Ga direct naar de inhoud Ga direct naar de filters Ga direct naar de footer

BAC 2023-13489

Advies van de Bezwaarschriftenadviescommissie hersteloperatie toeslagen

Aan: Belastingdienst/Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen (hierna: UHT)

Betreft: het bezwaarschrift van belanghebbende

Primair besluit: 17 november 2021 (UHT-DC I)

Hoorzitting: 24 februari 2025

Overdracht advies aan UHT: 13 maart 2025

Samenvatting

De Bezwaarschriftenadviescommissie (hierna: de Commissie) adviseert UHT het bezwaar tegen de beschikking met kenmerk UHT-DC I gedeeltelijk gegrond te verklaren, de compensatieberekening aan te passen en een proceskostenvergoeding toe te kennen.

Onderwerp van advies

Het door gemachtigde namens belanghebbende ingediende bezwaar is gericht tegen de op 17 november 2021 door UHT genomen beschikking met kenmerk UHT-DC I. UHT heeft bij deze compensatiebeschikking een definitief compensatiebedrag aan belanghebbende toegekend van € 99.460,- voor de toeslagjaren 2008 tot en met 2011.

Overgangsrecht

Op 5 november 2022 is de Wet van 2 november 2022 houdende regels ten behoeve van de hersteloperatie toeslagen (Wet hersteloperatie toeslagen, hierna: Wht) in werking getreden. Gelet op het bepaalde in de artikelen 8.6 en 9.2 Wht moet de bestreden beschikking geacht worden te zijn genomen op grond van artikel 2.1 en verder van de Wht.

Procesverloop

  • Belanghebbende heeft UHT 18 november 2019 verzocht om herbeoordeling van haar kinderopvangtoeslag over de toeslagjaren 2008 tot en met 2011. UHT heeft bij de herbeoordeling naar de toeslagregeling over deze jaren gekeken.
  • UHT heeft belanghebbende bij beschikking van 17 november 2021 met kenmerk UHT-DC I over de toeslagjaren 2008 tot en met 2011 een compensatiebedrag van € 99.460,- toegekend wegens institutionele vooringenomenheid van de Belastingdienst/Toeslagen.
  • Gemachtigde heeft bij bezwaarschrift van 8 juni 2023 namens belanghebbende tegen deze beschikking bezwaar gemaakt.
  • UHT heeft bij schriftelijke reactie van 27 juni 2024 gereageerd.
  • Het bezwaar van belanghebbende is op 26 februari 2025 op hoorzitting bij de Commissie behandeld. Een verslag van de hoorzitting is bij het advies gevoegd.
  • De Commissie, bestaande uit de voorzitter, eerste commissielid, tweede commissielid, heeft het volgende advies vastgesteld.

Ontvankelijkheid en algemene opmerkingen

Niet in geschil is dat het bezwaar van belanghebbende ontvankelijk is.

Overwegingen ten aanzien van de bezwaren en het bestreden besluit

Geen schending inzagerecht en/of equality of arms

Volgens belanghebbende heeft UHT verzuimd stukken te overleggen, die voor de beoordeling van het bezwaar relevant zijn. Het inzagerecht en de equality of arms zouden hiermee geschonden zijn. De Commissie overweegt met betrekking tot deze procedurele bezwaren als volgt.

Ingevolge artikel 7:4 lid 2 van de Algemene wet bestuursrecht heeft belanghebbende voorafgaand aan de hoorzitting bij de Commissie recht op afschriften van de op de zaak betrekking hebbende stukken (hierna: het inzagerecht).

Bij de schriftelijke reactie heeft UHT een uitgebreid dossier overgelegd, waaronder begrepen de verlangde LIC-overzichten, tijdlijn en renteberekeningen. Het komt de Commissie voor dat belanghebbende hiermee kan beschikken over de op de zaak betrekking hebbende stukken.

Het is gezien het voorgaande niet aannemelijk dat belanghebbende in haar rechtspositie is geschaad door het niet overleggen van stukken. De fair balance tussen partijen is gedurende deze bezwaarprocedure niet in het geding gekomen.

De Commissie is gezien het voorgaande de opvatting toegedaan dat het inzagerecht en de equality of arms in deze bezwaarprocedure niet zijn geschonden.

