Ga direct naar de inhoud Ga direct naar de filters Ga direct naar de footer

BAC 2023-13499

Advies van de Bezwaarschriftenadviescommissie hersteloperatie toeslagen

Aan: Belastingdienst/Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen (hierna: UHT)

Betreft: het bezwaarschrift van belanghebbende

Primair besluit: 16 juni 2023 (UHT-DCHA)

Hoorzitting: 19 maart 2025 om 11:15 uur

Overdracht advies aan UHT: 24 april 2025

Samenvatting

De Bezwaarschriftenadviescommissie (hierna: de Commissie) adviseert UHT om het bezwaar ongegrond te verklaren en het verzoek om een vergoeding van de proceskosten af te wijzen.

Onderwerp van advies

Het door gemachtigde namens belanghebbende ingediende bezwaarschrift is gericht tegen de door UHT genomen definitieve beschikking compensatie kinderopvangtoeslag van 16 juni 2023. Aan belanghebbende is met toepassing van de Wet hersteloperatie toeslagen (hierna: Wht) geen compensatie toegekend voor de jaren 2010 en 2011.

Procesverloop

  • Belanghebbende heeft op 10 mei 2022 verzocht om een herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag (hierna: KOT) over de jaren 2010 en 2011.
  • De Commissie van Wijzen (hierna: CvW) heeft haar beoordeling van het verzoek van belanghebbende op 11 mei 2023 aan UHT toegestuurd. De CvW heeft geadviseerd dat gedurende de betrokken jaren geen sprake is geweest van institutionele vooringenomenheid of bijzondere omstandigheden.
  • UHT heeft bij bestreden beschikking aan belanghebbende medegedeeld dat zij geen recht heeft op compensatie voor de jaren 2010 en 2011.
  • Gemachtigde heeft bij brief van 13 juni 2023 tegen deze beschikking een bezwaarschrift ingediend.
  • Gemachtigde heeft bij brief van 4 maart 2025 de gronden van het bezwaarschrift aangevuld.
  • UHT heeft op 21 november 2024 schriftelijk gereageerd op het bezwaarschrift.
  • Op 19 maart 2025 heeft een hoorzitting plaatsgevonden. Van de hoorzitting is een verslag gemaakt, dat achter het advies is gevoegd.
  • UHT heeft, daartoe door de Commissie ter zitting verzocht, op 27 maart 2025 een nadere schriftelijke reactie ingediend. Gemachtigde heeft daar op 30 maart 2025 op gereageerd. UHT heeft vervolgens in een e-mailbericht van 1 april 2025 gereageerd op laatstgenoemde reactie van gemachtigde.
  • Dit advies wordt uitgebracht door de voorzitter, eerste commissielid, tweede commissielid.

Ontvankelijkheid en algemene opmerkingen

Niet in geschil is dat het bezwaarschrift ontvankelijk is.

Overwegingen ten aanzien van de bezwaren en het bestreden besluit

De Commissie ziet zich gesteld voor de vraag of UHT terecht en op goede gronden is gekomen tot haar beslissing om het verzoek van belanghebbende om compensatie of tegemoetkoming voor het jaar 2010 af te wijzen. Ter zitting heeft gemachtigde desgevraagd aangegeven dat het jaar 2011 geen geschilpunt meer is. De Commissie zal het jaar 2011 daarom verder buiten beschouwing laten in dit advies.

Afschrift dossier

Belanghebbende vraagt allereerst om een afschrift van het dossier, daaronder ook begrepen de LIC-overzichten.

De Commissie stelt vast dat gemachtigde op 22 januari 2025 in het bezit is gesteld van alle op de zaak betrekking hebbende stukken, daaronder ook begrepen de LIC-overzichten. Uit de stellingname van belanghebbende en UHT volgt niet dat in het aan de Commissie en belanghebbende beschikbaar gestelde bezwaardossier nog specifieke stukken zouden ontbreken die van enig belang zijn geweest voor de door UHT genomen beschikking. De Commissie ziet daarom geen aanknopingspunten voor het oordeel dat artikel 7:4, lid 2, van de Algemene wet Bestuursrecht (Awb) zou zijn geschonden. Dit bezwaar kan daarom niet slagen.

