
Belanghebbende heeft haar aanvankelijke bezwaar over incompleetheid van de stukken ingetrokken. Dat bezwaar kan dus verder onbesproken blijven.
Belanghebbende heeft in bezwaar ook gesteld dat ten onrechte niet alle jaren door UHT zijn beoordeeld. Belanghebbende heeft alsnog verzocht om een herbeoordeling van de jaren 2010 tot en met 2016. Gemachtigde heeft tijdens de hoorzitting laten weten dat belanghebbende zich kan vinden in de doorzending door UHT van het verzoek naar de primaire afdeling en de toezegging van UHT dat de primaire afdeling belanghebbende hierover schriftelijk zal berichten. Ook deze bezwaargrond is hiermee volgens belanghebbende komen te vervallen, zodat de Commissie evenmin aanleiding ziet deze bezwaargrond in dit advies inhoudelijk te bespreken.
Motiveringsbeginsel
Belanghebbende stelt dat de bestreden beschikking onvoldoende gemotiveerd is. Zij kan niet goed begrijpen wat de reden was van de terugvorderingen.
De Commissie stelt vast dat bij de bestreden beschikking een bijlage is opgenomen met daarin een uitleg per jaar. In deze uitleg is voor de jaren 2017 tot en met 2019 per jaar bekeken of belanghebbende in aanmerking komt voor de compensatieregeling, de hardheidsregeling en/of de regeling voor opzet/grove schuld. UHT heeft zich daarbij gebaseerd op de gegevens uit het dossier, waaronder de onderliggende beschikkingen en overige stukken. De Commissie is van oordeel dat UHT de bestreden beschikking hiermee voldoende heeft gemotiveerd. Voor zover UHT haar beoordeling bij het uitbrengen van de bestreden beschikking niet voldoende zou hebben gemotiveerd, is dat gebrek bovendien hersteld door de schriftelijke beschouwing, met daarin een uitgebreide uitleg met behulp van onder meer de overzichten van het Landelijk incassocentrum (hierna: LIC) en overige producties. In de schriftelijke beschouwing is aan belanghebbende bovendien per jaar verduidelijkt wat de reden is geweest van de verlagingen van de KOT en ook tijdens de hoorzitting heeft UHT belanghebbende hierover per jaar en per verlaging van de KOT uitleg gegeven. De Commissie acht dit bezwaaronderdeel daarom ongegrond.
Evenredigheidsbeginsel
Belanghebbende doet in algemene zin een beroep op het evenredigheidsbeginsel. Zij stelt dat de bestreden beschikking nadelige gevolgen voor haar heeft die niet in verhouding staan tot het doel van de Wht.
De Commissie stelt vast dat uit de toelichting bij de bestreden beschikking blijkt dat deze is gebaseerd op de Wht, meer in het bijzonder op de artikelen 2.1 lid 1 en 2.6 daarvan.
Op basis van deze bepalingen heeft UHT per toeslagjaar beoordeeld of belanghebbende recht had op een tegemoetkoming of compensatie op basis van de compensatieregeling, de hardheidsregeling en/of de regeling voor opzet/grove schuld. De Commissie constateert op basis van de stukken en de schriftelijke beschouwing dat UHT haar beschikking zorgvuldig heeft voorbereid en de situatie van belanghebbende met inachtneming van de hiervoor genoemde wetsartikelen heeft beoordeeld. De omstandigheid dat UHT tot de slotsom is gekomen dat belanghebbende in haar specifieke geval niet in aanmerking komt voor een compensatie op grond van enige herstelregeling, maakt niet dat de toepassing van de artikelen 2.1 lid 1 en 2.6 van de Wht gelet op het doel of de strekking ervan leidt tot een onbillijkheid van overwegende aard voor belanghebbende. De Commissie adviseert daarom tot ongegrondverklaring van het bezwaar.
Hardheid door (te) hoge voorschotten
Voor zover belanghebbende feitelijk bedoelt te stellen dat zij in de problemen is gekomen doordat de regels in haar situatie te streng uitpakten, doet zij in wezen een beroep op hardheid bij de toepassing van het toeslagenstelsel. UHT heeft de toeslagjaren 2017 tot en met 2019 naar aanleiding hiervan nogmaals beoordeeld op hardheid.
UHT heeft geoordeeld dat er in het toeslagjaar 2017 geen terugvordering van meer dan € 1.500,- is geweest, terwijl in de toeslagjaren 2018 en 2019 weliswaar meer dan € 1.500,-, is teruggevorderd, maar er toch geen recht is op compensatie omdat de wet niet te hard heeft uitgepakt. De Commissie heeft deze standpunten – aan de hand van de beschikbare correspondentie en overige stukken – nagelopen en zij komen haar juist voor.
De stelling van belanghebbende dat zij in de problemen is gekomen door de te hoge voorschotten die later naar beneden zijn bijgesteld, leidt daarbij niet tot een ander oordeel. De terugvordering KOT over 2018 en 2019 was terug te voeren op een te hoog voorschot, dat op basis van reguliere wijzigingen opnieuw is berekend. In het toeslagjaar 2018 is de KOT door B/T aangepast op basis van de jaaropgave en een gewijzigd toetsingsinkomen. In het toeslagjaar 2019 is de KOT aangepast in verband met een wijziging van het aantal kinderen voor wie KOT is ontvangen en de stopzetting als gevolg van een melding van DUO. Hoewel de Commissie kan begrijpen dat de terugvorderingen belanghebbende hebben overvallen, zijn deze conform de wet uitgevoerd. Dergelijke bijstellingen geven in beginsel ook geen aanspraak op een zogenoemde hardheidscompensatie. De Commissie adviseert tot ongegrondverklaring van het bezwaar.
Proceskostenvergoeding
Nu de Commissie niet adviseert de bestreden beschikking te herroepen, is er geen aanleiding een vergoeding van de proceskosten toe te kennen.
Conclusie
Samengevat adviseert de Commissie om het bezwaar ongegrond te verklaren en om een vergoeding van de proceskosten voor de onderhavige bezwaarprocedure af te wijzen.
Secretaris
Fungerend voorzitter