Herbeoordeling van het jaar 2012

Belanghebbende betoogt dat het jaar 2012 ook meegenomen had moeten worden in de herbeoordeling. Op de hoorzitting heeft gemachtigde in dat kader verwezen naar een uitspraak van de Rechtbank Rotterdam, naar de Commissie meent van 17 december 2024 (ECLI:NL:RBROT:2024:13134).

UHT stelt zich op het standpunt, onder verwijzing naar het SAS-overzicht 2012 (productie 55), dat voor het toeslagjaar 2012 geen aanvragen KOT zijn ingediend of beschikkingen KOT zijn genomen en dat de herstelregelingen onlosmakelijk zijn verbonden met aanvragen en beslissingen ter zake van de kinderopvangtoeslag.

De Commissie stelt vast dat het oorspronkelijke verzoek om herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag zag op de jaren 2008 tot en met 2011 en dat dit is bevestigd in het Invulformulier herstel toeslagen. Zodoende ziet het bestreden besluit enkel op een herbeoordeling van de jaren 2008 tot en met 2011. In bezwaar heeft belanghebbende voor het eerst kenbaar gemaakt dat zij ook om een herbeoordeling vraagt van toeslagjaar 2012. Gelet op het voorgaande ziet de Commissie geen mogelijkheid om het niet-beoordeelde jaar 2012 bij haar advies te betrekken nu hierover (nog) geen besluit is genomen.

De Commissie wijst er nog op dat in de zaak waarnaar gemachtigde verwijst, de aanvraag wordt beperkt tot die jaren waarvoor een aanvraag KOT is gedaan, althans daarover een beschikking is afgegeven. In het geval van belanghebbende zijn er geen aanknopingspunten dat met betrekking tot toeslagjaar 2012 KOT is aangevraagd; van enige beschikking is evenmin gebleken, zo valt af te leiden uit de stukken, die door UHT zijn overgelegd. Voorts is in de zaak, waarover de rechtbank Rotterdam heeft geoordeeld, sprake van meerdere besluiten op aanvullende verzoeken om herbeoordeling. Ook dat is in het geval van belanghebbende niet aan de orde.

Beoordeling forfaitaire compensatieberekening 2008 tot en met 2011

Tussen partijen is niet in geschil dat de Belastingdienst/Toeslagen over de toeslagjaren 2008 tot en met 2011 institutioneel vooringenomen jegens belanghebbende heeft gehandeld. UHT heeft ter compensatie volgens de forfaitaire systematiek van de Wht € 99.460,- aan belanghebbende toegekend.

Niet terugbetaalde/verrekende kinderopvangtoeslag, toeslagjaar 2009

UHT heeft in het kader van deze bezwaarprocedure nogmaals gekeken naar de compensatieberekening en geconstateerd dat deze component voor toeslagjaar 2009 te hoog is vastgesteld, namelijk op € 6.144,- in plaats van € 6.114,-. Dit zal worden aangepast in de beslissing op bezwaar, waardoor het lagere bedrag in mindering zal worden gebracht, hetgeen gunstig is voor belanghebbende.

De Commissie neemt hiervan met instemming kennis en zal dienovereenkomstig adviseren.

De vergoeding voor juridische hulp 2011

Voor toeslagjaar 2011 heeft UHT, onder verwijzing naar productie 50, alsnog een vergoeding voor juridische hulp toegezegd tot een bedrag van € 1.492,-.

Namens belanghebbende is betoogd dat deze vergoeding moet worden bepaald op basis van de actuele puntwaarde, die tot een hoger bedrag leidt.

De Commissie is het daarmee eens, nu deze vergoeding pas bij de beslissing op bezwaar zal worden toegekend, en zal dienovereenkomstig adviseren. Daarnaast heeft de Commissie onderzocht in hoeverre UHT van voldoende procespunten is uitgegaan. Uit productie 50 (NB dat is een proces verbaal uit een WSNM en SNMN-procedure bij het gerechtshof Den Haag en geen uitspraak) leidt de Commissie af dat belanghebbende destijds een procedure bij de rechtbank Den Haag en bij het gerechtshof Den Haag heeft gevoerd en dat zij in beide procedures de bijstand van een advocaat heeft gehad. Zij acht het aannemelijk dat belanghebbende ter zitting in beide procedures met een advocaat is verschenen. Het komt de Commissie voor dat belanghebbende daarom recht heeft op een forfaitaire vergoeding voor beide procedures op basis van twee procespunten (verzoekschrift en hoorzitting) met een wegingsfactor 2. Net als in eerdere zaken adviseert de Commissie daarbij uit te gaan van de hoogste vergoeding per procespunt.