Geen vooraankondiging

Belanghebbende voert verder aan dat zij geen vooraankondiging heeft ontvangen, waardoor zij destijds niet in de gelegenheid is gesteld om daarop te reageren. Zij vindt dat het besluit om die reden onzorgvuldig is. De Commissie overweegt dat dit niet de aangewezen gang van zaken is. Belanghebbende heeft echter in het kader van de bezwaarprocedure alsnog de gelegenheid gekregen en benut om haar bezwaren toe te lichten en te onderbouwen. De tekortkoming is daarmee hersteld.

Toeslagjaar 2010

Belanghebbende voert aan dat zij in aanmerking komt voor compensatie over het jaar 2010 UHT handhaaft haar standpunt dat belanghebbende geen recht heeft op compensatie omdat zij niet voldoet aan de voorwaarde van de KOT. Haar zoon was te oud om in aanmerking te komen voor KOT

Desgevraagd heeft UHT in een nadere schriftelijke reactie (en het e-mailbericht van 1 april 2025) antwoord gegeven op een tweetal vragen van de Commissie namelijk of (i) sprake is van vooringenomen handelen en zo ja, of (ii) UHT zich op het standpunt stelt dat sprake is van een ernstige onregelmatigheid die aan belanghebbende toerekenbaar is (artikel 2.1, eerste en tweede lid, Wht). UHT kan erkennen dat belanghebbende vooringenomen is behandeld omdat er geen bewijsstukken zij dat voldoende uitvraag is gedaan voorafgaand aan de nihilstelling van de KOT.

Maar UHT voegt daaraan toe dat, omdat de zoon van belanghebbende niet op de basisschool zat in 2010 er evident geen recht op KOT bestond zodat er evenmin recht op compensatie bestaat. UHT concludeert dat sprake is van een ernstige onregelmatigheid die aan belanghebbende toerekenbaar is (artikel 2.1, tweede lid, Wht).

De Commissie overweegt als volgt.

Voor compensatie komt, ingevolge het bepaalde in de Wht, kortweg, in aanmerking de ouder waarvan aannemelijk is dat de vaststelling van zijn of haar aanspraak op KOT in enig jaar onderdeel is geweest van hardheid of van een institutioneel vooringenomen handelwijze van B/T.

Vooropgesteld wordt dat tussen partijen niet langer in geschil is dat voorafgaand aan de nihilstelling van de KOT, UHT onvoldoende uitvraag heeft gedaan bij belanghebbende zodat sprake is van vooringenomen handelen (artikel 2.1, eerste lid, Wht).

Waarover partijen wel van mening verschillen is de vraag of sprake is van een ernstige onregelmatigheid die aan belanghebbende toerekenbaar is (artikel 2.1, tweede lid, Wht). Volgens UHT is dat het geval. Zij voert daartoe aan dat de zoon van belanghebbende de leeftijd waarop aanspraak kan worden gemaakt op KOT inmiddels had overschreden.

Volgens de Wet Kinderopvang (Wko) bestaat er recht op KOT in de vorm van buitenschoolse opvang (bso) voor kinderen die de leeftijd hebben dat ze naar de basisschool kunnen gaan. In de Wet op het primair onderwijs (Wpo) is bepaald dat de basisschool in ieder geval eindigt aan het einde van het schooljaar waarin een kind 14 jaar wordt (artikel 39, vierde lid, Wpo). In mei 2010 bereikte de zoon van belanghebbende de leeftijd van 15 jaar. In het schooljaar daarvoor, schooljaar 2008/2009, was hij 14 jaar. Dat betekent dat er in het jaar 2010 evident geen recht op KOT bestond, dat recht bestond tot het einde van schooljaar 2008/2009. Een uitzondering voor kinderen met speciale (medische) behoeftes bestaat in de wet niet, aldus UHT.

Belanghebbende is het niet eens met UHT. Zij heeft dat als volgt toegelicht. De zoon van belanghebbende heeft diabetes type 1. Zij was genoodzaakt om haar zoon naar de opvang te brengen omdat hij niet alleen thuis kan blijven. De directeur van de kinderopvanginstelling wees belanghebbende erop dat zij KOT kan aanvragen om de kosten van opvang te betalen. De directeur heeft de aanvraag voor belanghebbende ingevuld, belanghebbende hoefde (enkel) die aanvraag te ondertekenen. Het valt B/T te verwijten dat, hoewel belanghebbende (kennelijk) niet voldeed aan de voorwaarden voor toekenning van KOT, de aanvraag toch is goedgekeurd en belanghebbende vervolgens (in 2010) opvang heeft afgenomen. Bovendien wist belanghebbende niet dat de kinderopvanginstelling niet geregistreerd was. Gezien de bijzondere omstandigheden in deze zaak (de grens van 14/15 jaar en de medische aandoening van de zoon) vindt belanghebbende dat geen sprake is een ernstige onregelmatigheid die aan belanghebbende is toe te rekenen. Ter onderbouwing verwijst belanghebbende in de nadere schriftelijke reactie naar het Handboek IB - Vaktechniek.

De Commissie overweegt dat belanghebbende ter zitting duidelijk heeft toegelicht dat zij bij het aanvragen van de KOT voor haar zoon heeft vertrouwd op de uitlating van de directeur van de kinderopvangstelling waar haar zoon om medische redenen naar toe ging, terwijl belanghebbende als alleenstaande moeder aan het werk was.

Alhoewel de Commissie het handelen van belanghebbende begrijpelijk acht constateert zij ook dat de wet geen ruimte biedt om gevallen zoals die van belanghebbende voor compensatie in aanmerking te laten komen. De wetgever heeft hiervoor in artikel 2.1, tweede lid, Wht specifiek overwogen dat als er geen recht was op KOT compensatie achterwege dient te blijven. Van zo’n situatie is blijkens de memorie van toelichting sprake indien niet wordt voldaan wordt aan bepaalde fundamentele voorwaarden om een toeslag te kunnen ontvangen. Hierin leest de Commissie dat een situatie zoals die van belanghebbende – met een kind dat niet aan de leeftijdseis voldoet – niet in aanmerking komt voor compensatie en UHT terecht een beroep heeft gedaan op de uitzondering.

Boete en O/GS-kwalificatie

Belanghebbende heeft verder aangevoerd dat zij meent dat UHT niet heeft onderbouwd dat geen sprake was van een O/GS-kwalificatie (productie 24). UHT heeft desgevraagd de telefoonnotities overlegd. Hieruit volgt niet dat er sprake is van een geweigerde betalingsregeling. Dit bezwaar kan daarom niet slagen.

Fraude Signalering Voorziening

Belanghebbende heeft tot slot aangevoerd dat zij schade heeft geleden omdat zij in de Fraude Signalering Voorziening (FSV) was opgenomen. Zij kon hierdoor niet deelnemen aan de schuldsaneringsregeling. Volgens UHT heeft belanghebbende geen aanspraak op compensatie enkel omdat zij op de FSV-lijst stond. Daarvoor is nodig dat er is gezocht naar fouten en tekortkomingen naar aanleiding van de vermelding op de FSV-lijst. Dat is hier niet aan de orde.

De Commissie overweegt dat zij in het dossier geen concrete aanknopingspunten heeft gevonden die aannemelijk maken dat inderdaad is gezocht naar fouten en tekortkomingen naar aanleiding van de vermelding op de FSV-lijst. Desgevraagd heeft UHT ter zitting in dit verband verklaard dat niet met zekerheid is te achterhalen of het boetebesluit van 18 juli 2013 de aanleiding is geweest voor het feit dat belanghebbende op de FSV-lijst is geplaatst. Een directe, concrete aanleiding daarvoor heeft de Commissie evenmin kunnen herleiden uit het dossier.

Proceskostenvergoeding

Nu de Commissie niet adviseert het bestreden besluit te herroepen, is er geen aanleiding een vergoeding van de proceskosten toe te kennen.

Conclusie

Samengevat adviseert de Commissie om het bezwaar ongegrond te verklaren.

Secretaris

Fungerend voorzitter