De rentevergoeding voor gemiste kinderopvangtoeslag

UHT heeft bovendien geconstateerd dat de wettelijke systematiek van artikel 2.3 lid 7 Wht jo. artikel 27 lid 2 Awir voor de berekening van de rente gemiste kinderopvangtoeslag niet is gevolgd. Belanghebbende heeft hierdoor te weinig compensatie ontvangen. In het bijzonder is verzuimd tot de dagtekening van de bestreden beschikking rente toe te kennen.

UHT heeft aan belanghebbende al toegezegd dat de renteberekening bij beslissing op bezwaar wordt aangepast. Het bezwaar op dit onderdeel slaagt.

De Commissie stelt vast dat de door UHT in haar beschouwing vastgestelde bedragen (zie ook producties 51 tot en met 54) overeenkomen met de door gemachtigde op de hoorzitting genoemde bedragen. Tussen partijen bestaat daarover dus overeenstemming.

De vergoeding voor immateriële schade

Belanghebbende heeft de hoogte van de immateriële schadevergoeding bij gebrek aan wetenschap betwist.

De Commissie overweegt dienaangaande als volgt.

De immateriële schadevergoeding wordt bij vooringenomenheid volgens begunstigend beleid van UHT toegekend vanaf het eerste moment dat intern vooringenomen jegens belanghebbende werd gehandeld. Uit het RKT-overzicht 2009 (productie 28) volgt dat belanghebbende op 3 november 2009 “op ROOD werd gezet”. Het komt de Commissie daarom voor dat de immateriële schadevergoeding vanaf die datum had moeten worden berekend.

De Commissie zal adviseren bij de beslissing op bezwaar van deze startdatum voor de berekening van de vergoeding van immateriële schade uit te gaan.

Het bezwaar is deels gegrond. In een dergelijke situatie hanteert UHT als einddatum van de forfaitaire vergoeding voor de immateriële schade de datum van de beslissing op bezwaar. De Commissie ziet daarom aanleiding UHT te adviseren de forfaitaire vergoeding voor immateriële schade van belanghebbende te berekenen tot de datum van de beslissing op bezwaar.

De 1% aanvullende vergoeding

Nu het subtotaal van de compensatieberekening zal wijzigen, adviseert de Commissie, in lijn met het voornemen van UHT, om ook de aanvullende vergoeding van 1% aan te passen.

Proceskostenvergoeding

Nu het bezwaar deels gegrond is en de primaire beschikking met kenmerk UHT-DC I moet worden herroepen, adviseert de Commissie om het verzoek voor vergoeding van de kosten van rechtsbijstand in deze bezwaarprocedure toe te wijzen. Op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht heeft belanghebbende recht op een forfaitaire vergoeding op basis van twee procespunten (bezwaarschrift en hoorzitting) met een wegingsfactor 2. Net als in eerdere zaken adviseert de Commissie daarbij uit te gaan van de hoogste vergoeding per procespunt.

Conclusie

Samengevat adviseert de Commissie:

  • het bezwaar tegen de beschikking met kenmerk UHT-DC I deels gegrond te verklaren; en daarbij
  • component e ten aanzien van 2009 aan te passen van € 6.144,- naar € 6.114,-;
  • de vergoeding voor juridische hulp over 2011 vast te stellen aan de hand van de (hoogste) vergoeding per procespunt geldend ten tijde van de beslissing op bezwaar;
  • de vergoeding voor immateriële schade te berekenen vanaf startdatum 3 november 2009 tot de datum van de beslissing op bezwaar;
  • de rentevergoeding voor gemiste kinderopvangtoeslag vast te stellen zoals omschreven in de schriftelijke reactie van UHT, met de bedragen genoemd in producties 51 tot en met 54 en de rentevergoeding over 2009 te berekenen tot de datum van de beslissing op bezwaar;
  • de aanvullende vergoeding van 1% van het subtotaal van het compensatiebedrag aan te passen;
  • een vergoeding van de kosten van rechtsbijstand toe te kennen op basis van 2 procespunten met een wegingsfactor 2 uitgaande van de hoogste vergoeding per procespunt.

Secretaris

Fungerend voorzitter